PlusReportage

Hermanusje van alles zet al 50 jaar woordgrappen in de etalage: ‘Ik ga net zo lang door tot ze perfect zijn’

null Beeld Dingena Mol
Beeld Dingena Mol

De ene klant vindt ze geestig, de andere flauw. De visuele grapjes die Herman Stafleu (72) in de ruit van zijn drogisterij zet, zijn na een halve eeuw een begrip in de Jordaan. ‘Als ik die etalage niet had, zou ik niet weten wat ik moet met al die ideeën in m’n hoofd.’

Caroline van Sprang

‘Wanneer word jij een keer opgenomen?’ krijgt Herman Stafleu (72) weleens van klanten te horen. De etalage van drogis­terij Hermanusje van alles in de Westerstraat dient als podium voor zijn hersenkronkels. ‘Doorgelopen mascara’, staat bij een mascara met voetjes eronder. Bij een stel barbiebenen waaraan parasolletjes zijn bevestigd prijkt een bordje ‘Parabenen’. “Ik ga uit van een woord,” vertelt Stafleu. “Als ik het kan splitsen en om­draaien, zie ik meteen een beeld voor me. En dan ga ik op jacht naar spullen in speelgoed- en kringloopwinkels.” Hij haalt er zelf erg veel plezier uit. Als die ene stugge klant eindelijk lacht, heeft hij gewonnen.

Vijftig jaar geleden, met kerst, knutselde Stafleu van karton een driehoekige tent en legde daar een kerstbal in. ‘Ballentent’, schreef hij er bij met dikke letters bij. Iets geks tussen de gewone drogisterijartikelen. Het viel op en sloeg aan; klanten wilden meer. Hij gaf gehoor, en doet dat nog steeds. Sinds die ene kerst gaat er om de twee maanden een twintigtal nieuwe grappen voor het raam. Hij leest wat of luistert naar een gesprek in de trein en hoppa: nieuw etalagevoer.

Herman Stafleu met zijn dochter Linda, die de winkel heeft overgenomen. Beeld Dingena Mol
Herman Stafleu met zijn dochter Linda, die de winkel heeft overgenomen.Beeld Dingena Mol

Hermanusje van alles is een drogisterij van de oude stempel. Voor iedere binnenlopende klant rinkelt een opgewekt belletje, groene zeep, poetsmiddelen, borstels en wrijfwas vullen de houten schappen. Voor, op en achter de toonbank liggen bij elkaar ruim vijftig verschillende soorten Nederlandse drop. Uit kleine speakers klinkt muziek uit de jaren vijftig en zestig, die Stafleu in de jaren tachtig op zondagochtend opnam van de radio. Drie uur lang zette hij de recorder aan en zocht er vervolgens de nummers uit ‘die me niet irriteerden’.

Stooflapjes

Gekleed in net overhemd, een bril op de neus, komt Stafleu vanuit het magazijn de winkel in. Hij gaat zitten, op zijn schoot een dikke map. Foto’s van oude grappen, een vriendin maakt er momenteel een fotoboek van. Hij vist er een zwart-wit­exemplaar uit: de ballentent. “Vroeger flanste ik de grappen in elkaar. Kijk, het zag er echt niet uit!” Hij kijkt naar het gevouwen karton dat de tent voorstelt en schudt zijn hoofd. Flanswerk, in ver­gelijking met de kunstwerkjes van nu. Knippen, lijmen, verven, buigen en schuren: soms is hij er dagen mee bezig. “Ik ga net zo lang door tot ze perfect zijn. Mijn grapjes worden ook taalkundig steeds beter en vooral geraffineerder. Je gaat steeds hogere eisen aan jezelf stellen.” Sommige grappen halen de etalage dan ook niet. “Die heb ik dan wel gemaakt, maar zijn gewoon niet leuk genoeg.”

Zo nu en dan wordt een grap gerecycled. Maar alleen de echte uitschieters, zoals de ‘Kwakzalver’ – een speelgoedeend in een pot zalf geduwd. Voorwaarde is dat het werkje nog eigentijds is, zegt Stafleu: “Een grap met stooflapjes kan echt niet meer, de jeugd heeft geen idee wat dat zijn.” De etalage gaat mee met z’n tijd, met grappen met bitcoins, langere teksten worden vervangen door één of twee woorden. Grappen over seks of religie komen er niet in: de etalage is neutraal. “Je mag niemand beledigen. In het begin had ik daar nog weleens moeite mee, ik was te jong om dat door te hebben.” Grappen over muizenvallen maakt hij, na een paar dreigbrieven, ook niet meer. Grinnikend: “Ik zal jou in een muizenklem zetten, schreven ze. Goed hoor, word ik een beetje gestuurd.”

Winkeldochter

In 1972 ging Stafleu aan het werk bij de drogisterij, die toen nog De Concurrent Westerveld heette. Hij werd filiaalchef en betrok, gedwongen door de woningnood, met zijn vrouw de kleine ruimtes achter in de winkel. Ze maakten het leefbaar en kregen dochter Linda, inmiddels 48. In 1980 nam Stafleu het hele pand over, een rijksmonument dat ooit een leerlooierij was geweest. Met de overname nam hij ook het achterstallig onderhoud van het gebouw voor zijn rekening. “Financieel was het een lastige tijd, maar we hebben ervoor gezorgd dat de klanten dat nooit merkten.”

Herman Stafleu voor de drogisterij. Beeld Dingena Mol
Herman Stafleu voor de drogisterij.Beeld Dingena Mol

Stafleu verbouwde de achtertuin, doopte de winkel om tot Hermanusje van alles en de familie wist een klein huisje in de binnenstad van Purmerend te bemachtigen. Zes dagen per week stond Stafleu samen met zijn vrouw achter de toonbank, vertelt hij. Linda kroop er rond en pikte zodra ze erbij kon dropjes uit de schep­bakken. Als er even geen klant in de winkel is, vult Linda haar vader aan: “Ik was hier altijd. Het werken in de drogisterij werd er met de paplepel ingegoten.”

Stafleu: “Je bent bent een echte winkeldochter.”

Het was vanzelfsprekend dat ze later de winkel zou overnemen. Elf jaar geleden was het zover. Met Linda aan het roer veranderde het assortiment: producten waar de Etos mee stuntte, vlogen uit de schappen, in plaats daarvan kwamen exclusieve producten die de winkel onderscheidden. Ze bracht ordening in de ruimte, maakte de vloer vrij en het uitgestalde assortiment overzichtelijk.

Maar de etalage, die raakte ze niet aan.

Stafleu: “Ik zei: haal mijn spullen er maar uit en zet je eigen spullen erin.”

Linda: “Die etalage is een begrip, daar kun je niet zomaar mee stoppen.”

Erg vond Stafleu het niet: “Als ik die etalage niet had, zou ik niet weten wat ik moet met al die ideeën in m’n hoofd.”

Stafleu groeide op in de Plantagebuurt en werkte in drogisterijen terwijl hij een technische opleiding afrondde. Van jongs af aan had hij een fototoestel in zijn hand: reclameborden, etalages, alles werd vastgelegd en in de donkere kamer ontwikkeld en afgedrukt. Hij was constant op zoek naar spannende plaatjes om te schieten en merkte grapjes op die mensen bewust of onbewust maakten. Het maakte hem alert en, zoals hij het zelf noemt, een ‘zijstraatdenkertje’.

“M’n hersenkronkels zijn af en toe heel erg, hoor,” lacht Stafleu. Niet iedereen begrijpt hem. De ‘hoofdstraatdenkertjes’, mensen met een tunnelvisie en die niet op- of omkijken, snappen zijn lolletjes niet, zegt hij.

null Beeld Dingena Mol
Beeld Dingena Mol

Stafleu loopt naar buiten om iets in de etalage te laten zien. “Die ‘achteruit’ is een instinkertje, die moet ik steeds uitleggen. Dan zeggen mensen: ‘Ja logisch, de getallen lopen achteruit.’ ‘Nee kijk nou even,’ zeg ik dan, ‘de acht is eruit!’”

Oude kunstwerkjes slaat hij op in het magazijn, op de vliering waar vroeger werd geslapen. Opgestapelde dozen vol grapjes. Aan de muren van de houten aanbouw een aantal ingelijste meesterwerken. ‘Stilleven’: A4’tjes met lege notenbalken; ‘Scherpe foto’: een afbeelding van een mesje. Op zijn bureau ligt materiaal voor nieuwe ideeën. Hij neemt een groot oor van plastic ter hand. Triomfantelijk: “Ik denk dat ik het straks in stukken knip en dan zet ik er ‘oordelen’ bij.”

Visitekaartje

Eerdaags gaat de nieuwe collectie achter het raam. Ook hierin is Stafleu een perfectionist: “Ik ben er echt lang mee bezig. Dan heb ik wat neergezet, ga ik kijken, en toch weer verzetten. Iedere centimeter moet naar m’n zin zijn. De leukste grap moet in het midden. Ik ben er zo een paar uur mee bezig. Als het dan perfect is, heb ik echt zoiets van: hè, heerlijk! Maar het was weer een bevalling.” Stafleu lacht verlegen. “Ik moet eerlijk zeggen dat ik nog altijd een beetje zenuwachtig ben als ie er weer in staat, ook na vijftig jaar.”

De beloning is groot. “Elke dag, élke dag kloppen mensen op de ruit en steken hun duim op. Of ze komen binnen en geven een brul. Ik heb klanten met een migratieachtergrond die door de grapjes Nederlands leren. Kleine kinderen staan te gieren, die snappen het weliswaar niet, maar vinden het te gek. De kinderen die dat vroeger deden, zijn nu groot en komen weer met hun kleintjes. Het geeft elke dag voldoening.” Bij complimenten blijft het niet. Klanten brengen spullen waarvan ze denken dat Stafleu ze kan gebruiken: poppenhuizen, kandelaars, stukken stof. Met suggesties kan hij daarentegen niet zo veel – hij gebruikt liever zijn eigen grappen. “Ja sorry hoor,” lacht hij. “Vaak zijn ze afgezaagd. Grappen die mensen eerder hebben gezien.”

null Beeld Dingena Mol
Beeld Dingena Mol

Aan Engelstalige grappen waagt Stafleu zich niet. Dan moet je namelijk Engels kunnen denken en dat kan hij niet. Desalniettemin valt de etalage in de smaak bij toeristen. Ze komen in hordes langs, gids voorop: “Die leggen het dan vrolijk uit, maar zo gaat de grap wel een beetje van de grap.”

Een etalage is het visitekaartje van een winkel, vindt hij: “Schandalig hoe het er bij sommige uitziet, gewoon als een soort magazijn. Stampvol met spullen, stoffig en vies. Onze etalage werkt als een magneet, je lokt er klanten mee en je onderscheidt je ermee van de grote jongens.” Etos opende een filiaal schuin tegenover. Maar van concurrentie is volgens hem geen sprake. “We drinken samen koffie en sturen mensen naar elkaar door. We hebben dezelfde klanten en moeten er allemaal van eten.”

De etalage mag dan het paradepaardje van de winkel zijn, klanten komen natuurlijk ook om andere redenen. Gea Schoenmakers (65) koopt al sinds 1986 bij Manusje van alles. “Het is een heerlijke winkel! Ruimte voor een praatje en grapje is er altijd en je wordt heel persoonlijk geholpen. Ze werken hier met plezier, dat merk je. En dit is een van de enige plekken in Amsterdam waar ik aluin kan kopen.”

Bleekwater en gapers

Ook ín de winkel is van alles te zien. Stafleu creëerde bovenin een echt museum: pakken wasmiddel uit de jaren vijftig, antieke babypoederpotjes, bleekwater en gapers. De verzameling bestaat voor­namelijk uit artikelen die hij vond in het pakhuis van de voormalige eigenaar, Westerveld, en ruilde met het Nederlandse Drogisterij Museum in Maarssen, dat niet meer bestaat. Maar ook klanten leveren tot op de dag van vandaag spullen voor de ­collectie aan: “Dan is er weer een omaatje overleden en komt iemand een verbandkist brengen die nog op zolder stond.”

null Beeld Dingena Mol
Beeld Dingena Mol

Het is een ontmoetingsplek waar iedereen welkom is. Jordanese klanten worden afgewisseld door Engelssprekende bezoekers, allen worden aangehoord en geadviseerd. Sommige oudere vaste klanten krijgen hulp bij het pinnen.

Een oudere man stiefelt de winkel in. “Psylliumvezels met sinaasappelsmaak, graag.” Uitverkocht. De stoelgangversoepelaar is hard gegaan. Terwijl meneer de drogist verlaat, roept hij vrolijk ‘shit happens!’

Stafleu’s manier van denken werkt aanstekelijk. Het valt volgens hem dan ook te leren, al heeft Linda zich er nog niet aan gewaagd. Hoeft voorlopig ook niet. Een eventuele rollator past achter de toonbank en als het aan Linda ligt, gaat haar vader nog wel even door. “Totdat hij erbij neervalt,” grijnst ze.

Luister ook naar de Paroolpodcast Amsterdam wereldstad:

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden