PlusInterview

Gerard Stigter komt als K. Schippers gewoon met een nieuwe roman: ‘De dood? Hoepel op zeg!’

Gerard Stigter (84) heeft de dood al in de ogen gekeken, maar heeft er ‘niets mee te maken’. En dus komt hij onder zijn pseudoniem K. Schippers gewoon met een nieuwe roman. ‘Er zit iets in mij dat het altijd wel weer redt.’

Gerard Stigter. Beeld Sanja Marušić
Gerard Stigter.Beeld Sanja Marušić

Vorig jaar kroop hij door het oog van de naald. “Het was maart, net voor het hele coronagedoe. Ik kwam terecht op de ic van het OLVG. Longontsteking, A-griep, de familie werd bijeengeroepen, ze dachten dat ik eraan ging. Maar dat is dus goed afgelopen, al ben ik wel erg ziek geweest, het was een zwaar jaar.”

En toen bleek Gerard Stigter in oktober ongeneeslijk ziek – bij een controle omdat hij te weinig ijzer in zijn bloed had, wat kan wijzen op kanker. “Dat was het dan. Met een levensverlengende kuur. Die nu voorbij is en ik ben er nog.”

Het is dat hij er weinig van merkt. Dat is wel een geschenk, anders zou dat nieuwe boek er ook niet zijn gekomen. “Soms denk ik weleens: wat heb ik ermee te maken? Ik heb wel wat anders aan mijn hoofd dan dit. Ja, het houdt me wel bezig, maar niet alleen. Er zit iets in mij dat het altijd wel weer redt, dat misschien geen zin heeft in ziekte. Ik heb of had ook nooit wat.”

Dat laatste is enigszins bezijden de waarheid. Bij een interview zes jaar eerder, ter gelegenheid van het verschijnen zijn kinderboek De bevrijding van het Stedelijk, lag hij geblutst, met een been in het gips, op de bank in de voorkamer van zijn woning in de Nicolaas Maesstraat. Een smak gemaakt van de trap van zijn werkkamer boven.

Het is diezelfde trap die hij nu zo kwiek opgaat dat je zou vergeten dat hij ‘op het punt staat te verdwijnen’, zoals hij schrijft in zijn nieuwe roman Nu je het zegt. “Hij kan het uitbannen,” zegt zijn dochter Diana Stigter. “Als hij het niet had geweten, had hij precies zo geleefd. En zolang de zieke zich gedraagt of hij niet ziek is, is hij dat ook niet voor zijn omgeving.”

Maar dat is hij wel.

Al is het misschien achteraf allemaal wel verzonnen.

‘Ze brengen het niet onder mijn aandacht,’ mailt Stigter daags na het gesprek over zijn familie. ‘Af en toe, met een oogopslag, een gebaar. Maar niemand gaat natuurlijk gewoon door, al lijkt het zo.’ Hij stuurt een gedicht mee, opgedragen aan zijn vrouw Erica. Maar, schrijft hij, evengoed geldt het voor zijn (klein)dochters en kleinzoon.

Aan E.

Nu het later
wordt zie ik steeds
scherper hoe mooi
je bent alsof
je nu pas wordt
uitgepakt
en ik je voor
het eerst
onverborgen zie
wie ziet je
als ik er
niet meer ben

Hoe is het om dat te schrijven: dat u op het punt staat te verdwijnen? Die gedachte is best beladen.

“Het verdwijnen, ja, dat is zo. Maar bij mij mondt dat altijd uit in gedichten of teksten. Als ik er over nadenk, is dat altijd op de wijze van: kan ik er iets van maken? Toen ik vorig jaar in het ziekenhuis lag, heb ik aantekeningen gemaakt en er een verhaal over geschreven voor NRC Handelsblad. Dat is niet waar ik zo voor ben, zo fris van de lever over jezelf te schrijven.”

Dus liever en passant zoals in deze roman, waarin u terugblikt op de taal van uw eigen leven: ‘M’n eigen taal, die ik tot nog toe heb gehoord en gesproken, van niemand anders.’ U lijkt zich meer dan anders nog te hebben uitgeleefd.

“Dat laat ik aan jou. Ik heb wel heel vaak met de taal gespeeld. Ik heb geschreven in de taal van een kind van drie, over taal die uitvalt zoals de stroom, over taal op de bon, over het kopen van taal. Ik vind het kennelijk erg leuk daar wat mee te doen. En zo is nu deze ‘autobiografie’ van de taal ontstaan. Vanuit de vraag: wat vindt de taal er zelf van? De taal houdt zich in dat opzicht stil. De taal weet van niets. Je hoort nooit hoe de taal het zelf ondergaat, de manier waarop ze wordt gebruikt. Ze is te vanzelfsprekend.”

Stigter:
Stigter: "Ik heb geschreven in de taal van een kind van drie, over taal die uitvalt zoals de stroom, over taal op de bon, over het kopen van taal."Beeld Sanja Marušić

“Die gedachte suddert bij mij dan een tijdje, tot ik mezelf de taak toebedeel daarover te gaan schrijven. Ik doe het wél, ik geef de taal de mogelijkheid zich te laten kennen. Om de taal zelf een gezicht en eigenschappen te geven. Taal is in zekere zin vogelvrij, en daar verlekker ik me dan zo in dat je het echt voelt, wat het betekent om geschreven te zijn. Hoe het is om als woord in een zin te staan en welke. Alsof de taal een huid is die je aan kunt raken. Dat het fijn is om te doen, dat is waar het mij om gaat. Meer nog dan het waarom.”

Taal is zuurstof, schrijft u. Een reddingboei, ook.

“Als je taal gebruikt, dan kom je ergens. Als ik iets beschrijf, dan ben ik er. Door taal te gebruiken kun je alles en iedereen ergens onderbrengen.”

Stigter bladert door de print van het boek; het is nog niet in huis, het verschijnt op

3 juni. Hij leest passages voor, declameert, omdat het daar allemaal beter geschreven staat dan hij het zo maar even kan oplepelen. ‘De taal golft op me af, ben ik hier nog wel. Zoekt ze me, niet in haar opgegaan en toch is ze er al, op het stilst van een weg bij zee. Je hoort het net, zo moet het klinken, als het echt gebeurt, waar ben ik bij mezelf gebleven. Probeer er afstand van te houden, zal me toch van haar moeten bedienen om ergens te komen.’

Hij barst in zingen uit als hij geliefde liedteksten tegenkomt; bladert naar de opgenomen afbeeldingen. De merklap die zijn grootmoeder in 1887 maakte, ze was toen twaalf; de G overgeslagen en toen maar alsnog na de Z geborduurd. Zijn eigen eerste pogingen uit 1943 tot het schrijven van lopend schrift op school; ophaal, afhaal, nog zonder te weten of een letter iets te maken had met wat er bij hem thuis of op straat gebeurde.

‘Alles en iedereen,’ zei u zojuist. Zo meandert u door uw herinneringen. Van een station in Londen naar een Duitse schrijver en een Vietnamese kunstenaar naar Bergen-Binnen. Maar u schrijft tegelijkertijd: ‘Herinneren is tasten naar wat je deels hebt gezien.’

Stigter veert op om een metalen dienblad te halen, de afbeelding van Heineken waarvan hij meende dat die er op stond is vervaagd. Bij nadere inspectie vallen net de letters ‘Boekenbal’ te reconstrueren – niks Heineken, een memento aan een boekenfeest van lang geleden. Hij pakt er een bundel bij van de Duitse kunstenaar Fiona Struengmann, wier werk hij ook in zijn roman toont. “Kijk maar, je bent er zo doorheen.” Oude kiekjes die ze kocht van een markt in Berlijn en die ze met witte verf deels uitwiste tot er fragmenten overbleven, een enkel silhouet. “Zo is het met herinneringen. Overschilderingen zijn het. Met taal kun je het wel proberen, maar veel blijft buiten schot. Je kan het niet allemaal pakken, hoe graag je ook wil.”

Frustrerend, lijkt me.

“Nee, in het geheel niet. Maar je kunt wel laten zien hoe het gaat, al kan dat ook iets pesterigs hebben. Ik wil laten zien dat er vele gaten zijn en dat niet alles zo stellig is als bijvoorbeeld in de politiek wel wordt beweerd. Maar zonder zinnen ben je er niet. Ik probeer te laten zien – dat is ook het ontroerende – dat als je wordt beschreven in een zin, je ook van taal wordt. Zonder dat je dat beseft. Dat probeer ik in een onderstroom te pakken.”

Is de urgentie van het schrijven nu groter dan eerst?

“Nee, daar ben ik misschien te oppervlakkig voor. Bij het schrijven van een boek moet je ook niet te veel worden afgeleid, alles moet ten dienste staan van het verhaal dat je metselt. Ik heb woensdag weer een scan, en dan donderdag de uitslag. We zullen zien.”

U schrijft ook, zei u onlangs in een podcast, om iets tegenover de dood te stellen. Of je er tegen teweer te stellen.

“Daarbij had ik het over mijn vorig jaar verschenen bundel Andermans wegen. Die ging over mensen die ik goed heb gekend, mensen als Netty Rosenfeld, Hans Faverey, Jan Hanlo en Thom Mercuur, omdat ik het zo belangrijk vind wat zij hebben gedaan, en om mee te helpen wat ze hebben gedaan langer beschikbaar te maken. Als iemand er niet meer is, blijf je die altijd missen. Maar ik vind dat je er iets tegenover moet stellen. Thom Mercuur, die alles op alles heeft gezet voor zijn museum Belvédère. Ik ben totaal gegrepen door dit soort mensen die bezeten waren van wat ze deden. En dan moet zo’n boek er ook komen.”

U wilt ook de taal bewaren die u deelde met uw overleden oudere broer Maarten. Zonder uw broer vallen woorden uit elkaar, halveert de taal, schrijft u.

“Mijn broer en ik hebben met z’n tweeën de oorlog bewust meegemaakt, ik van mijn derde tot mijn negende. Zei ik handkar, dan zei hij Van Bergen, een man die te veel dronk. We moesten van onze moeder oranjehoutjes halen bij Kragtwijk – worteltjes. Allerlei woorden en associaties zijn zonder hem verdwenen en als ik dood ben, weet helemaal niemand het meer.”

PSW Gerard Stigter Beeld Sanja Marušić
PSW Gerard StigterBeeld Sanja Marušić

U lijkt een oneindige drang te bezitten om vast te leggen.

“Dat moet haast wel. Al zou ik zelf eerder zeggen: om iets te openen. Perspectieven, variaties op wat je ziet weer te geven. Ik probeer iets door te geven, over dingen die gewoon zijn en heel dichtbij. Zoals de taal. In de hoop dat mensen dat leuk vinden, het is niet zo ingewikkeld. Als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles gekleurd is, dat er binnen die wereld zoveel kansen zijn om te benutten. Daar had ik al jong, zo vanaf mijn achttiende, notie van.”

Maar dat oog dat u daar al vroeg voor had, heeft u wel altijd benut.

“Het zoekt mij op. Het gaat ook altijd door. Het is onuitputtelijk. Nu met corona, er valt zoveel te zien. Dat er niemand is op straat, en dat er dan wel een ijscowinkel wordt geopend. In een omgeving waar niets gebeurt, en dat het dan ook nog is op de plek waar een winkel was voor bladmuziek, Broekmans & Van Poppel. Dat beeld, dat zijn mooie dingen.”

“Met die ziekte die ik nu heb, zie ik ook veel. Als ik nu voor mijn kanker een onderzoek moet doen, meld ik me bij de balie met een mondkapje op. Of ik dat even af wil doen, vragen ze dan, zodat ze me kunnen vergelijken met de foto op mijn paspoort. Niemand die een wat oudere heer die hartstikke ziek is zou willen imiteren! Dat is meteen iets wat ik kan gebruiken.”

“Of De Knijp, ken je dat café? Heb je er wel eens gegeten? Nee? Ik wel. Dat is nu opgeheven, weg. En vanmorgen stonden alle stoelen hier beneden bij de vuilcontainers. Op elkaar gestapeld. Zo’n mooi gezicht, nog mooier dan toen er mensen op zaten. Het is iets anders geworden. En nu is het opgehaald. Verdwenen. En dat noteer ik dan op een van mijn kleine briefjes. En dat wordt dan weer een gedicht.”

Hij gaat ze boven laten zien, die briefjes; het systeem waarmee zijn werk tot stand komt. Ze liggen in keurige stapeltjes, met dat kenmerkende lopende handschrift waarop hij als jongetje oefende. ‘Taal en liefde’, ‘Dagelijkse ergernissen’, ‘OLVG’, ‘Verhalen en beschouwingen’. Op elk stapeltje een voorwerp; een loep, een puntenslijper, een broche van zijn moeder die vanaf de muur als 18-jarige toeziet en voor hem in gedachten nooit ouder is geworden. Zo praat hij nog tegen haar.

Een mer à boire aan mogelijkheden, dit briefjesarchief. Voelt u zich niet daardoor opgejaagd, dat er wat mee moet en snel ook?

“Ik zie wel hoe ver ik kom. Er komt een tijd dat ik weg ben. Ik zou wel benieuwd zijn wat er dan mee gebeurt. Eerst niks, want Erica is er nog. Ach, eigenlijk interesseren me dat soort dingen maar matig. Ik ben er dan toch niet meer. Kan mij het schelen.”

Stigter wijst op drie lijstjes boven zijn werktafel, ‘de jongens’. Een tekening, ‘de neus’ van J. Bernlef, een plattegrond van Roermond van G. Brands, en een envelopje van K. Schippers – de drie pseudoniemen van de mannen achter het legendarische tijdschrift voor teksten Barbarber (1958-1972).

“Bernlef liet een neus uit een bord soep komen, waarom niet, tot hij al zijn plaksels weggooide. Brands tekende stadsplattegronden van Barcelona tot Roermond, en bij mij zie je de steelse lijnen van een envelopje. De beelden hebben niet in BBB gestaan, maar ze horen er wel bij, zo goed als niets. Daar zit ik dan onder te werken, zo zijn ze er nog een beetje.”

Een foto van Philip Mechanicus. Van Kees Hin en diens dochter Barbara. De penselen van schilder Jan Roeland. Allemaal gestorven. Hij had het er vaak met Armando over, dat zijn vrienden wegvielen. “‘Dan neem je toch jongere vrienden,’ zei Armando. Die was daar heel praktisch in. Maar die is er ook niet meer.”

Dan, bijna baldadig: “Totaal de kraaienmars zeg! Goedemorgen! De dood, ik heb ’m toch niet bedacht! Hoepel op, zeg, wat een onzin. Wat heb ik er mee te maken!”

Hij heeft veel kunnen doen, hoopt nog het een en ander af te kunnen maken. Heeft spijt van niets. Maar weer beneden, meer weloverwogen, gaat het over achterlaten. “Dat gaat natuurlijk wel eens door mijn hoofd. Al is het zinloos. Bert Schierbeek heeft er iets goed over gezegd. Toen die ziek werd, zei Rob Anker tegen hem: ‘Dat zal je wel dwars zitten.’ Schierbeek zei: ‘Nee, want dan ben je nog chagrijnig ook.’ Als je de hele tijd gaat denken aan hoe je vrouw en kinderen en kleinkinderen straks zonder jou verder moeten, mis je de momenten dat je er nog wel bent, dat zij er nog zijn.”

“Maar gekneed door mijn vingers, als een met penseel aangebrachte laag, zit dat natuurlijk wel in het boek. Niet het stellige, maar het vluchtige, daar heb ik altijd van gehouden. Zoals de vlinder die ik beschrijf die als een verstekeling neerstrijkt op een boot, een atalanta. En die dan weer wegvliegt. Het is een beeld dat gedachten oproept.”

“Toen jij net door die stortbui hierheen gefietst kwam, herinnerde je je misschien een andere bui die nog weer andere associaties oproept. Zo ontstaat een collage van gedachten. Je doet dit en je ziet dat en je herinnert je zus of zo en het heeft allemaal half met elkaar te maken. Dat heb ik geprobeerd in mijn schrijven een plaats te geven. Anders zou het helemaal niet bestaan. En je wil toch dat het bestaat.”

Stilte.

“Zo, heb je genoeg? Wil je nog koffie? Zal ik een ei voor je bakken?”

Nu je het zegt van K. Schippers verschijnt op 3 juni bij Querido, €18,99.

Gerard Stigter

(pseudoniem: K. Schippers)
6 november 1936, Amsterdam

1949-1955

1e Hbs-A (Openbare Handelsschool)

1956-1957

Militaire dienst

1958-1972

Medeoprichter tijdschrift Barbarber

1960

Trouwt met Erica Hoornik

1963

Publiceert eerste dichtbundel De waarheid als De Koe

1966

Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor Een klok en profil

1975-1977

Medeoprichter tijdschrift Hollands Diep

1983

Multatuliprijs voor Beweegredenen

1990

J. Greshoffprijs voor Museo Sentimental

1996

P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre

2006

Libris Literatuur Prijs voor Waar was je nou

2016-2019

Stadsdichter van Amsterdam

2021

Roman Nu je het zegt

Stigter woont met zijn vrouw Erica in Oud-Zuid. Hij heeft twee dochters, Diana (1962) en Bianca (1964), en drie kleinkinderen.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden