PlusInterview

Harold Hamersma: ‘Ik kan heel slecht tegen dronken mensen. Dan loop ik weg’

Harold Hamersma (63) begon als reclameman, hij verzon slagzinnen als ‘Gaat er wel eens een dag voorbij zonder Verkade’, en werd een gevierd wijnschrijver. Meer dan dertig wijnboeken later schreef hij toch dat boek over zijn jeugd in De Pijp, zijn ouders en de rest van de familie. ‘Als je eenmaal over je jeugd nadenkt, gaan er allemaal laatjes open. Ik ruik het ook.’

Harold HamersmaBeeld Linelle Deunk

Een hele stoet ‘omes’ zag zijn moeder als meisje langskomen, nadat haar vader in 1942 eindelijk voorgoed het huis had verlaten. Ome Jan, ome Piet (twee keer), ome Nico, ome Teun, ome Bart, ome Massie. Een havenarbeider, een slagersknecht met nog maar acht vingers, de aardappelboer ‘die toch al aan huis kwam om zijn bintjes te brengen’.

“Een verschrikkelijke jeugd,” zegt wijnschrijver Harold Hamersma. Nooit schone kleren, een bed zo vies dat de maden erin rondkropen. “In de Hongerwinter de hond in de pot vinden. Haar hond.” En dan die mannen dus. “Mijn moeder was bloedmooi, dat is ze nog steeds. Een filmster, zo prachtig. Ik weet het niet zeker, ze was pas twaalf en zegt zelf dat er niks is gebeurd, maar ik twijfel of ze alleen maar aan haar moeder hebben gezeten.”

Komende week presenteert Hamersma in het oude badhuis in de Eerste Swee­linckstraat, waar nu Escobar zit, een boek over zijn jeugd in De Pijp, over zijn ouders en de rest van de familie, die in de buurt woonde: Onder de rook van de Heineken.

Op de eerste pagina schrijft hij over zijn hoogzwangere moeder, onwetend wat er stond te gebeuren toen de kleine Harold zich op 9 augustus 1956 aandiende en zij op haar knieën de vloer van het ouderlijk huis lag te dweilen: ‘De enige vorm van seksuele voorlichting die zij ooit van háár moeder had gehad, was nauwelijks onderdrukt gehijg, het grommende gelach van haar vele veroveringen en de ranzige geur die de hoek omkwam van het behangdunne wandje waarachter zij met haar oudere zusje Beppie sliep en die haar neus binnendrong.’

Oma Miegie Paardenvliegie. Licht verbijsterd zegt Hamersma: “Je kunt je geen lievere oma voorstellen. Huilend van het lachen hebben we met haar onze jeugd doorgebracht. Het was prachtig.”

Hoe is dat mogelijk?

“Ik weet het niet. Het was een heel leuk Joods vrouwtje, maar ze had geen enkel gevoel voor verantwoordelijkheid. Ze had geen idee wat het behelsde om moeder te zijn. Ze is uiteindelijk uit de ouderlijke macht ontzet. Daar moest je het in de jaren veertig behoorlijk bont voor maken. Ik heb mijn moeder weleens gevraagd: was jouw oma, de moeder van haar moeder, ook zo? Maar nee, dat was een keurige mevrouw die woonde waar nu de IJtunnel is.”

Het gesprek vindt plaats op de half open verdieping boven Mevrouw Hamersma Kookboekwinkel in de Gerard Doustraat, vlak bij de Van Wou. Daar heeft hij vijf jaar geleden zijn werkplek gevonden voor het proeven van zo’n achtduizend flessen wijn per jaar. Soms honderdtwintig op een dag. Toen ze het ‘onderstukkie’ vonden, een ruimte op de begane grond, was zijn vrouw onmiddellijk verkocht: voor de deur staat een glasbak.

Zelf heeft Hamersma een ontspannen jeugd gehad in de buurt. Voetballen op straat. Met zijn vader op de fiets naar Vinkeveen om te vissen. Bij thuiskomst rook het naar kippensoep. “Het enige Joodse gerecht met drie b’s,” zegt hij. Kibbesoeb.

Bent u zo nostalgisch?

“Een beetje melancholiek, ik houd daar wel van.”

Vroeger was alles beter.

“Helemaal niet. Vroeger reden ze met auto’s door de Albert Cuypstraat, zo tussen de kramen door. Ja, als ik weer zo’n conceptstore zie, denk ik: over een halfjaar zit er weer een andere conceptstore. Maar ik vind het leuk: al die jonge mensen die op de hoek een koffietje gaan doen en die eten niet meer uitsluitend zien als een middel om niet dood te gaan. Toen wij jong waren, deden we dat ook: uit eten bij Le Quartier Latin in de Utrechtsestraat.”

“Een kleurrijke buurt,” zegt hij. “Altijd al geweest.” Zijn vader heeft de winkel nog gezien, vlak voor hij overleed. “Hij keek zo’n beetje om zich heen en liep het trapgat in. Opeens zegt hij tegen me: ‘Ja, dit is mijn oude kapper, hier ging ik samen met mijn broers naartoe, want dan was het goedkoper. Een smeerlap.’”

‘Knippen en wippen’ schrijft Hamers­ma in zijn boek. “Mijn vader begon te fluisteren: een pedofiel. Volgens hem had hij niks aan onder zijn witte jas en dan stond hij tegen die kleine jongetjes aan te rijden. Mijn vader herkende het. Zijn dna moet hier nog letterlijk tussen de plinten zitten. Vandaar dat we ons hier erg thuis voelen.”

Onder elke steen een herinnering. Toen Hamersma ruzie kreeg met de kapitein van de rondvaartboot omdat hij met vieze schoenen over het gepoetste dek liep om zijn voetbal uit de Stadhouderskade te vissen, kwam zijn vader verhaal halen. ‘Er is maar één iemand die mijn kinderen slaat, en dat ben ik.’

Hamersma: “Toen wist ik dat hij van mij hield.”

Harold HamersmaBeeld Linelle Deunk

Volgens zijn moeder, schrijft hij, raken de mensen op zeker moment gewoon op. ‘Zoals een pak melk, een bakje kattenvoer of een zak nootjes.’ “In het geval van mijn vader had zij wel een punt. De man werd 86 op één long, de ander was er op zijn 22ste uitgehaald omdat hij tbc had. Dat is toch onwaarschijnlijk. Hij is prachtig weggegleden, in zijn slaap, zonder pijn, zonder stress, zonder afscheid te moeten nemen.”

“Hij hield van grappen maken en wilde graag dat iedereen het leuk had. Op zijn uitvaart draaiden we Dag Sinterklaasje. Dat had mijn moeder bedacht, omdat hij die rol zijn hele leven op zich had genomen. Ik had meteen een idee voor mijn speech toen ze dat voorstelde. De man die ons alles gaf. Men vond het fantastisch. Hij vond zichzelf eigenlijk beter dan de echte Sinterklaas.”

Wat heeft u van hem meegekregen?

“Dat het belangrijk is om je kinderen goed op te voeden. Mensen zeggen wel eens tegen ons: jullie boffen maar met je kinderen, Bob en Julia. Dan zeg ik: je kunt het ook opvoeding noemen. Ja, toch?”

Een jaar geleden werd u getroffen door een aanval van geheugenverlies.

“Transient global amnesia, acuut geheugenverlies van tijdelijke aard. Hoe je eraan komt weten de geleerden niet, maar je hoeft je in elk geval nergens zorgen over te maken. Na een paar uur is het over en het komt ook nooit meer terug.”

Bent u geschrokken?

“Nee, want ik weet er niets meer van. Ze hebben een ambuutje voor me gebeld. Moet mij weer overkomen: rij ik een keer met 130 kilometer per uur over het kruispunt van de Ceintuurbaan, kan ik het me niet herinneren. Maar goed: je onthoudt iets vijftien tot dertig seconden en dan ben je het weer kwijt. Interessant fenomeen. Ik schijn duizend keer dezelfde grap te hebben gemaakt: een herseninfarct kan het niet zijn, want daar moet je hersenen voor hebben.”

Hoe reageerde uw familie?

“Mevrouw Hamersma, Karin, dacht: dit is niet goed, ik ga de rest van mijn leven rolstoelend met deze man naar de glasbak, terwijl hij alleen maar zit te raaskallen.”

“Mijn dochter trof me hier, ik zal maar zeggen, mild schuimbekkend aan. ‘O, mama, mama, mama,’ zei ze. ‘O, mama, mama, mama, het is papa’s hoofd en papa ís zijn hoofd.’ Mooi hè, dan weet je ook weer dat je kinderen van je houden. Mijn zoon schrok zich de vinkentering. Die zat in Zuid-Afrika en realiseerde zich de sterfelijkheid van zijn vader. De hersenen hebben op een knopje gedrukt. Niets aan de hand. Maar naast het knopje transient global amnesia zit wel het knopje ‘plots dood’.” Een ‘louterende ervaring’, vond hij het. “Er is toch een before en after.”

Je wordt je opeens bewust van…

“Je eigen einde, ja. Alle clichés zijn waar. Ik had net besloten om dat boek te schrijven. Mijn grote angst was dat ik niet meer zou weten waarover het moest gaan. Maar het rare is, als je eenmaal over je jeugd nadenkt, gaan er in je geheugen allemaal laatjes open. Ik ruik het ook. Dan denk ik: o ja, achter de Heineken lagen van die vuilnisboten.”

Zijn hele leven wilde hij al schrijver worden. Als kind was hij volledig gefocust op pennen en papier van de gebroeders Winter. Op zijn twaalfde kocht hij een tweedehands typemachine, een Underwood van 65 gulden. Een loodzwaar kreng, de opwinding was er niet minder om. Schrijven voor de schoolkrant, schrijven voor het blaadje van de voetbalclub. Schrijven op de muren van de plee op de middelbare school.

“Ik heb nog een heel pak krankzinnige verhalen liggen,” zegt hij. “Een ervan heb ik destijds naar maandblad Avenue gestuurd, de oermoeder aller glossy’s. Er zat altijd een bijlage in: Avenue Literair. En verdomd: in 1979 hebben ze een kort, autobiografisch verhaal van mij gepubliceerd: Vlieg vlieg. Het speelde zich af in de nieuwe Bijlmermeer.”

Maar meer dan ‘eeuwige roem’ en een cheque van 350 gulden zat er voorlopig niet in en er moest brood op de plank. “Mevrouw Hamersma, toen nog bekend als Karin, zei: de reclame zoekt mensen, dat lijkt me iets voor jou. Uit duizend kandidaten hebben ze er veertien gekozen.”

Ook schrijven. Hamersma werd bekend van slagzinnen als ‘Gaat er wel eens een dag voorbij zonder Verkade’, ‘Nationale Nederlanden. Wat er ook gebeurt’ of ‘Pearle, Pearle, Pearle’. Toen het in 2003 klaar was met de reclame, maakte hij van zijn hobby zijn beroep: schrijven over wijn. Een ‘kakstrakke witte’, die smaakt ‘alsof je met je tong aan een ijskoude brugleuning likt’. Of wijn met een lichte ‘jodiumfluistering’.

Harold HamersmaBeeld Linelle Deunk

Hamersma: “Je kon me opvegen als Wina Born in haar gastronomische stukken in Avenue een amuse een geestig mondvermaakje noemde.”

Vorig jaar zat hij in Zuid-Frankrijk aan de wijn toen Manon Duintjer belde: of hij een bijdrage wilde leveren aan haar verzamelbundel Wat ik van mijn moeder leerde. Dat wilde hij wel. “Terwijl ik nog een stuk over cabernet sauvignon zat te tikken bedacht ik dat ik het in elk geval ging hebben over wat ik niet van haar heb geleerd: koken.”

Het werd Een schitterend leven, over De Pijp en een moeder ‘die al een beetje uit elkaar begint te rafelen’, niet veel later ook gepubliceerd in Het Parool. “We hadden in de winkel de vernissage,” zegt Hamersma. “Staat er een man aan mijn jasje te trekken. Hij zegt: meneer Hamersma, u bent verhalenverteller, u moet een boek schrijven. Ik zeg: beste man, dat hoor ik vaker, maar waarover dan? Ik ga toch niet een boek schrijven over mijn vader en mijn moeder en de buurt waarin ik ben opgegroeid? Hij zegt: dat kunt u best doen hoor, ik heb er vorig jaar met Wees onzichtbaar nog de Libris Literatuur Prijs mee gewonnen. Bleek het Murat Isik te zijn. Ik had hem niet herkend!”

Is het boek een ode geworden aan uw vader en moeder?

“Mensen die het hebben gelezen zeggen: goh, je houdt wel erg van je ouders. Je hebt toch een monumentje voor ze neergezet. Zo voel ik dat niet. Tenminste: ik heb dat niet bewust gedaan. Toen ik bezig was merkte ik wel dat mijn vader onvoorwaardelijk van ons hield en dat ik in mijn leven geen grotere optimist heb gezien als mijn moeder. Als het slecht weer is, is het mooi weer en als het mooi weer is, is het schitterend weer.”

Raar eigenlijk.

“Na alles wat haar is overkomen, heeft ze waarschijnlijk besloten: alles wat nu nog komt is goed. Ze is in een soort beschermingsmodus gekomen. Als een glas half leeg is gooit ze het restant in een kleiner glas, zodat het weer helemaal vol is. Zo kijkt ze tegen het leven aan. Toen mijn vader doodging zei ze: ach, hij is overleden, dan gaan we nu weer verder. De man die haar op een gouden schild door het leven heeft getild. Ik zei: mam, je hebt niet gehuild! Nou, het was toch goed zo. Hij was op.”

Wat zag uw vader in uw moeder?

“Het was een prachtige vrouw. En wij Hamersma’s zijn heel trouw. Al die broers van hem ook: allemaal getrouwd met hun eerste verkering. Ik ook. Ik ben al 46 jaar samen met mijn vrouw. Mijn vader was tot het einde verliefd op mijn moeder. En zij vond het prima: iemand die om haar gaf.”

Houdt uw moeder van u?

“Ze weet helemaal niet hoe dat moet. Dat heeft ze nooit geleerd. Mijn moeder kan echt niks. Ze heeft een elektronische sleutel voor haar huis, maar die durft ze niet te gebruiken. Ze loopt tien tot vijftien kilometer per dag, omdat ze niet weet hoe ze moet in- en uitchecken in de tram. Toen ze mij als kind een keer kwijt was, haalde ze haar zus erbij. Die was altijd dichtbij. Ze had de rol van moeder overgenomen.”

“Ik zal je wat vertellen: ik kan me geen knuffel van mijn moeder herinneren, ze heeft nooit mijn neus afgeveegd, maar toen het verhaal over haar in de krant stond, zei ze: ‘Ik heb het uitgescheurd, ik heb het vijf keer gelezen en ik ben trots op je.’ Het heeft me enorm geraakt. Dat had ze nog nooit tegen me gezegd, ook niet als ik een mooi rapport had of had gescoord bij het voetballen. Dat is geen verwijt, ze wist gewoon niet hoe ze een kind moest opvoeden.”

“Het was verschrikkelijk. Haar tante Branca met al haar lievelingsnichtjes. Gaat u maar naar Auschwitz. Nooit meer teruggekomen. Dat kwam er ook nog eens bij. Mijn zus is naar haar vernoemd: Elise Bramca. Pas later kwam ik erachter dat het Branca had moeten zijn. Toen ik het aan mijn moeder vroeg, zei ze: o ja, dat is waar ook. Mooi weertje hè?”

Kwam ze als Joods meisje zelf niet in de problemen?

“Haar moeder was getrouwd met een christenman. Weliswaar een communist, maar dat wisten de Duitsers niet. Als ze langs marcheerden, hing oma Miegie Paardevliegie uit het raam: ‘nazi’s, nazi’s, nazi’s, raus, raus, raus!’ Dan hing ze met haar zus in doodsangst aan haar rokken. Maar verder? De dodenherdenking noemt ze Jodenherdenking. Tijdens de ceremonie worden er jodenkoeken gegeten en als de twee minuten stilte zijn afgelopen, zegt ze: ‘Van de Joden niets dan goeds.’”

De generatie van wegstoppen en doordrinken. Zijn eigen vader wist in de oorlog de Arbeitseinsatz in Duitsland te ontlopen door onder te duiken in de Achterhoek, de vader van zijn vrouw niet. Beide mannen vertrokken na de oorlog naar Nederlands-Indië om mee te doen aan de politionele acties. Zijn schoonvader reed er op een tank. “Die wilde hij nog weleens door de hutten rijden, dat scheelde weer granaten.”

Erover praten deed hij niet. ‘Waar geweldplegers tegenwoordig hun prestaties op een livestream zetten, liet hij het bier en de jenever stromen,’ schrijft hij in zijn boek. ‘Hij ging erheen als liefhebber en kwam terug als alcoholist.’

Speelde drank een grote rol in uw jeugd?

“De familie dronk gewoon veel. Verjaardagen en zondagen, daar hoorde bier, jenever en Coebergh bessen bij. En nog meer bier. Ze werden vrolijk dronken. De vader van Karin was wel aan de drank. Niet dat hij zijn vrouw sloeg, maar het was er thuis altijd koud en kil. Ze koesterde het feit dat we bij ons thuis met zijn allen aan tafel zaten en dat er met elkaar gesproken werd. Dat we samen lachten en huilden.”

Schrok ze niet dat haar man uiteindelijk wijnschrijver werd?

“Toen we elkaar ontmoetten, was ze als de dood voor drank. Ze durfde nog geen glaasje wijn te drinken, omdat ze had gezien wat voor leed drank kan aanrichten. Haar vader was er nooit, niet tijdens haar afzwemmen, niet tijdens ons huwelijk. Zijn zusje is door de drank overleden: in brand gevlogen in bed. Karin zegt: het alcoholistengen zit er ook bij mij in, ik moet daarvoor oppassen. Ze weet het, niets bijzonders.”

Het leed dat alcohol heet.

“Ik kan heel slecht tegen dronken mensen. Het decorumverlies. Dan loop ik weg. Ik ben twee keer in mijn leven dronken geweest: tijdens mijn bruiloft en toen ik als 17-jarige op vakantie was in het voormalige Joegoslavië en aan de zelfgestookte Slivovitsj ging. Godskolere. Ik zal je zeggen: wij drinken tegenwoordig twee dagen in de week helemaal niet en we hebben de normale portionering gehalveerd. Ik kan het iedereen aanraden.” 

Harold Hamersma

9 augustus 1956, Amsterdam

1962-1968 Frans Halsschool en Elizabeth Wolffschool, Amsterdam

1968-1974 Vwo, Ir. Lely Lyceum, Amsterdam (niet afgemaakt)

Na een carrière in de reclame (1979-2003) schreef Hamers­ma meer dan dertig wijnboeken, waaronder de prijswinnende boeken De Grote Hamersma en Wijnreis door mijn lichaam. In 2013 werd hij uitgeroepen tot meest invloedrijke Nederlander in de wijnbranche

Hij schrijft wijnrubrieken in Het Parool, NRC Handelsblad, Plus Magazine en was, samen met Ronald Giphart, op 24Kitchen te zien met een eigen televisieprogramma: De Wit, Rosé & Roodtrip

Harold Hamersma woont in Zuid met Karin en heeft twee kinderen: Bob (30) en Julia (27).

Onder de rook van de Heineken, €21,99, Ambo|Anthos. Op 14 maart is Harold Hamersma te gast in de Boekensalon, 15.00 uur, boekhandel Scheltema, toegang gratis. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden