Frits Wijngaard: ‘De echt nare wedstrijden zijn op één hand te tellen.’

PlusReportage

Frits (80) fluit al 40 jaar: ‘Ik baal als ik streng moet zijn’

Frits Wijngaard: ‘De echt nare wedstrijden zijn op één hand te tellen.’Beeld Dingena Mol

Hij geldt als een begrip in de zaalvoetbalwereld. Scheidsrechter Frits Wijngaard (80) fluit al veertig jaar wedstrijden op zijn manier. ‘Geloof me nou maar, na al die jaren kan ik praten en fluiten tegelijk.’

Er is iets dat iedereen moet weten wanneer Frits fluit: niet praten, niet mekkeren, accepteren. Ook als ie mis zit. Dat onthouden, dan zit je goed.

Frits is Frits Wijngaard (80), wereldberoemd in Amsterdamse zaalvoetbalkringen. In de eerste plaats omdat hij er al bijna veertig jaar rondloopt als scheidsrechter en organisator van toernooien. Maar echt beklijven doet de manier waarop hij fluit: met verve, flair en – vooruit dan – een beetje een gebruiksaanwijzing.

Hij werd geboren in 1939, net voor de oorlog, in een groot gezin op de Haarlemmerweg. Drie broers, twee zussen. Er was armoe, maar het was er warm en goed. Sindsdien is hij een familiemens. Van z’n zestiende tot z’n twintigste op de grote vaart bij de KNSM. Zuid-Amerika, de Middellandse Zee, je ziet nog eens wat. Daarna in dienst, getrouwd, drie kinderen – een beetje vroeger dan gepland – en toen tot zijn zestigste bij de gemeentegiro. Zestig jaar getrouwd inmiddels, drie kleinkinderen en drie achterkleinkinderen.

Devote toewijding

Dat is het leven buiten het voetbal, maar een enorme kluit van zijn tijd speelt zich af in sporthallen. Vijf avonden per week, honderden wedstrijden per jaar. Makkelijk driehonderd wedstrijden per seizoen, naar eigen zeggen. Nog steeds pakt hij een paar keer per week zijn sporttas in: scheidsrechterstenue, fluit, bal en kaarten. O, en zijn eigen administratie niet te vergeten. Naast de KNVB-wedstrijden en aparte toernooien (bijvoorbeeld terugkerende edities voor een groep enthousiaste ­Schotten en voor de Chinese sportfederatie) organiseert hij sinds 2008 de Archicup. Dat is een bedrijvencompetitie voor architectenbureaus, in 1998 gestart door Danny ­Edwards en Frank de Volder. Dat zijn alleen al 228 wedstrijden per jaar, die hij fluit met zoon Frits jr. en schoonzoon Ruud.

Naast het fluiten verzorgt Wijngaard – die zelf ook heeft ­gevoetbald, zowel in de zaal als op het veld, voornamelijk bij ASV De Germaan – het wedstrijdschema en de administratie, wat goals en assists betreft. Dat komt er in de praktijk op neer dat hij elke wedstrijd kaartjes van dik groen ­papier ­afdrukt met daarop de namen van de spelers. Nog tijdens de wedstrijd betekent dat een hoop papierwerk. Goal? ­Noteren. Naam en ­minuut. Dat lezen de spelers vervolgens ­allemaal terug in de wedstrijdverslagen – want die maakt hij ook, vaak dezelfde avond nog, met een devote toewijding. “Weet je,” zegt Wijngaard, “heel vaak denk ik tijdens het fluiten al: ah, dat is een mooie kop.”

Een dagtaak is het, maar hij zou niet anders willen. ­Vanavond mag hij weer, in Sporthallen Zuid: eerst De Toekomst tegen Boulevardboys, daarna VenhoevenCS tegen Mollink Soeters PPHP. In de scheidsrechterskleedkamer zit hij, omgekleed inmiddels. De kousen opgetrokken, het scheidsrechtersshirt in de broek, fluit in de hand. Klaar, toch? Nee! Opeens grijpt hij naar een zijvak en pakt hij een flesje parfum. Psht, psht, psht in de nek en nú kan ie gaan. “Ik wil ­gewoon fris ruiken, zulke dingen zijn belangrijk. Neehee, niet ­omdat er ook vrouwen meedoen vandaag.”

Oké, oké, niet daarom. Maar leuk is het wel, als ze even zeggen: ‘Wat ruikt u lekker, scheids.’ Goed, bal onder de arm en naar de hal, lekker op tijd nog. Langzaam druppelen de teams binnen. Allemaal naar Wijngaard, allemaal een handje of een knuffel zelfs. “Dag lieverd,” “Hé gap,” “Dag schat,” “Jongen, hoe is het?”

De waardering is de voornaamste reden waarom Wijngaard fluit, seizoen na seizoen. Of hij nu in Zuid fluit, in de Oostenburghal of in de Calvijnhal: overal wordt hij met het grootste respect onthaald. Door de halbeheerders, door de spelers, door iedereen. Een rondgang langs de teams van vanavond leert dat iedereen Frits kent. En z’n gebruiksaanwijzing ook. “Je moet niet babbelen, dan fluit ie. Maar zelf babbelt hij wel, zoveel mogelijk. Gezellig toch.”

Even later, Wijngaard: “Ik praat en ik fluit, tegelijk. Sommigen vinden dat moeilijk, maar geloof me nou maar: na al die ­jaren kan ik dat. Ik zie echt wel wat er gebeurt. En als ik iets mis, dan lossen we het samen effe op.” Even later een praktijkvoorbeeld: er valt een goal, Wijngaard doet de administratie. “Wie was het nou? Ze hebben twee Joppen, die kan ik niet uit elkaar houden, hoor.”

Terwijl hij naar z’n kaartje kijkt gaat het spel door. Overtreding, hij ziet het niet. Consternatie: “Mijn schuld, mijn schuld. Ik was nog even aan het noteren. Je wil ook niet dat ik je goaltje vergeet toch? Oké, bal aan de zijkant, voetballen weer.” En dan tegen een wisselspeler: “Vanavond werk ik het ­verslag al uit, hè? Als ik het niet af krijg, dan schrik ik ’s nachts nog weleens wakker en dan maak ik het alsnog af. Dat vindt m’n vrouw weleens minder.”

Scheids Frits: 'Zelf baal ik nog het meest als ik streng moet zijn.'Beeld Dingena Mol

‘Sorry Frits’

Verder vindt ze – Yvonne – het allemaal maar goed, al die avonden op pad. Best bijzonder, weet Wijngaard zelf ook. En ­gelukkig maar, want zeker in de lagere regionen van het zaalvoetbal is er een enorm tekort aan scheidsrechters. De voornaamste reden: het gedoe. Agressie soms, een vijandige sfeer. Bij Wijngaard zijn zulke avonden zeldzaam: “Na al die jaren zijn de echt nare wedstrijden op één hand te tellen. Zelf baal ik nog het meest als ik streng moet zijn. Dan geef ik een kaart – dat betekent een paar minuten het veld uit in de zaal – en dan loop ik meestal meteen even langs. ‘Wat doe je me aan man, we kennen elkaar al zo lang. Ik dacht ik je vriend was.’ Nou, dan is het meestal van ­‘sorry Frits’.”

Overtreding, Wijngaard fluit. “Scheeeids,” klinkt het. Meteen erheen. “Dat gaan we dus niet doen, hè. Jij gaat niet de avond verpesten. Als ik fluit, dan accepteer je het.” Hand op z’n schouder. “Eens? Goed zo. Voetballen.”

Rust. De speler komt meteen naar hem toe: “Sorry hè, Frits.” “Goed hoor, jongen.”

Een niks-aan-de-handwedstrijd is het, maar als de tweede helft net begonnen is, wordt het toch even scherper. Meteen houdt Wijngaard het kort. Na zoveel jaar kun je een ­wedstrijd lezen. Als iemand na een overtreding de bal ­wegschiet, gaat hij even streng: “Wil jij geel hebben? Ik geef hem zo, hoor.” Even kalmeert de wedstrijd, maar dan gaat het toch mis. Overtreding, mekkeren en dan is het klaar: wegwezen. Een unicum, vertelt Wijngaard even later: “Het is alweer jaren geleden dat ik er iemand uit moest sturen.”

Niet te lang over hebben, gewoon verder. Over hoe hij zo fit blijft bijvoorbeeld. Geluk, denkt hij. Maar na afloop stuurt hij nog even z’n trainingsschema. Dagelijks twee of drie keer tien minuten of langer met gewichtjes van zes ­kilo in de weer. Tachtig jaar ja, u had het goed gelezen. Stoppen? Nog lang niet.

Niet zeuren

Arvid Toes (38), speler van Boulevardboys, is even gewisseld. “Frits? Al járen, die hoort er gewoon bij. Als je niet zeurt, is hij je grootste vriend. Ik kreeg een keer een elleboog in m’n gezicht tijdens het voetballen. Man, ik zag sterretjes. Maar het ging wel weer, dus toch zelf naar huis gefietst. Nou, diezelfde avond ging de telefoon al: Frits, of ik oké was. En dat doet ie bij iedereen, hè? Maar zelf moeten we soms ook bellen. Er is weleens een wedstrijd uit de hand gelopen en dan zegt hij: ik stop ermee, dit doe ik niet meer. Dan praten we op hem in, even de kou uit de lucht en dan kunnen we weer. Dan is het ook klaar.”

“Ik weet nog dat ik tijdens m’n eerste wedstrijd met Frits begon te klagen na een overtreding. Bij Frits doe je dat één keer en dan is ie zo streng dat je het voortaan wel uit je hoofd laat. Terecht ook. Met dat gezeur zet je eigenlijk ­alleen jezelf voor lul. Frits heeft me een beetje opgevoed. Misschien heeft hij me zelfs wel een beter mens gemaakt.”

Goal. En meteen begint de administratie weer. Secuur krabbelt hij het op het groene kaartje met de spelers­namen, het spel is alweer bezig. Net als hij weer opkijkt is er een duw en ligt er eentje. Felle fluit, en meteen: “Geef ­elkaar even een handje, goed zo jongens, trots op jullie.” En voetballen weer. 

Frits checkt de team-samenstelling en noteert veranderingen.Beeld Dingena Mol
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden