PlusInterview

Hanneke Groenteman: ‘Op mijn leeftijd bén je gewoon redelijk overbodig’

Hanneke Groenteman.Beeld Rahi Rezvani

In de herfst van haar leven schreef oud-presentatrice Hanneke Groenteman (80) haar eerste kinderboek. Met veel plezier. En dat was ook weleens prettig, want: ‘Het zal nooit meer zo leuk worden als het was.’

Hanneke Groenteman is terug op de plek waar ze het programma maakte dat ze later zal aanduiden als het hoogtepunt van haar televisieloopbaan: De Plantage. Ze gebaart richting de huidige restaurantkeuken. “Daar moet dan ongeveer de tv-studio zijn geweest. De redactie zat ernaast. Ik voel me nog steeds op m’n gemak als ik hier binnenloop.”

De oud-presentatrice is deze ochtend naar Amsterdam gereden vanuit Callantsoog. In de Noord-Hollandse badplaats brengt ze de lente en zomer door in het huis van kennissen. Dat beviel in de eerste maanden al zo goed dat ze er afgelopen week een chalet (‘Het is eigenlijk een ­stacaravan, maar chalet klinkt beter’) ­aanschafte.

“Ik ben dol op stranddorpjes. Callantsoog is extra leuk, want het heeft geen enkele glamour,” zegt ze. “Maar wél een waanzinnig mooi strand. Toen ik er voor het eerst kwam, wist ik meteen: dít is mijn plaats. Hier wil ik de rest van mijn leven wel naartoe als de zon schijnt en ik genoeg heb van de onrust van de stad.”

In die zomerresidentie rondde Groenteman tijdens de eerste weken van de lockdown haar kinderboek The Battle af. Ze schrijft over twee tienermeisjes in een middelbareschoolklas – de Nederlandse Hanna en Yara, die in een asielzoekers­centrum woont. Naarmate er onderling meer begrip ontstaat, groeien ze naar elkaar toe en worden ze vriendinnen.

Hanna is een fictief personage, maar Yara bestaat echt. Groenteman ontmoette haar in 2018 in de opvanglocatie voor vluchtelingen in het Utrechtse Oog in Al. Daar logeerde Groenteman twee weken om zich voor te bereiden op het theaterproject WijkSafari van actrice Adelheid Roosen. Gastvrouw was Randa, een in Syrië geboren Palestijnse, die in Saoedi-Arabië woonde en daarvandaan naar Nederland was gevlucht met haar twee ­dochters.

Hoe was het om even in een azc te wonen?

“Ik zag er vreselijk tegenop. Ik dacht: jezus, wat doe je aan in een azc? Wat neem je mee? Is er wifi? Eenmaal daar was het vooral ontzettend gezellig. Die drie vrouwen woonden op één kamer, waarvan met een dun wandje twee ruimtes waren gemaakt. En, ongelooflijke luxe vergeleken met veel van hun buren: ze hadden een eigen douche.”

“Ik was meteen dol op die twee meisjes, Yara en Leen, voelde me een soort adoptieoma. Met Randa runde ik het huis­houden. Koken, schoonmaken. Ik heb ze ook meegenomen naar Amsterdam om mijn huis te laten zien. Vonden ze geweldig, de meisjes waren helemaal weg van mijn ­poezen. Ik ging mee bij alles wat ze ondernamen: Nederlandse les, gesprekken in het vluchtelingencafé. Van dat leven hebben we een voorstellinkje van 45 minuten gemaakt.”

Dacht u toen al: hier zit in een kinderboek in?

“Nee, hoor. Ik ben meer een jukebox waar je een kwartje in moet gooien als je een liedje wilt horen, want uit mezelf doe ik dus niks. Ik werd gevraagd om een jeugdboekje te schrijven bij een expositie over Marilyn Monroe in De Nieuwe Kerk. Over Monroe laat ik Yara in het boek een spreekbeurt houden.”

“Ik merkte bij Yara hoe moeilijk ze aansluiting vond in haar klas, terwijl ze juist heel erg hechtte aan vriendinnen maken. Als buitenlands meisje op een Nederlandse school is dat niet makkelijk. Toch lukt het in het boek. De grootmoeder die erin voorkomt lijkt op mij. Die heeft net als ik in de Tweede Wereldoorlog in de onderduik gezeten. Dat buitenstaander­gevoel van opgroeien in een vreemde omgeving, daar moest het om draaien. Dat is nu eenmaal ook typerend voor mij.”

“Het zou toch geweldig zijn als ik pubermeisjes aan het lezen krijg en die dan denken: goh, wij hebben in de klas ook zo’n kind met wie niemand ooit praat. We spreken haar eens aan. Waarschijnlijk een illusie, maar ik ben wel uit het hout gesneden dat alles wat je doet de wereld een heel klein beetje beter moet maken.”

Was het fijn, schrijven voor kinderen?

“Heerlijk, ja. Zeker omdat ik er ineens achterkwam dat mijn innerlijke leeftijd eigenlijk nog steeds die van een tienermeisje is. Daarom had ik ook zo met die tieners te doen tijdens de lockdown. Het leven van mijn kleindochter van 19 stond echt stil. Die moet op pad met vrienden en vriendinnen. Naar feestjes en festivals! Nee, die kinderen hadden het vele malen zwaarder dan oude vrouwen zoals ik.”

Zat u als 80-plusser uit voorzorg in ­isolatie?

“Welnee, zeg. Ik ben geen moment bang geweest. Ik heb alle regels in acht genomen, maar had geen zin om mezelf thuis op te sluiten. Een paar weken mijn zoon Gijs en zijn gezin niet zien, vond ik te lang. Dus verzonnen we een picknick of we fietsten door de lege stad. De kleinkinderen niet knuffelen? Dat was met de jongste van 9 wel lastig. Verder kon het me niet zo veel schelen. Het leven van een oud iemand bestaat toch al weinig uit knuffelen, hoor. Althans, mijn leven.”

Komt dat door de leeftijd? 

“Natuurlijk, ja. Ik ben bijna 81. Dan staat je leven uit zichzelf al redelijk in de lockdownstand.”

Uw zoon Gijs zei: “Mijn moeder bevindt zich in een van de gelukkigste fases van haar leven.”

Stralend: “Dat vind ik ook, ja.” Daarna: “Nou, het is ook weer niet helemaal waar. Maar ik voel me gewoon goed. Mijn gemoedstoestand is prima, maar ik vond de fase waarin ik nog iets noodzakelijker was in de samenleving wel leuker.”

Wat mist u dan nu?

“Nou gewoon, de dagelijkse dingen. Dat mensen zeggen: ‘Hé, Hanneke is laat. We zouden toch om elf uur vergaderen?’ Of: ‘We hebben straks uitzending. Is ze er al?’ Of het leven met Gijs toen hij jong was. Gewoon, het nog deel uitmaken van iets. Nu ben ik een leuke oude vrouw die af en toe een opleving heeft door een boekje of een interview. Je komt me vandaag in een heel actief stadium tegen, hoor. Meestal zit ik lekker in Callantsoog en spreek ik op een dag hoogstens één iemand.”

‘Ik ben meer een jukebox waar je een kwartje in moet gooien; uit mezelf doe ik niks.’Beeld Rahi Rezvani

En dan overvalt u het gevoel nutteloos te zijn?

“Dat is geen gevoel, op mijn leeftijd bén je gewoon redelijk overbodig. Ik krijg elke maand mijn geld, dankzij mijn pensioentje en mijn AOW. Dan moet ik nog iets bij­verdienen om te kunnen wonen zoals ik woon. Daarom geef ik bijvoorbeeld nog interviewles. Maar als het leven een draaikolk is, zitten mijn leeftijdsgenoten en ik gewoon aan de buitenrand. En binnenin is het nu eenmaal leuker.”

Op welke momenten vindt u dat ronddrijven in de buitenste ring dan lastig?

“Neem bijvoorbeeld De Wereld Draait Door. Daar was ik een paar jaar tafeldame. Het was zo gezellig daar! Maar het laatste jaar dat ze uitzonden, ben ik er niet meer geweest. Eerst belden ze eens in de drie weken. Op een gegeven moment dacht ik: goh, ik heb al meer dan een maand niets gehoord. Dat werden maanden. Als het dan nog langer stil blijft, besef je: ik ben helemaal uit de kaartenbak.”

“Dan begin je te denken: ik heb misschien ook te veel gepraat, ben te opdringerig geweest. Daarna: zie je wel, ik ben ook gewoon te oud. Ik val er vanaf nu buiten. Nee, je kreeg daar nooit feedback, dus je weet niet waaraan het ligt. Nou ja, ik begrijp best dat ze wat anders willen, maar het is eleganter als ze dat even melden.”

U kent Matthijs van Nieuwkerk, toch? Kunt u het hem niet vragen?

“Nee zeg. Ben je gek geworden. Dan breng ik hem in verlegenheid. En met welk antwoord zou ik dan geholpen zijn? Nee, er is geen enkele winst te behalen met zo’n telefoontje. Ik durf dat soort dingen trouwens ook helemaal niet.”

Gijs zei juist: “Ik verwachtte dat ze na haar laatste vaste televisieprogramma in een peilloze diepte zou wegzakken, maar het tegenovergestelde is waar.”

“Dat zegt hij tegen mij ook altijd, ja. Het verbaast hem. Maar ik ben een overlever, hè. Ik laat mijn leven niet bederven door in peilloze dieptes te gaan verkeren. Ik ben heel blij dat ik die bocht genomen heb en niet in een zwart gat ben gevallen. Op één of andere manier ben ik gelukkig gaande gebleven. Maar toch, het is niet meer zoals vroeger van ‘Goedenavond dames en heren, welkom bij Sterren op het doek’.”

Vond u het jammer dat u in 2015 met dat programma moest stoppen?

“Ja, dat vond ik, maar ik kon ook wel begrijpen dat Jan Slagter (directeur van Omroep Max, red.) zei: ‘Het is na tien ­seizoenen een beetje op.’ Ook ik dacht af en toe: draai ik weer hetzelfde riedeltje af bij die schilderijen. Ik was anderhalf jaar later alleen wel in de kuif gepikt toen ­diezelfde Slagter enthousiast op de radio riep: ‘We gaan Sterren op het doek weer doen!’ Dat had ik van tevoren wel willen weten. Het programma hoorde zó bij mij. Dan laat je me dat toch even weten?”

Özcan Akyol presenteert het nu. Had u ja gezegd als u was teruggevraagd?

“Nee. Nooit meer. Als je weg bent, moet je wegblijven. Ik ben inmiddels ook te oud voor Omroep Max. En ik heb een geweldige afscheidsuitzending gehad waarin Matthijs van Nieuwkerk mij verraste.”

U moest veel huilen in die uitzending.

“Ja, één keer om het kunstwerk waarin stukjes hout van mijn onderduikadres uit de oorlog waren verwerkt. Dat was recht in de open zenuw. En ook om de schrik van die verrassing. En omdat het een afscheid was. Ik ben slecht in afscheid nemen. Op feestjes ook. Het liefst zorg ik dat er ineens niet meer ben.”

Tegen uw goede vriend Paul de Leeuw zei u: “Ik ben 80. Ik heb het wel gehad.”

“Ik hoef niet morgen dood, hoor. Je moet wel nuchter zijn: als ik geluk heb, blijft het leven nog even net zo leuk als het nu is. Leuker wordt het in elk geval niet meer. Het is toch al ietsje minder dan het was. Het leukste heb ik gehad: werk, kind, kleinkinderen, liefdes.”

U zou toch nog wel een nieuwe liefde kunnen krijgen?

“Mwah. Iemand van mijn leeftijd bedoel je? Ik vind 50 eigenlijk al te oud. Laat staan 80. De liefde is al nooit mijn sterkste kant geweest. Ik heb nooit de echte juiste keuze gemaakt op dat gebied. Anders had ik hier niet in m’n eentje ­gezeten. De man met wie ik ooit trouwde, en van wie ik daarna scheidde, is nog wel een van mijn beste vrienden, maar niet meer mijn grote liefde. Kortom: nee, het is niet mijn verlangen.”

Net zei u nog dat u het leuker vond toen de liefde er wel was.

“Maar ik vind het zo onrealistisch nu! Moet ik dan op mijn leeftijd op Tinder een oude man gaan zoeken?”

Daar kun je ook instellen dat hij maximaal 50 of 60 mag zijn.

“En dan krijgt hij een vrouw van 80-plus? Ik weet niet of jij een beetje weet wat mannen doorgaans aantrekkelijk vinden? Nou, zeg het maar niet. Ik vind dit geen leuk onderwerp om over praten. Zou er zelf ook nooit over beginnen.”

Ik begon erover omdat u het noemde in het rijtje van dingen die jammer genoeg voorbij zijn.

“Het staat niet meer op mijn bucketlijst. Daar staat sowieso niets meer op. Behalve de tijd heel goed doorkomen. Als ik zo’n nieuwe relatie even visualiseer, dan zie ik… niets! Ja, ik was een paar jaar terug nog verliefd. Op een man van rond de 50. Nee, natuurlijk heb ik dat niet kenbaar gemaakt. Daar zit zo’n man niet op te wachten. En dan nog! Dan zou ik weer helemaal moeten wennen aan zo iemand. Twee van die levens met al hun bagage naast elkaar leggen. Nee, hoor.”

Dan: “Wat is interviewen toch leuk hè? Dat je een wildvreemde dit soort indiscreties kunt ontlokken. Ik had mijn ouders dit soort dingen moeten vragen. Hoe keken zij terug op hun leven? Moet jij eigenlijk meenemen als hele goede raad, dit. Het enige gesprek op tape dat we met mijn moeder hebben, heeft Gijs gemaakt. Toen ie 9 was. Vroeg hij naar de oorlog. Zei mijn moeder alleen maar: ‘Die rotoorlog heeft een stempel op ons allemaal gedrukt.’ Dat is een gevleugelde uitspraak in onze familie geworden.”

‘Moet ik dan op mijn leeftijd op Tinder een oude man gaan zoeken?’Beeld Rahi Rezvani

Wat waren de mooiste jaren van uw leven?

“Nou, dat waren natuurlijk de eerste jaren van mijn moederschap. Het opgroeien van Gijs, gecombineerd met mijn werk voor de radio. Ik was toen ook heel verliefd op iemand. Een hele vitale tijd was het, die jaren dat ik van eind 30 richting 50 ging. Alles wat ik in de jaren ervoor had uitgezet, kreeg opeens vorm. Later kwam de televisie er nog bij ook trouwens. Was ook leuk.”

Kunt u mij als routinier dan ook vertellen of dit bestaan zo alles bij elkaar nog enig nut heeft?

“Het nut? Dat is het goed doorkomen van de tijd. Dat je jezelf bezighoudt met dingen die bij je passen. Van die mensen die roepen dat ze hun leven opofferen voor de goede zaak, geloof ik niks. Ook zij doen uiteindelijk het werk wat hun de meeste bevrediging geeft.”

“Een enkeling laat nog iets na. Dat gaat mij niet gebeuren. Nee, nee, nee, je hoeft me niet tegen te spreken. Na mijn dood zal er niets meer zijn. Ja, de snoeptrommel met Máxima op het deksel, die bij mij in de kast staat. Daar zullen de kleinkinderen om vechten: ‘Wie krijgt de Máxima?’”

U heeft toch wel iets bereikt waarop u op uw oude dag met trots terugkijkt?

“Nee. Nou ja, ik heb toch maar mooi bereikt dat ik het enorm naar mijn zin heb gehad. Ik kijk wel terug op een paar hele leuke werkjes. Hoor haar bijvoorbeeld. En Ophef en vertier, dat ik met Berend Boudewijn maakte. En de televisievoortzetting daarvan: De ­Plantage. Die drie waren het fijnst.”

Lag dat aan uw eigen plezier of wat u ermee bereikte?

“Dat liep parallel. Ik vond het ontzettend leuk om waar ik enthousiast over was met anderen te delen. Neem De Plantage. Dan had ik een voorstelling gezien en dacht ik: jezus wat is die goed, dat móét iedereen weten. En dan haalden we gewoon zondag de makers in de uitzending. Dat programma was zo fijn: het was niet deftiger dan ik ben, maar ook niet dommer. Alles was daar zoals ik het wou. Tot de mensen op de redactie en het eten na afloop aan toe. Het hóórde bij mij.”

U vertelde dat u ‘de bocht heeft genomen’ naar een rustiger bestaan. Hoe hebt u dat eigenlijk gedaan?

“Tja, ik had daar geen strategie voor. Gewoon bedenken: wat kan ik nu eens gaan doen? Bijvoorbeeld die interview­lessen uitbouwen. En ik ben voor War Child samen met Hedy d’Ancona naar Oeganda geweest voor reportages. Verder gaat het leven zoals het gaat. Of had Gijs daar nog een mening over?”

Die zei dat het behalve aan uw karakter ook aan uw nieuwe pillen zou kunnen liggen.

“Ja. Ik ben in die overgangsperiode naar een hele goede psychologe geweest. Bij haar ben ik vijf keer geweest om even alle wrevels, gevoelens van onmacht en neerslachtigheid te bespreken. Ze zei: ‘Je zit tegen een depressie aan’ en liet me een kleine dosis antidepressiva voorschrijven. ‘Je mag er nooit meer mee ophouden,’ zei ze erbij. Inderdaad, Gijs heeft gelijk, dat heeft een totale goedgemutstheid gebracht. Weg is die ongegronde soort ongelukkigheid. Ik ben er zelf verbaasd over, maar ik ben niet meer uit mijn evenwicht te brengen.”

Uw zoon zei ook: “Mijn moeder is ­ongekend fit. Die overleeft mij straks nog.”

“Nou, laten we dat niet hopen. Ik ga proberen die beroemde pil van Drion in huis te krijgen. Ik ben al lid van de Coöperatie Laatste Wil. Waarom? Omdat ik mijn eigen lot in handen wil hebben. De gedachte dat ik zelf kan beslissen, geeft rust. Als ik de kwaliteit van mijn leven niet meer aanvaardbaar vind – en het mag best nog een beetje minder dan het nu is – dan stop ik ermee. Ik leef al aan de rand van de samenleving. Dan hoef ik er niet nóg ­verder van weg.”

U werd tijdens een uitvoering van het toneelstuk van de WijkSafari onwel. Uw zoon zei dat u dat wel een goede dood had gevonden.

“Ja, zeg. Fantastisch als ik daar zo aan mijn einde was gekomen! Was ook geweldig voor de bekendheid van die WijkSafari geweest. Zeg, je kijkt me met grote verbaasde ogen aan. Wat wil je daarmee ­zeggen?”

Dat u zo luchtig over uw einde praat.

Plots ernstig: “Nou ja, dat is gewoon realistisch. Op mijn leeftijd en met mijn vriendenkring moet je wel. De een na de ander krijgt een terminale ziekte of valt weg. Martine Bijl bijvoorbeeld, een goede vriendin, kreeg hersenbloedingen. Een ander heeft ernstig kanker en ik ken inmiddels ook iemand met beginnende alzheimer. Die is voortdurend in paniek. Ik word maandag 81. Dan zou het toch dwaas zijn niet na te denken over welk lot mij wordt toebedeeld? Wat moet je dan?”

U zou er ook bang van kunnen worden.

“Ik ben alleen maar bang voor lijden. Dat dood zijn is niet meer dan jammer. Je bent er een tijdje om jezelf bezig te ­houden en op een gegeven moment houdt dat op. Jammer. Meer niet. Voor het overige neem ik dus voorzorgsmaat­regelen.”

Bent u een gelukkig mens?

“Tevreden. Zo ben ik nog altijd heel tevreden over die ingreep, al heb ik gemerkt dat het probleem meer in jezelf zit dan in je dikte. Voor geluk moet er iets extra’s zijn. Er zijn absoluut nog steeds geluksmomenten. Die vinden vooral plaats als we met alle kleinkinderen en mijn zoon en zijn vrouw bij elkaar zijn en met z’n allen de polonaise dansen. Dat doen we gelukkig best vaak. Ik geniet er ook van met Gijs en zijn zoon Benjamin naar Ajax te gaan. Of sinterklaas te vieren met de hele familie.”

Dat klinkt allemaal hartstikke leuk. Waarom zou het dan oké zijn als het morgen afgelopen is?

“Nou, als ik morgen slecht nieuws krijg, moet ik naar een andere modus. Die van afronden. Dan weet ik niet zeker hoe ik zal reageren. Ik weet heus wel dat je niet fluitend zult gaan, er zal best pijn bij komen kijken, maar een bevalling doet ook pijn. Echt, als ik aan het einde van deze zin voorover zak in mijn jus d’orange, zou ik dat prima vinden. Ja, ­jammer voor jou. Dan heb je een onaf gesprek.”

Maar wel het laatste interview dat de bekende presentatrice ooit gaf.

“Zie je wel. Dan scoor jij ook nog. ­Iedereen blij.”

The Battle verschijnt bij Uitgeverij Kluitman.

­Hanneke Groenteman

20 juli 1939, Amsterdam

1945–1952

De Dongeschool in Amsterdam

1952–1958

Spinoza Lyceum Amsterdam

1958–1961

Frans aan de Universiteit van ­Amsterdam (niet afgemaakt)

1962–1973

Verslaggever Het Parool

1973–1976

Onderwijzeres schoolproject Co van Calcar

1975–1989

Vara Radio, o.a Hoor haar en Ophef en vertier

1990–1994

Redactie De schreeuw van De Leeuw

1994–2001

Presentatrice televisieprogramma De Plantage (VPRO)

2007–2015

Sterren op het doek (Omroep Max)

Hanneke Groenteman is alleenstaand en woont in het centrum van Amsterdam en in Callantsoog.

Beeld Klaas Fopma
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden