PlusDe galerie van...

Galeriehouder Marianne van Tilborg: ‘Het is nu truttiger dan in de jaren tachtig’

In de rubriek ‘De galerie van…’ laten we een keur aan Amsterdamse galeriehouders aan het woord: hoe zijn ze in de kunstwereld terechtgekomen, wat is het profiel van hun galerie, wat verzamelen ze zelf, en wat is de impact van de coronacrisis? Marianne van Tilborg (68) van Lumen Travo Gallery.

Marianne van Tilborg, 1984.  Beeld Emiel van Moerkerken
Marianne van Tilborg, 1984.Beeld Emiel van Moerkerken

Heeft u kunst van huis uit meegekregen?

“Mijn vader was militair, gereformeerd en nogal conservatief, en mijn moeder was katholiek en echt een huisvrouw, we waren met vijf kinderen thuis, ik was de oudste. In ben van 1953, ik groeide op in de jaren vijftig en zestig, kunst was buiten zicht. Er was muziek, maar dan Nederlandse liedjes en Duitse schlagers. Ik mocht nog net naar de Top 40 luisteren, dat was eigenlijk al te wild. Voor de rest was het Wiegel, Luns en G.B.J. Hiltermann wat de klok sloeg. Ik was nogal recalcitrant, spijbelde en had veel alternatieve vrienden; provo’s en Kabouters.”

Hoe bent u in aanraking gekomen met de kunstwereld?

“Eind jaren zeventig was de punktijd. Ik had met vrienden een fanzine opgericht met als titel Art Holes, en daarin legden we de relatie tussen punk en dada. Ik ging vaak fanzines kopen in Londen, en in Art Holes maakten we interviews met onder anderen Billy Idol. Maar we hadden ook een eigen pagina in de Hitkrant, onder de titel: Nieuwe Muziek Voor Nieuwe Mensen.”

“Dankzij Alan Vega – de zanger van de New Yorkse cultband Suicide met wie ik bevriend was geraakt – ben ik de ‘salon’ begonnen. Hij had mij in 1985 uitgenodigd als tafeldame bij zijn tentoonstelling bij American Graffiti (daarna werd dat Galerie Barbara Farber) en is uiteindelijk bij mij thuis beland, waar we veel gepraat hebben en natuurlijk muziek luisterden.”

“In Athenaeum Nieuwscentrum had ik namelijk een punkbakje met singles neergezet, dat stond naast de kassa. Ik kocht die tegen commissie in bij Boudisque. Brian Eno kwam altijd langs, en heel veel andere muzikanten, en iedereen graaide in dat bakje. Vega ontdekte door mij Japanse punkbands, en al die singles en die platen hebben we toen bij mij thuis gedraaid.”

Tijdens de opening van Van Tilborgs galerie in de Paulus Potterstraat, 1991.  Beeld Galerie Marianne van Tilborg
Tijdens de opening van Van Tilborgs galerie in de Paulus Potterstraat, 1991.Beeld Galerie Marianne van Tilborg

“Ik ging ook een keer op zijn uitnodiging naar Parijs, en daar liet hij me alle plekken zien die voor hem belangrijk waren, en hij noemde ons the beauty and the beast. Hij was beïnvloed door Genêt, Baudelaire, De Lautréamont, maar ook door de auteurs van de nouvelle vague.”

“Hij vroeg wat ik wilde gaan doen, en toen vertelde ik dat ik graag een salon of iets anders in de kunst wilde gaan doen, en zo bracht hij me op het idee om dat in mijn eigen huis te organiseren.”

Wat was uw eerste betrekking in een galerie? Of bent u gelijk zelf een galerie begonnen?

“Ik werkte bij Athenaeum Nieuwscentrum en één dag in de week bij Binnenhuis, een interieurwinkel die zich bezighield met hedendaags Italiaans design. We organiseerden ook tentoonstellingen met werk van Alchimia, Memphis, Philippe Starck en vele anderen, en gingen vaak naar Milaan. Daarnaast begon ik dus de salon in mijn woning boven de Athenaeum Boekhandel, waar ik nog steeds woon.”

“Ik had heel veel contacten met architecten, met Toneelgroep Amsterdam, in de mode en muziek, en wilde al die verschillende disciplines bij elkaar brengen, waardoor er kruisbestuivingen konden ontstaan met de kunstenaars die ik tentoonstelde.”

“Ik heb er een tentoonstelling gemaakt met Luigi Serafini en Nathalie du Pasquier, die alle twee ontwerpen voor Alchimia en Memphis, maar die beiden nu meer bekend zijn als kunstenaar.”

Voor werk van Luigi Serafini, 1988.  Beeld Galerie Marianne van Tilborg
Voor werk van Luigi Serafini, 1988.Beeld Galerie Marianne van Tilborg

“Vanaf het begin lag mijn focus op internationale kunstenaars; onder anderen Droste & Rombouts en Guillaume Bijl hebben op vierhoog tentoonstellingen bij mij gehad. Ik werd in die tijd ‘de Peggy Guggenheim van het Spui’ genoemd, en later ‘de Stier van de Paulus Potterstraat’ toen ik daarheen verhuisde met mijn galerie.”

Hoe zou u het profiel van uw galerie willen omschrijven?

“Ik ben altijd iemand geweest die voor de troepen uitliep, altijd op zoek naar een mix van culturen, naar mensen en kunstenaars die nog onbekend waren. Ik exposeerde Remy Jungerman, Meschac Gaba, Jimmie Durham en Chen Zhen, die overleden is maar nu gigaberoemd. Met hem opende ik mijn galerie aan de Lijnbaansgracht, in 1993. Het zijn allen kunstenaars die iets communiceerden wat ik nog niet kende.”

Met Marie-Puck Broodthaers op de KunstRAI, 1991. Beeld Galerie Marianne van Tilborg
Met Marie-Puck Broodthaers op de KunstRAI, 1991.Beeld Galerie Marianne van Tilborg

“Veel kunst was saai en burgerlijk, na de Wilde Schilderkunst gebeurde er niet veel. Vanuit mijn punkachtergrond verzette ik me daartegen. Hoogtepunt in de salon was het werk Zonsolarium van Guillaume Bijl. Die had een soort sportschooltje ingericht, met een zonnebank en een fietsje, waar je kon trainen.”

Wat is er veranderd in de kunstwereld sinds u uw eerste stappen zette?

“Toen ik begon was iedereen aan het experimenteren, nu is het duidelijker. Maar ik behield de punkmentaliteit. Ik ben gegroeid en verder gegaan, net als iemand als Frank Demaegd van Zeno X Gallery. Die heeft ook altijd voeling met de jarentachtigkunstenaars gehouden: Guillaume Bijl, Michel François, Anne-Mie Van Kerckhoven, Guy Rombouts, Bernd Lohaus. Ik bewonder hem zeer. En natuurlijk Micheline Swajzcer, en sowieso de Belgische galeries.”

“Het is tegenwoordig truttiger dan toen, in de jaren tachtig waren beurzen nog niet zo belangrijk. In die tijd stond de galerie vol, nu gaat men naar de beurzen. Het is oppervlakkiger geworden. Vroeger ontdekte je ­kunstenaars op de beurzen, ook op Art Basel, nu niet meer.”

Wat/wie verzamelt u zelf?

“Ik probeer altijd werk van mijn eigen kunstenaars aan te kopen; zo bezit ik een aantal werken van Guillaume Bijl, Shirin Neshat, Michel François, Jimmie Durham, Otobong Nkanga, Meschac Gaba en Thierry Oussou.”

Heeft corona uw denken over de kunst­wereld beïnvloed?

“Wij tonen geen kunst die je makkelijk digitaal kunt verkopen. Ik doe geen fotografie of tekeningen. Ik zit meer op de beleving dan op een simpel een plaatje tonen; voor mij is context, het beleven, het belangrijkst.”

“Ik verkoop juist goed op beurzen en op tentoonstellingen, nu de lockdown eraf is kan ik weer losgaan. Zo’n Gallery Weekend is fantastisch, of een Amsterdam Art Weekend, maar zonder shows verkoop ik niet.”

Op de soloshow van Otobong Nkanga in het Museum of Contemporary Art Chicago, 2018. Beeld Galerie Marianne van Tilborg
Op de soloshow van Otobong Nkanga in het Museum of Contemporary Art Chicago, 2018.Beeld Galerie Marianne van Tilborg

“We doen wel heel veel met Instagram; Otobong Nkanga verkoop ik wel, daar is een wachtlijst voor, dat gaat gewoon door. Maar jongere kunstenaars, dat werkt echt niet digitaal, tenzij voor spotprijsjes of in edities. Ik deed een expositie in Capitol C en daar had ik Daniel de Paula, Thierry Oussou en Otobong Nkanga, dat was net na de eerste lockdown, daar had iedereen zin in. Ik had eerst digitaal plaatjes gestuurd, daar reageerde niemand op, maar toen iedereen kwam kijken verkocht ik de een na ander. Mensen moeten kunst echt zien!”

Een langere versie lezen of zelf kunst kopen? galleryviewer.com

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden