PlusReportage

Haar babykleertjes uit Indonesië zijn te zien in het Rijksmuseum: ‘Ik herinner me de geur van geweld: zweet en urine’

null Beeld Dingena Mol
Beeld Dingena Mol

Vrijdag opent in het Rijksmuseum Revolusi! Op de tentoonstelling over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd zijn de babykleertjes te zien van Merapi Obermayer (74). Bij gebrek aan textiel maakte haar moeder ze van losgeweekt boeklinnen.

Peter van Brummelen

Het is de ochtend waarop de babykleertjes van haar woning in De Pijp naar het Rijksmuseum worden gebracht. Voor de mannen van het kunsttransport er zijn, haalt kunstenares Merapi Obermayer de fragiel ogende kleertjes nog een keer uit het kistje waarin ze ze bewaart.

Twee hesjes en twee luiers zijn het. De belangrijkste kleuren: roze, geel en oker. “Het zijn de kleuren waar mijn moeder het meest van hield,” zegt Obermayer. Julia Nelissen heette die in 1994 overleden moeder, die nu een van de twintig personen is die centraal staan in de tentoonstelling Revolusi!

Merapi Obermayer werd in 1947 geboren in een leprakolonie in Plantungan, de hoofdstad van Midden-Java. Twee jaar ervoor had Soekarno de Indonesische onafhankelijkheid uitgeroepen, die pas in 1949 na de zogeheten politionele acties door Nederland zou worden erkend.

De bersiap, de gewelddadige periode waarin jonge Indonesiërs zich keerden tegen alles dat niet Indonesisch was, ging ook aan Plantungan niet voorbij. “Mijn ouders konden moeilijk praten over wat ze hebben gezien en meegemaakt, maar wat ik ervan heb gehoord was gruwelijk, gruwelijk, gruwelijk. Zo erg dat ik het nu ook maar voor me houd.”

Boektitels en schrijversnamen

Vlak bij de leprakolonie was een rivier waar Obermayers moeder vele lijken voorbij zag drijven, slachtoffers van revolutionair geweld. “Nederlanders en Indo’s, maar ook Indonesiërs. Er was een put in de buurt waar lijken in werden gegooid. Voor ze werden begraven voorzag mijn moeder ze van lijkwades. Toen ik werd geboren, was er geen textiel meer over.”

In de leprakolonie beheerde Merapi Obermayers vader de bibliotheek. Heel vindingrijk weekten haar ouders de linnen omslagen van boeken los, waar moeder babykleertjes van maakte. Obermayer toont hoe op de kledingstukken nog boektitels en schrijversnamen zijn te lezen.

Een van de hesjes werd gemaakt van het boek Tarzan de leeuwman. In een naad is een deel van de schrijversnaam Burroughs (voluit Edgar Rice Burroughs) te lezen. Op een luier staat de titel Alleen voor zondaars. Merapi vermoedt dat haar ouders dat boek niet geheel toevallig uit de kast trokken.

De mannen van het kunsttransportbedrijf zijn gearriveerd. Ze zijn gewend grote en kostbare schilderijen of beelden te vervoeren, maar gaan ook met de bijna driekwart eeuw oude babykleertjes uiterst behoedzaam om. Met handschoenen aan verpakken ze ze in zuurvrij papier. Nadat de nodige paperassen zijn ondertekend, vertrekt het transport naar het nabijgelegen Rijksmuseum.

Woning vol kunst

Tijd om het bovenhuis van Merapi Obermayer eens goed te bekijken. Zelf noemt ze het een ‘museum aan huis’. Een grote woning is het niet, maar de kamers zijn opvallend hoog en de wanden hangen van boven tot onder vol kunst, van haarzelf, maar ook van anderen.

Bij de eigen kunst van Obermayer, die behalve beeldend kunstenares ook schrijfster en dichteres is, vallen werken op die ze maakte van afgeknipte nagels. Ook interessant: op straat gevonden handschoenen (altijd maar één exemplaar) die ze voorzag van een fraaie behuizing. Tussen de vele schilderijen hangt ook een portret dat haar vader maakte van haar moeder.

Die moeder, Julia Nelissen, staat ook op de cover van Insulinde’s dochter, een in 2001 verschenen autobiografische roman van Merapi Obermayer. Haar moeders afkomst omschrijft Obermayer als ‘Indonesisch en nog iets’. “Mijn grootmoeder was een meisje uit de kampong. Wie mijn grootvader was, weet ik niet. Het verhaal ging dat het een aan het Knil gelieerde Amerikaan was. Mijn moeder was te vondeling gelegd. De naam Nelissen dankte ze aan degene die haar vond.”

Merapi Obermayers vader (die in 1999 overleed) heette Paul Wolfgang Obermayer. “Zijn vader, die Duits-Joods was, had ook een kind bij een vrouw in de kampong verwekt. De familie wilde daar niets van weten, maar mijn grootvader heeft het kind wel erkend, zodat het werd opgevoed door fraters. Later kwam mijn vader als lepralijder terecht in de kolonie in Plantungan.”

Julia Nelisssen en Paul Obermayer leerden elkaar vlak na de Tweede Wereldoorlog kennen. “Mijn moeder had net buiten de leprakolonie een koffietuin, ze was heel goed met planten. Hij was 23, zij al 36, maar ze werden verliefd en trouwden.”

De oorlog was zwaar geweest in de leprakolonie. “Het was in die tijd een jappenkamp. Medicijnen waren er nauwelijks meer. En omdat de Japanners bang waren voor lepra lieten ze de Indonesische leprapatiënten in het kamp de Nederlandse bewaken. Eigenlijk begon daar de onafhankelijkheidsoorlog al.”

Stenen door de ruiten

Merapi Obermayers ouders hoopten in het onafhankelijke Indonesië te kunnen blijven wonen, maar waren in 1952 gedwongen het land te verlaten. “Ze kregen niet het Indonesisch staatsburgerschap omdat ze geen volbloed Indonesiërs waren, maar mogelijk speelde ook mijn vaders lepra een rol.”

Hoe viel haar ouders het afscheid? “Zwaar, zeker mijn moeder had het er moeilijk mee. Zij voelde zich erg verbonden met Indonesië. Ik vermoed dat het voor haar voelde of ze voor de tweede keer haar moeder verloor.”

Was in Indonesië hun deels westerse achtergrond een probleem, in Nederland was het precies andersom: daar werden de leden van de familie Obermayer juist aangekeken op hun bruine huidskleur. “Ons eerste adres was in Rotterdam, waar de stenen door de ruiten vlogen.”

Zoals dat bij veel Indische Nederlanders het geval was, leverde de gedwongen migratie de Obermayers een enorme schuld op. “De overtocht, huisvesting, meubels, overal moesten mijn ouders de hoofdprijs voor betalen. We zijn echt belazerd door de Nederlandse staat. Ze waren ook al hun bezittingen kwijt, tot aan hun trouwringen toe. In de enige koffer die ze wisten te behouden zaten die babykleertjes.”

Uiteindelijk belandden ze in Nederland in een leprakolonie in Heerde, op de Veluwe. Merapi Obermayer krijgt vaak ongelovige reacties als ze erover vertelt, maar tot 1972 was in Heerde een opvangplaats voor leprapatiënten uit vooral de voormalige koloniën. Ze pakt er een boek over de Nederlandse leprakolonie bij. “Kijk, zo’n huisje hadden mijn ouders. Als kind heb je het niet door, maar het was echt heel klein.”

De schoolvakanties bracht Merapi Obermayer bij haar ouders door, de rest van het jaar verbleef ze van haar zesde tot haar twintigste in een katholiek internaat. Ze had het er vreselijk. “Zei je een verkeerd woord dan werd je met je hoofd onder water in de wasbak geduwd, net zo lang tot je bijna verdronk.”

Vanuit haar bovenwoning in de Ferdinand Bolstraat kijkt Obermayer uit op een blinde gevel van de voormalige Heinekenbrouwerij. Saai, vinden de meeste mensen, zij wordt er rustig van. “In het internaat sloot ik mij ook van alles en iedereen af door met mijn gezicht naar de muur gekeerd te zitten.”

Niet in de schoolboeken

Van de tentoonstelling Revolusi! heeft ze hoge verwachtingen, ‘omdat die het complete verhaal van de onafhankelijkheidsstrijd vertelt’. Voorafgaand aan de tentoonstelling was er gesteggel over de term ‘bersiap’ (letterlijk ‘sta paraat’, de strijdkreet van jonge revolutionairen). Een Indonesische curator noemde het een racistische term en pleitte voor afschaffing. Indische Nederlanders beschouwden het als een ontkenning van hun lijden.

Obermayer noemt het een ‘non-discussie’. “Trouwens, het ontkennen van de bersiap is hier in Nederland begonnen. Het gewone publiek weet tot op de dag van vandaag niet of nauwelijks wat er in die periode gebeurde. Wij kwamen niet voor in de schoolboeken.”

Twee maal bezocht Merpari Obermayer Indonesië. “De eerste keer was in de vroege jaren tachtig. De leprakolonie was militair terrein geworden. Toen ik er toch wilde kijken, heb ik twee dagen vastgezeten. Later, in de jaren negentig, ben ik er nog eens geweest en mocht ik wel het terrein op. Ik heb ontdekt dat er na de coup van 1965 een concentratiekamp voor vrouwen was.”

Ze was vijf jaar oud toen ze met haar ouders naar Nederland kwam. Heeft ze herinneringen aan haar eerste levensjaren? “Het overheersende gevoel is angst. Zeker toen ik in 1984 die babykleertjes van mijn moeder kreeg, kwamen er flarden terug. Ik zag mezelf opeens weer op de arm van mijn moeder zitten, terwijl we bedreigd werden door vrijheidsstrijders. Ze wilden dat ik lachte, terwijl ik dat als kind moeilijk deed. Wat ik me ook herinner is de geur van geweld. Geweld ruikt naar zweet en urine.”

Merapi Obermayer maakt ondanks haar bewogen levensverhaal een opgewekte en levenslustige indruk. “Ik zeg altijd: pijn wordt pas lijden als je aan die pijn geen plaats weet te geven. Ik heb het via mijn kunst gedaan. Maar mijn kunst is meer dan alleen verwerking. Je moet ook over je eigen verhaal heen durven springen, beseffen dat jouw verhaal onderdeel is van een veel groter geheel. Of je dat lukt is een tweede, maar door het te proberen vind je je plaats in het leven.”

Revolusi!, Rijksmuseum, 11/2 t/m 5/6.

De babykleertjes onderweg naar het Rijksmuseum, waar ze te zien zijn in de tentoonstelling ‘Revolusi!’. Beeld Dingena Mol
De babykleertjes onderweg naar het Rijksmuseum, waar ze te zien zijn in de tentoonstelling ‘Revolusi!’.Beeld Dingena Mol

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden