PlusInterview

Frans Douw werkte veertig jaar in de gevangenis: ‘In ieder van ons schuilt een dader’

Oud-gevangenisdirecteur Frans Douw (65) denkt niet in goed en kwaad, blijkt uit zijn net verschenen boek. ‘Als je mensen anders behandelt, zie je ook ander gedrag.’

Frans Douw: ‘Het is prettig om te denken dat een gevangene een ander soort mens is dan jij.’  Beeld Nosh Neneh
Frans Douw: ‘Het is prettig om te denken dat een gevangene een ander soort mens is dan jij.’Beeld Nosh Neneh

Toen Frans Douw op de psychiatrisch-forensische afdeling van de Bijlmerbajes werkte, een van zijn heftigste werkplekken, zag hij op Amsterdam Centraal geregeld ­oude bekenden uit de gevangenis. “In de stationshal of op het perron zag ik zo’n persoon dan op de grond zitten, ­terwijl de reizigers eromheen golfden. Net het stille oog van een orkaan. Alsof zo iemand niet bestaat.”

Zoiets stemde hem triest, zegt hij. “Persoonlijk verdriet heb ik niet, maar ik heb wel verdriet over de wereld: wat er met mensen gebeurt, hoe ze met elkaar omgaan. Daar zet ik me voor in.”

Douw zag destijds, tussen 1997 en 2003, als directeur van de Forensische Observatie- en Behandelingsafdeling in de Bijlmerbajes mensen die in andere gevangenissen waren stukgelopen vanwege psychiatrische problemen. Vaak hadden ze lang in isoleercellen gezeten. “Er was elke dag geweld, eens in de tien dagen raakte er wel een personeelslid gewond. Toch werkte ik er met veel plezier. Mensen knapten vaak snel op zodra de medicijnen goed waren ­ingesteld. En de collegialiteit was enorm: personeel was op elkaar ingespeeld, we waren voor onze veiligheid van elkaar afhankelijk.”

Veertig jaar werkte Douw in het gevangeniswezen. Hij begon als groepsleider en eindigde als directeur van vier gevangenissen. In zijn net uitgekomen boek Het zijn mensen geeft hij een inkijkje. “Die titel slaat op iedereen die in een hokje wordt geplaatst: gedetineerden, slachtoffers en nabestaanden. Maar ook op de collega-directeur in mijn boek, die over gevangenen praat alsof het dieren zijn. Ik probeer te begrijpen hoe hij tot die manier van denken is gekomen.”

Na zijn pensionering bleef Douw nauw betrokken bij het gevangeniswezen. “Een paar dagen na mijn afscheids­receptie zat ik in het vliegtuig naar Oekraïne, waar ik met anderen een opleiding voor gevangenispersoneel heb ­opgezet. Met oud-gedetineerde Toon Walravens heb ik de stichting Herstel en Terugkeer opgericht. En in de podcast Prisonshow interview ik oud-gedetineerden, slachtoffers, nabestaanden, sociaal werkers.”

Voor elkaar zorgen

Vier jaar geleden verhuisde Douw met zijn vrouw Nel naar Westzaan. Daar vormen ze een kleine leefgemeenschap met hun zoon Simon, schoondochter Renske, kleinkinderen Jonas, Ira en Izzy, en Anneke, de moeder van Renske. Dochter Linda komt regelmatig langs vanuit Amsterdam.

Het past in zijn wereldbeeld: zorgen voor elkaar. “Wij ­Nederlanders zijn best een sociaal volk, in burenhulp en vrijwilligerswerk zijn we fantastisch. Alleen als er iets misgaat, bemoeien we ons er liever niet mee. Denk aan psychiatrie, criminaliteit, ontsporing van gezinnen. Een kind uit een moeilijk gezin hebben we liever niet over de vloer. Een dakloze die op zijn knieën op de stoep ligt, ontwijken we. Terwijl je ook even contact kunt maken, laten zien dat je iemand opmerkt.”

Zo deed hij dat ook in de gevangenis: altijd de mens zien. “Iemand die iets verschrikkelijks heeft gedaan, heeft ook altijd andere kanten. Daarnaast probeer ik te begrijpen waar de daad vandaan komt, wat die persoon zélf heeft meegemaakt, bijvoorbeeld in zijn jeugd. Meestal is een ­dader zelf ook een slachtoffer geweest.”

Die instelling vraagt oefening, erkent hij. “We zijn ­geneigd de wereld in te delen in goed en kwaad. Het is prettig om te denken dat een gevangene een ander soort mens is dan jij, dan kun je jezelf weer beter voelen. Maar in ieder van ons schuilt een dader: je kunt niet leven zonder dat je anderen onrecht aandoet. Ook dan hoor je bij de gemeenschap, het is belangrijk niemand uit te sluiten.”

Wereldverbeteraar

Douw groeide op in een gezin met negen kinderen. Door zijn eigenzinnige karakter draaide hij niet zo gemakkelijk mee in systemen. “Dat gold een beetje voor het gezin, maar vooral op de mulo; daar werd ik weggestuurd. Ik wilde mezelf in de wereld neerzetten: hier ben ik, ik heb óók wat te zeggen. Later heeft die wilskracht me geholpen.”

Op zijn twintigste vond hij zijn plek: als groepsleider bij een jeugdinstelling. Douw zou het werk in inrichtingen nooit meer verlaten. “Het paste bij me. Ik had een stevige basis en mijn sociale vaardigheden waren in ons grote ­gezin goed getraind. Bovendien school in mij een wereldverbeteraar.”

Hij werd afdelingshoofd en klom later op tot directeur. “Ik herinner me dat ik met mijn vrouw naar de gevangenis in Zwaag ging kijken, waar ik directeur zou worden. 170 man personeel; het voelde of ik geblinddoekt een afgrond ­instapte. Maar dat is hoe je je ontwikkelt: door de confrontatie aan te gaan met je angsten of je pijn.”

Douw heeft wel duizend verhalen te vertellen, bijvoorbeeld over gijzelingen en geweldsincidenten die er flink inhakten. Zoals die keer dat een gedetineerde een medegevangene had gegijzeld in de Bijlmerbajes. “De dader was een grote, gevaarlijke kerel met een persoonlijkheidsstoornis, de jongen die gegijzeld werd was psychotisch. Hij had zich in een ruimte verschanst en de deur gebarricadeerd. Daar heb ik intensief staan onderhandelen, maar het liep op niets uit. Een overvalteam van de politie heeft uiteindelijk de deur opgeblazen.”

Net zo lief vertelt hij over projecten waarbij hij mensen zag opbloeien. In Heerhugowaard gaf hij gevangenen de ruimte een tuin in te richten op een verwaarloosd stukje terrein. “Drie jaar later was het een en al weelderigheid, met kassen vol groenten. Voor die projecten heb ik echt de grenzen opgerekt, het paste niet bij de manier van denken. Maar als je gedetineerden anders behandelt, zie je ook ­ander gedrag. Zo opperde een gevangene de groenten aan de voedselbank te doneren. Wij krijgen al goed te eten, vond hij.”

We zijn niet meer de milde straffers die we in Europa ­altijd waren, constateert Douw. Hij is niet tegen straffen, integendeel. “We kunnen niet accepteren dat mensen ­geweld gebruiken of zich spullen van een ander toe-­eigenen. Maar een straf of maatregel die je oplegt, moet wel de veiligheid dienen.”

“Natuurlijk: als je iemand opsluit, levert hij in die tijd geen gevaar op. Maar de kans is groot dat het na zijn vrij­lating opnieuw misgaat. Opsluiten is schadelijk voor een mens: je onttrekt iemand aan de samenleving, hij raakt de aansluiting kwijt. Daarom moet je in een gevangenis ook altijd werken aan het herstel.”

Meer dan opsluiten

In zijn boek citeert hij Nelson Mandela, die stelde dat je een land kunt leren kennen door in de gevangenis te ­kijken. “In Nederland lijkt het behoorlijk luxe, maar het is ook heel bureaucratisch en gestuurd door regels. Dat schept afstand, werkt vervreemdend. Dat zie je ook bij ­bedrijven en de overheid, denk aan de toeslagenaffaire. De menselijke maat lijkt weg. Dat is een van mijn missies: ­bevorderen dat het weer een mensenwereld wordt, geen systeemwereld.”

Het werk in de gevangenis behelst méér dan opsluiten ­alleen, stelt hij. “Het draait erom mensen voor te bereiden op terugkeer in de samenleving en ze uit te nodigen andere keuzes te maken. Als iemand een zwaar vergrijp heeft gepleegd, is dat een heel moeilijke weg, maar je kunt herstellen. Natuurlijk zul je de samenleving moeten beschermen door die persoon op te sluiten en te behandelen.

En daarna moet je zorgen dat hij weer op een veilige ­manier kan terugkeren, door hem aan te spreken op wat hij kan en daarin te geloven. Het gaat niet altijd goed: dat risico zul je moeten nemen. Het alternatief is iedereen die iets verkeerd heeft gedaan opsluiten en de sleutel weggooien.”

Voor hemzelf geldt dat hij door zijn gevangenisjaren veel positiever is gaan denken over mensen. “Door met ze om te gaan, hun mogelijkheden te zien. Ik hoef mezelf niet meer zo nodig in de wereld te zetten: liever help ik anderen daar nu bij.”

Frans Douw: Het zijn mensen – het verhaal van een gevangenisdirecteur, Atlas Contact, €21,99.

Zorgen over de coronaregels

Volgens oud-gevangenisdirecteur Frans Douw worden de RIVM-­richtlijnen in de gevangenis niet goed ­nageleefd. “Dat hoor ik van gevangenen en hun familieleden. Die ­anderhalve meter is onmogelijk te handhaven in een gevangenis. En we weten dat mondkapjes er lange tijd niet waren.”

Als een personeelslid besmet raakt, moeten gevangenen in quarantaine. “Alleen op hun cel, met onvoldoende personeel om de basiszorg te garanderen. Denk aan luchten of bellen: dat soort basisrechten sneuvelt als je niet genoeg mensen hebt rondlopen.”

Douw heeft begrip voor de ingewikkelde situatie, maar het ­gebrek aan openheid over de omstandigheden in de gevangenissen verontrust hem. “Het is een gesloten bolwerk ­geworden. De transparantie is juist nodig om te voorkomen dat mensenrechten worden geschonden.” ­Bezoek wordt mondjesmaat toegestaan en beeldbellen komt moeizaam op gang, stelt hij. “Wat een verschil met de verzorgingshuizen en instellingen voor gehandicapten, waar na de eerste coronagolf hard is gewerkt om de menselijke maat terug te vinden. Voor gevangenen en hun ­familie is er nauwelijks belangstelling. “Dat is prioriteit nummer 1000.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden