PlusInterview

Ghislaine Pierie (Rozengeur & Wodka Lime) is terug als actrice én kok: ‘Ik zit weer in het juiste kaartenbakje’

null Beeld Jurre Rompa
Beeld Jurre Rompa

Na het succes van de serie Rozengeur & Wodka Lime leek Ghislaine Pierie (51) van de radar verdwenen. Haar carrière viel stil. Ze hervond zichzelf – als kok. En is inmiddels sous-chef bij De Plantage. ‘Acteren is mijn eerste liefde, maar dit komt heel erg dichtbij.’

Anniek van den Brand

­­Een interview? Met haar? Echt? Hoezo? Waarover dan in godsnaam? Ze klinkt oprecht verwonderd. Oké, een gesprek. Maar waar dan? Nee, niet bij haar thuis. Liever in De Plantage, haar werkplek, anderhalf uur voordat haar dienst in de keuken begint.

Een mooie, wat jongensachtige verschijning is Ghislaine Pierie (51). Geen make-up, hier en daar een zilveren draad in het korte zwarte haar (‘mijn vader is Indisch’). In levenden lijve net zo vriendelijk als aan de telefoon. In eerste instantie verlegen bijna, na een tijdje wat stoerder.

Er zijn nauwelijks interviews met u te vinden. En u lijkt er ook niet erg happig op.

“Ik heb in de loop van de jaren geleerd vaker ja te zeggen tegen dingen die me eng lijken, en niet meteen mijn hakken in het zand te zetten. Of hoe zeg je dat? Interviews vind ik lastig. Ik heb al snel het idee dat ik niet altijd even goed uitdruk wat ik bedoel. En voor je het weet staat het op papier. Dus probeer ik elk woord te wegen voordat ik het zeg. Dat is een hele toer. Het maakt me onzeker, zo’n gesprek, het voelt een beetje naakt.”

Voor een camera staan en acteren lijkt mij veel enger.

“Mezelf zijn, uitdrukking proberen te geven aan wat ik voel, niet te veel op mijn woorden letten en tegelijkertijd toch goed nadenken over wat ik zeg, dat is echt heel veel enger dan me in een rol verdiepen. Ik vind juist vrijheid in een ander spelen. Dan kan ik mezelf laten gaan. Dat heb ik van jongs af zo beleefd. Op een familiefeestje zul je mij niet de lolbroek zien uithangen, maar als kind al was ik van de ­verkleedpartijen en de toneelstukken.”

Belandde u daarom op de toneelschool in Amsterdam?

“Ik ben opgegroeid in Zutphen. Tijdens mijn eindexamenjaar zat ik een keer met mijn moeder in een cafeetje. Ze zei: ‘Lieverd, Zutphen is heel leuk om groot te worden, maar daarna moet je maken dat je wegkomt.’ Ik had die aansporing niet nodig, ik wilde niets liever dan mijn vleugels uitslaan.”

“Ik zat eerst een jaar op de toneelschool in Maastricht. Daar waren heel veel eerstejaars en daarvan zou één klas over blijven. Die druk vond ik te groot. Of ik was te jong en zat nog niet goed genoeg in mijn vel. Of een combinatie van dat alles. Hoe dan ook: na een half jaar ben ik gestopt. Weer anderhalf jaar later dacht ik: en tóch wil ik naar de toneelschool. Toen belandde ik in Amsterdam.”

“Op de Keizersgracht stond een klein gebouw dat bijna uit elkaar viel van ellende, maar ik vond het er ontzettend gezellig. Het had wat je noemt charme. De toneelschool, de kleinkunstacademie en de regieopleiding zaten daar bij elkaar, heel overzichtelijk. Het eerste jaar kwam ik door, het tweede moest ik overdoen. Na het eerste jaar kon je niet meer van school worden gestuurd. De docenten zagen het niet zo zitten met mij en gaven me de keuze: blijven hangen of vertrekken.”

Was dat niet fnuikend voor uw zelfvertrouwen?

“Dat stelde al niet zo veel voor, hoor. Hoewel… Wonderlijk genoeg zag ik het op de een of andere manier wel zitten met mezelf. Ik bleef.”

null Beeld Jurre Rompa
Beeld Jurre Rompa

Er is afgelopen tijd nogal wat te doen geweest om de manier van lesgeven op kunstopleidingen.

“Het is meer dan dertig jaar geleden dat ik daar zat, hè. Bedoel je van die me-too-achtige toestanden?”

Onder meer...

“Er zijn ongetwijfeld dingen gebeurd, maar ik heb daar nooit iets van gemerkt. Wat ik me nog wel herinner, is dat niet iedereen die goed is in zijn vak ook een goede docent is. Het vergt skills om jonge mensen opbouwend op te leiden. Van heel jonge mensen bij de enkels afbranden, wordt niemand beter.”

Is dat met u gebeurd?

“Laat ik zeggen dat mijn zelfvertrouwen pas na de toneelschool heeft kunnen groeien. Ik gedijde heel slecht bij docenten die het zich dachten te kunnen veroorloven studenten keihard te bekritiseren. Dat eeuwige ‘Kun jij het eigenlijk wel?’, ‘Ben jij wel goed genoeg?’ Ik ontspande pas bij gastdocenten. Zij gingen ervan uit dat we konden spelen en dat zeiden ze ook. Zij reikten ons technieken aan, manieren om een rol aan te pakken. En ze oefenden met ons om die onder de knie te krijgen. Dat vertrouwen is voor mij een basisvoorwaarde. Zonder die veiligheid kan ik niet werken.”

Na uw opleiding deed u vrij veel ­televisie. Coverstory, Westenwind...

“Met een groep klasgenoten, we noemden onszelf Troupe, heb ik na de opleiding een paar voorstellingen gemaakt. Dat hoort zo als je van de toneelschool komt. Heel leuk, maar we hadden geen geld, niemand met verstand van financiën en we verdienden ook bijna niets. Dan wordt het al gauw erg houtje-touwtje.”

“Daarna kwamen de televisieseries. De meeste mensen kennen me van Rozengeur & Wodka Lime, over vier vriendinnen en hun relaties. Die serie begon in 2001; dat weet ik nog zo precies omdat we op 9/11 aan het draaien waren. We hadden het zo druk dat we pas ’s avonds op het nieuws zagen wat er in New York voor vreselijks was gebeurd. Rozengeur draaide zes seizoenen. Ik speelde Babette van Woensel, een vrouw die van vrouwen houdt.”

U was beroemd in die tijd, zeker bij het lesbische deel der natie.

“Weet je dat ik dat nooit zo in de gaten heb gehad? Ik vond het vooral leuk dat we met z’n allen iets nieuws maakten, dat we aan iets bouwden, samen uitvonden hoe het moest, dat ik niet hoefde aan te haken bij een serie die al bestond. Op een set staan vind ik geweldig – camera’s, licht, geluid. Bovendien is het ontzettend leuk om een hoofdrol te spelen. Een kleine rol is veel lastiger; dan moet je in heel weinig tijd laten zien wie iemand is. Maar Babette kon ik op mijn gemak neerzetten.”

De afgelopen jaren hebben we u amper gezien.

“Na Rozengeur hield het op, ik werd nergens meer voor gevraagd. Ik had altijd best veel werk en ineens viel dat allemaal weg. Het werd doodstil. Ik heb nooit begrepen waarom. Misschien dat ik door mijn leeftijd ineens in een ander bakje belandde. Het bakje te-oud-dus-maar-niet-meer-bellen. Volgens mijn man had ik zelf best wat kunnen ondernemen om in the picture te blijven maar dat is niks voor mij.”

Hoe was het om ineens in dat bakje te belanden?

“Acteren is mijn eerste liefde; een liefde die al heel vroeg in mijn leven begon. Dus toen er van de een op de andere dag geen rollen meer kwamen, begon ik enorm aan mezelf te twijfelen. Het bezorgde me een vreemd verlangen naar de tijd die achter me lag in plaats van naar de toekomst. Ik was ineens ontevreden over mijn leven. Het leek me onmogelijk opnieuw iets te vinden waaruit ik zoveel voldoening en plezier zou kunnen halen. Ik had het gevoel dat ik diep had gefaald. Mijn loopbaan als actrice was voortijdig gestrand. Kinderen krijgen was ook al niet gelukt. Ik was, kortom, één grote mislukking.”

U had graag kinderen gewild?

“Ja, maar toen ik op mijn 38ste mijn lief vond, was ik eigenlijk al te oud om moeder te worden. Ik heb ivf-pogingen ondernomen, maar op een gegeven moment ben je door het aantal behandelingen heen dat de verzekering vergoedt. Hoe lang ga je met zoiets door, wanneer stop je? We hadden een lening kunnen nemen om nog meer pogingen te betalen, maar mijn man wilde niet eindeloos doorgaan. Hij zei: we kunnen ons er ook bij proberen neer te leggen dat niet alles in het leven maakbaar is.”

Het ligt alweer een tijd achter u.

“De scherpe kantjes zijn eraf, natuurlijk, maar dat verdriet is nooit helemaal klaar; dat draag ik voor de rest van mijn leven met me mee. Van tijd tot tijd ben ik nog jaloers op mensen met kinderen.”

Waar bent u dan jaloers op?

“Dat het voor ouders zo volkomen ­helder is waarvoor ze het allemaal doen, namelijk een beetje in de buurt van die kinderen blijven en zorgen dat het ze goed gaat. Als je geen kinderen hebt, moet je zelf zorgen voor een doel in je leven. Dat valt mij soms best zwaar. En straks worden al die ouders natuurlijk opa en oma – krijgen we dát weer! Het is natuurlijk heel bijzonder als je kind een kind krijgt. Dat maak ik ook weer niet mee. Ik weet dat het leven niet altijd brengt wat je wilt, maar ik kan daar nu al tegenop zien.”

U kunt het van een afstandje bekijken. Hoe brengen ouders het er tegenwoordig van af, vindt u?

“Ik ben geen ouder, dus ik heb er geen snars verstand van. En vroeger was ook heus niet alles beter, maar naar mijn smaak mag het allemaal wel iets relaxter. Ik vind dat veel ouders echt boven op hun kinderen zitten. Laat ik het zo zeggen: ik ben blij dat mijn moeder niet altijd heeft geweten waar ik uithing en met wie.”

Heftige puberteit?

“Zo eentje waarbij je je diep-, diep­ongelukkig kunt voelen en schreeuwt tegen iedereen die een beetje aardig tegen je probeert te doen.”

Hormonen…

“Ontzettend oneerlijk vind ik het, dat vrouwen steeds moeten dealen met al die hormoonellende: menstruaties, zwangerschappen of niet, en als niet dan dus van die behandelingen. En dan heb je alles een beetje op de rit, kom je in de overgang.”

null Beeld Jurre Rompa
Beeld Jurre Rompa

Heeft u er last van?

“Ja joh! Ik word er grumpy van, snel geïrriteerd, gauw boos, hartstikke onzeker. Ik ben echt weer met mezelf in gevecht, en met de wereld. Ik herleef iets uit mijn puberteit. Het verschil met vroeger is dat ik toen begon te schreeuwen en nu speel dat het best oké met me gaat.”

“Ik kan de dingen nu natuurlijk ook ­eerder en beter duiden, daarom kan ik normaal functioneren. Maar leuk is anders. Sinds een paar weken heb ik ook opvliegers. Nu ook weer, zie je het?”

Nee.

“Ik kijk het nog even aan, maar als het niet beter wordt, ga ik medicijnen halen.”

U bent er open over.

“Ik vind het heel tof dat mijn collega’s Isa Hoes en Medina Schuurman de overgang als onderwerp op de kaart hebben gezet. Je kunt wel doen van niet, maar het is echt een groot ding.”

Afgelopen winter speelde u in Doodstil, een spin-off van Penoza.

“Ik speelde de bad guy, heel leuk om te doen. Uit het niets word ik tegenwoordig weer af en toe gevraagd voor een auditie. Om de een of andere reden ben ik weer in het juiste kaartenbakje beland. Ik heb er niets voor gedaan, ik begrijp ook niet hoe het komt.”

Kan dat naast de nieuwe loopbaan? U bent inmiddels sous-chef.

“Ik werk vier dagen in de week, dus ik heb er nog drie over. Het is geen probleem als ik af en toe een draaidag hier of daar heb. Bovendien spreek ik altijd af dat ik lang van tevoren moet weten wanneer ik moet acteren.”

Wanneer begon de liefde voor de keuken?

“Om het grote cliché maar meteen van stal te halen: mijn vader is Indisch, dus op elk feest bij ons thuis werd lekker gegeten. Er werd geen woord gewijd aan het feit dat er dan voor vijftig mensen moest worden gekookt. Overal schalen, pannen, borden... Om lekker te kunnen eten, moet je lekker kunnen koken. Ik hielp graag mee. Toen ik studeerde, kwam ik erachter dat ik het leuk vond te koken voor mensen die op bezoek kwamen. Het ging me gemakkelijk af.”

“Al sinds mijn studententijd werk ik in cafés en keukens. Ik begon als serveerster bij De IJsbreker. Daar was ik al snel klaar mee, al die zeurende klanten, niets voor mij. Ik dacht: ik moet de bediening uit en de keuken in. Ik kwam terecht bij een broodjeszaak, toen volgde een cateraar, daarna een traiteur.”

“Na Westenwind kwam ik bij Café Restaurant Amsterdam; ik heb ook bij Van Puffelen gestaan. Als acteur ben je zelden fulltime aan de slag. Ook in de tijd van Rozengeur & Wodka Lime werkte ik maar drie of vier maanden per jaar. En toen volgde De Plantage.”

Sous-chef, dan ben je niet zomaar het keukenhulpje.

“Ik was heel erg vereerd toen Koen van Brunschot, de chef, me vroeg.”

U heeft zes jaar geleden de koks­opleiding voor volwassenen gedaan. U wás toch al kok?

“Ik had natuurlijk al veel opgestoken van collega’s, maar ik wilde het vak echt onder de knie krijgen; meer kennis, meer techniek. Ik vond het hartstikke leuk om weer naar school te gaan. Twee jaar lang een dag per week. Er zaten mensen met allerlei achtergronden bij me in de klas: jonge mensen, hobbyisten, de eigenaresse van een cateringbedrijf en koks zoals ik.”

“Achteraf gezien zat er ook een mentale kant aan die keuze. Ik zag mezelf niet meer spelen en dacht: waarom maak ik van dat koken dan niet echt mijn vak? Met de opleiding koos ik bewust voor het kokschap. Ik had die stap nodig om de switch te maken. Pas bij De Plantage ben ik mezelf kok gaan noemen. Daarvoor was ik iemand die kookte. Dat is iets wezenlijks anders.”

Voor veel sous-chefs is zelf chef worden de volgende stap.

“Ja, maar voor mezelf weet ik dat niet, hoor. Dat is weer een heel andere skill. Ik ben geen ondernemer, ik kan niet zo goed plannen, en je bent dan echt zeven dagen per week aan het werk. Eerst dit vak maar eens onder de knie krijgen; alles weten over bestellingen, mensen aansturen, de kwaliteit bewaken. De Plantage is een grote zaak, ’s avonds staan er zes, zeven man in de keuken. Voorlopig heb ik er mijn handen vol aan.”

Staat op de kaart van De Plantage een gerecht uit uw koker?

“Koen is de chef, hij zet de lijnen uit en stelt de kaart samen. Iedereen met een goed idee is welkom, daar kun je ook met hem over sparren. Daar leer ik veel van want koken in een restaurant is echt iets anders dan thuis. Een gerecht bedenken is een proces: de een zegt dit, de ander dat. Op die manier ontstáát het. Door met elkaar te praten en verschillende ideeën samen te voegen, wordt het meer dan de som der delen.”

Kookt u thuis ook?

“Het blijft meestal bij een salade of snel pastaatje. Ik kook al vier dagen per week professioneel, hè. Heel af en toe sloof ik me uit. Als er eters komen, ga ik all the way. Voor mijn vijftigste verjaardag heb ik weer eens een rijsttafel gemaakt. In mijn Amsterdamse pijpenla met een keukentje uit de jaren zestig. De schalen stonden tot op het balkon. Ik had er enorm plezier in.”

U bent heel enthousiast als u over uw nieuwe vak praat.

“Acteren is mijn eerste liefde. Maar dit komt er heel erg dicht bij. Ik heb nooit bewust afscheid genomen van mijn loopbaan als actrice, m­­­aar ik heb wel heel bewust de stap gezet om een echte kok te worden in een echt restaurant.”

null Beeld

Ghislaine Pierie

13 september 1969, Ede

1982-1987
Stedelijk Lyceum Zutphen
1989-1994
Toneelschool Amsterdam
1999-2003
Ellen Meinen in Westenwind
2001-2006
Babette van Woensel in Rozengeur & Wodka Lime
2005
Dramacoach bij ZOOP en Van jonge leu en oale groond
2007
Regisseur Spangas
2011
Begint als kok
2016
Begint als kok bij De Plantage
2020
Dewi Manupassa in Doodstil
2021
Carla Beusink in Goede tijden, slechte tijden
2021
Sous-chef bij De Plantage

Pierie is getrouwd met Patrick Neumann, ze wonen in West.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden