Plus Interview

Femke Halsema: ‘Amsterdam heeft een ordinairder imago dan het verdient’

Femke Halsema Beeld Linda Stulic

Femke Halsema (53) voelt dat ze na anderhalf jaar grip heeft op het burgemeesterschap. Het werk bevalt haar, de last torst ze meestal met plezier. Een gesprek over haar stevige koers, seksisme en privékwesties. 

Overal slingeren ze rond in de ambtswoning: schriftjes, opschrijfboekjes. In de tas, in de slaapkamer, of op de keukentafel, altijd binnen handbereik om nachtelijke ideeën of gedachten te bewaren en om te zetten in actie.

Althans, als ze de volgende ochtend nog steeds zo goed zijn als ze in de donkere uren leken. “Ik lig ’s nachts vaak met mezelf te vergaderen,” zegt burgemeester Femke Halsema. “Er is zo veel aan de hand in zo’n stad, je moet over zo veel dingen nadenken dat ik inmiddels wel acht schriftjes heb liggen. Dan loop ik ’s nachts even naar de keuken, om het bij te houden en de gedachten te ordenen.”

Halsema is inmiddels anderhalf jaar burgemeester van Amsterdam. Ze omarmt het ambt zonder reserves. Natuurlijk, aan het eind van de dag gaan tassen vol stukken mee naar huis, ze moet altijd bereikbaar zijn voor grote en kleine crises, en ze voert verdrietige gesprekken met nabestaanden of andere Amsterdammers die tragische dingen hebben meegemaakt.

Bovendien is zij de meest herkenbare vertegenwoordiger van het lokaal bestuur die moet fietsen, winkelen en dineren in een stad vol Amsterdammers die niet op hun mondje zijn gevallen. Het is allemaal veelomvattender dan haar werk in de Tweede Kamer, toen ze ook al landelijke bekendheid genoot.

Toch bevalt het werk, veel meer zelfs dan ze vooraf had verwacht. Ze heeft, onderaan de streep, weliswaar een bijzondere, maar ook gewoon een leuke baan en ze gaat ’s ochtends met plezier naar haar werk. Het is Halsema gelukt om grip te krijgen op het burgemeesterschap.

“Ik heb nog niet het gevoel gehad dat de last van het ambt niet te torsen is. Dat komt ook door het arbeidsethos waarmee ik ben grootgebracht; de gedachte dat je iets moet betekenen voor de samenleving. Dat is nooit afwezig geweest in mijn werkende leven.”

Hoe voelt het om altijd verantwoordelijk te zijn?

“In het begin zit je de hele tijd naar de telefoon te kijken en bijna te wachten totdat je gebeld wordt als er iets gebeurt in de stad. Inmiddels weet ik dat ze mij toch wel weten te vinden als er echt iets aan de hand is. De zorgen en het verantwoordelijkheidsgevoel zijn niet vervelend, ze horen erbij. De functie kent zwaarte en die maakt ook dat je je nuttig voelt.”

Wordt u nog vaak vergeleken met uw voorgangers?

“Niet in mijn gezicht! Ik hoor het ook steeds minder. Dat heeft er vooral mee te maken dat Jozias van Aartsen een tijd waarnemend burgemeester is geweest na het overlijden van Eberhard van der Laan. Dat haalde wat van de druk van mijn schouders. Bovendien ben ik heel iemand anders dan mijn voorgangers, dat helpt ook. Ik heb wel altijd het besef gehad dat ik op de schouders van reuzen sta. Er is waardigheid te verliezen.”

Vindt u het vervelend om vergeleken te worden met Van der Laan?

“Nee helemaal niet. Die vergelijking is maar een enkele keer gemaakt, vooral bij Ajax. Het klopt, ik ben anders. Eberhard was in zijn natuurlijke habitus als hij met een Ajaxsjaal op de tribune zat. Ik ben in mijn element als ik met een grote groep vrouwen in Nieuw-West koffie zit te drinken. We zijn verschillende mensen.”

U was altijd al een bekende verschijning wegens uw verleden als Tweede Kamerlid. Welke invloed heeft dat op uw burgemeesterschap?

“Ik had een veel scherper profiel dan mijn voorgangers omdat ik de eerste oud-partijleider ben die, weliswaar met een tussenpoos van acht jaar, burgemeester is geworden. Ik word politieker beoordeeld, overigens meer in de media dan op straat. Dat is ook logisch, want het kost tijd om te wennen aan een nieuwe rol en de onafhankelijkheid die erbij hoort. En dat ligt ook aan de apolitieke manier waarop ik mijn werk probeer in te vullen.”

Hebben Amsterdammers hierdoor sneller een vooroordeel?

“Dat zal af en toe best. Mensen kunnen van alles van je vinden, van je achtergrond, je politieke kleur en zelfs de manier waarop je praat. Maar op het moment dat je die ambtsketen om hebt vallen veel vooroordelen weg, want je wordt dan het ambt. Als ik binnenkom als burgemeester, doen die vooroordelen er niet meer toe. Mensen leggen openheid aan de dag en dat voelt bijzonder.”

Beeld Linda Stulic

Gedragen mensen zich anders dan toen u nog politicus was?

“Ik word veel geknuffeld en ja, dat vind ik heerlijk.”

Is het voor u belangrijk te voorkomen dat u als GroenLinksburgemeester wordt gezien?

“Ik ben al acht jaar weg uit de politiek en had geen plannen de draad weer op te pakken. Ik hoef mijn lidmaatschap van de partij niet te ontkennen, maar ik ben totaal niet actief. Ik ben een progressief, en wandel ergens door het politieke spectrum. Soms voel ik mij meer thuis bij de opvatting van de een, dan weer bij de opvatting van een ander.”

“Soms is de associatie ongemakkelijk. Toen net bekend was dat ik burgemeester zou worden, liep ik hier op de Stopera een rondje over de gang waar alle politieke partijen zitten. Daar kwam ik GroenLinks-fractievoorzitter Femke Roosma tegen, die een eindje met mij opliep. Daar maakte Annabel Nanninga (Forum voor Democratie, red.) meteen van dat ik door GroenLinks werd rondgeleid in het stadhuis. Omdat ik soms in die hoek word gezet is het nettoresultaat dat ik juist meer afstand houd van GroenLinks dan van andere partijen.”

U trad aan op het moment dat het linkse college net was begonnen. Dit stadsbestuur is hierdoor vaak een mikpunt van mensen die het niet zo hebben op links. Heeft u daar last van?

“Niet zolang het niet persoonlijk wordt. Er is een neiging om mij van allerlei maatregelen het symbool te maken. Zo kreeg ik rotte eieren op mijn ramen vanwege de helmplicht voor snorscooters, terwijl ik die besluiten niet neem. Dat is mijn lot en dat draag ik met luchtigheid.”

“We hebben te maken met een coalitie die in een fors tempo verkiezingsbeloften aan het nakomen is. Met name buiten de stad vindt men dat niet altijd even prettig, net als de mensen die al langer gericht campagne tegen mij voeren.”

Wie zijn dat?

“Dezelfde mensen die een petitie begonnen tegen mijn kandidatuur voor het burgemeesterschap. Ik ben een progressieve burgemeester in een progressieve stad en dit hoort bij de functie.”

Halsema heeft de afgelopen maanden een eigen koers uitgestippeld, die op belangrijke punten afwijkt van die van haar voorganger Eberhard van der Laan. Zo stelt ze de toekomst van raamprostitutie op de Wallen ter discussie, spreekt ze openlijk over aanscherping van het kraakbeleid, een heilige graal in Amsterdam, en riep ze de vreemdelingenpolitie op te gaan handhaven op de rondzwervende groep illegalen.

De Top600 van veelplegers, een kindje van Van der Laan, krijgt een andere invulling en ze kondigde een strijd aan tegen drugshandel, waarmee ze lak lijkt te hebben aan de eeuwige tolerantie die aan dit dossier kleeft.

Waarom zoveel tegelijk?

“Als burgemeester heb ik een termijn van zes jaar. Dat is een beperkte tijd om mijn programma neer te leggen. Dat programma is bijna gereed, het fundament waarop ik bestuur voelt nu stevig. Maar vergeet niet, het gaat vooral om het aankondigen van de veranderingen. Nu breekt de fase aan waarin geld nodig is en mensen die het gaan uitvoeren. Ik heb nog vier jaar om dat uit te werken. Bijkomend voordeel is dat als je duidelijk bent over wat je wilt, men gelijk ook weet wat minder prioriteit heeft.”

Wat is de rode draad in al die veranderingen?

“In alles wil ik Amsterdam bewaken als een vrije en open stad, en dat beeld wil ik versterken. Want Amsterdam heeft een ordinairder imago dan ze verdient, vooral in het buitenland. Ik wil dat we een onconventionele en dwarse stad blijven, maar ook dat we heldere grenzen stellen aan onze tolerantie. Want als je dat niet doet, gaat tolerantie aan tolerantie ten onder, zoals filosoof Karl Popper al zei.”

“Tolerantie is iets anders dan laisser-faire en heeft als kenmerk dat het altijd schuurt. Je hebt de levensstijl en het gedrag van mensen te accepteren, ook al zint dat je niet. Het betekent dat je in deze stad te respecteren hebt dat dragqueens bij onze openbare sfeer horen, wat je religieuze, culturele of traditionele opvatting ook is. En als meisjes of vrouwen of homoseksuelen of moslims of joden zich niet meer vrij voelen op straat, staat tolerantie onder druk en dat is nu af en toe zo.”

Beeld Linda Stulic

U heeft gezegd dat de bestrijding van drugs uw belangrijkste opdracht voor de komende jaren is. Waarom wil u die juist die tolerantie beperken?

“Dat gaat met name over drugshandel. Bij vrijheid hoort dat je aangesproken mag worden op je verantwoordelijkheid, niet alleen voor je eigen gezondheid maar ook voor de sociale verhoudingen in de stad. Ik houd de vrije ruimte in stand, maar vind het wel tijd voor een volwassen gesprek over drugsgebruik. Dit betekent dus niet dat ik met wetgeving kom die gebruik inperkt.”

Is de bestrijding van drugshandel geen loze belofte als u niets in petto heeft om het gebruik in te dammen?

“In Amsterdam is het beleid altijd gericht geweest op ontmoediging en veiligheid. Dat blijft zo en deze ambivalentie bestaat ook al sinds de jaren zeventig in het landelijk beleid: drugs gebruiken mag, handelen niet. Dat is niet door mij uitgevonden en die spanning kan ik niet oplossen. Ik zie de kwetsbaarheid in dit verhaal natuurlijk ook wel. Maar als burgemeester heb ik niet de luxe om principieel te kunnen zijn. Ik moet gewoon problemen oplossen en ben hier niet aangesteld als Prinzipienreiter.”

Waarom heeft u de strijd tegen drugshandel tot uw hoogste prioriteit gemaakt?

“Omdat het onze stad en de economische verhoudingen verloedert. Er gaat te veel geld in om, waardoor kwetsbare jongeren steeds vaker bereid zijn in drugs te handelen of gerelateerde misdaden te plegen, zoals liquidaties. Deze prioriteit stond niet in het collegeakkoord, daarom heb ik het met een kunstgreep, door een rapport van Jan Tromp en Pieter Tops (De Achterkant van Amsterdam, red.), op de agenda gezet.”

Gebruikt u zelf drugs?

“Ik heb decennia geleden, zoals iedereen in Enschede, achter de kerk zitten blowen. En toen ook een keertje cocaïne gebruikt. Maar toen vond ik het zo lekker dat ik dacht: dit moet ik niet nog een keer doen.”

Hoe beïnvloedt het ambt uw persoonlijk leven?

“Ik fiets nog gewoon naar huis en krijg in restaurants regelmatig briefjes in m’n handen geduwd van mensen die mij zien zitten, en dan snel even hebben opgeschreven wat ze kwijt willen.”

“Onprettig is het bijna nooit, behalve één keer toen ik werd uitgescholden door een Ajaxfan wegens het politieoptreden bij het stadion. Mijn zoon liep naast mij. Dat was vervelend, omdat hij moest begrijpen dat niet zijn moeder, maar het ambt slachtoffer was.”

In de zomer was het privéleven van burgemeester Halsema landelijk nieuws, toen uitlekte dat haar 15-jarige zoon in gezelschap van vriendjes was opgepakt en hij een onklaar gemaakt vuurwapen bij zich bleek te hebben. Van een gewapende inbraak, zoals gesuggereerd in De Telegraaf, bleek geen sprake.

Politie en Openbaar Ministerie verwierpen de beschuldiging dat Halsema haar positie zou hebben misbruikt om de jongen een voorkeursbehandeling te geven. Ze besloot haar kant van het verhaal te vertellen in een brief aan de Amsterdammers.

Enkele weken daarna vertelde haar man en filmmaker Robert Oey in een interview dat hij het wapen als rekwisiet voor filmopnamen had meegenomen naar de ambtswoning.

U zei dat u de last van het ambt met plezier torst, was dat afgelopen zomer ook het geval?

“Die last heb ik ook gedragen, daarom zit ik hier nog. Ik heb er verdriet over gehad, omdat op dat moment mijn gezin leed onder mijn werk en bekendheid. Vooral mijn zoon werd geraakt. Dat heeft ons allemaal pijn gedaan.”

Heeft u overwogen om te stoppen met uw werk, zodat u zich kon richten op uw zoon en de rest van uw gezin?

“Nee. Ik had er hartzeer over dat mijn kind beschadigd dreigde te raken en ik heb mij als moeder schuldig gevoeld en me afgevraagd: komt dit door mij of door mijn werk? Maar het komt doordat journalisten de grens van het privédomein niet in acht hebben genomen.”

“Het zou tegenover mijn gezin een heel slecht voorbeeld zijn geweest als ik op dat moment was weggelopen. Mijn zoon had zich al schuldig gevoeld omdat hij bang was dat hij mij schade had toegebracht, hoe zou hij zich gevoeld hebben als zijn moeder hierdoor was gestopt? Die last zou ik mijn kinderen nooit willen meegeven. Zij zijn niet verantwoordelijk voor mijn werk en mijn welzijn, alleen voor dat van zichzelf.”

Waarom heeft u die brief geschreven, waarmee de privézaak toch een publiek karakter kreeg?

“Ik kon niet accepteren dat ondeugdelijke informatie over mijn kind werd verspreid, waardoor hij nodeloos beschadigd zou worden. Het tweede was de suggestie dat ik als bestuurder een doofpot had gecreëerd. Ik wilde verantwoording afleggen aan de Amsterdammers over mijn bestuurlijke integriteit.”

U legt de schuld bij journalisten die een grens hebben overschreden. Zijn u en uw gezin sindsdien voorzichtiger geworden?

“Mijn man zal niet snel meer een interview geven. Hij wilde de schuldvraag weghalen bij ons kind en zelf de verantwoordelijkheid nemen. Maar de uitwerking had, zacht gezegd, beter kunnen zijn.”

Hij maakte de indruk ongelukkig te zijn met uw functie?

“Hij moet wennen aan de sociale controle, maar ook dat is een privékwestie. Dit interview gaat over mij, en niet over mijn man en kinderen. Zijn wij voorzichtiger geworden? Tsja, mijn kinderen zijn tieners. Die moeten kunnen experimenteren. Zij moeten zich om veel redenen aan de wet houden, en zorgen dat ze het op school goed doen, maar vooral omdat het goed voor hen is en dat zij vrije volwassenen kunnen worden. Niet om mij te beschermen.”

Hoe kijkt u erop terug?

“De schrale troost is, dat dit alles mij als bestuurder onafhankelijker heeft gemaakt. Als ze geprobeerd hebben je kind te beschadigen, wat kunnen ze dan nog over mij schrijven dat nog erger is? Maar het offer is wel groot. Dat had ik liever niet gehad.”

Tijdens een debat in de raad over de kwestie zei u: ‘nu ik, u straks’. Wat bedoelde u daarmee?

“Sommige mensen schreven dat ze moesten lachen om wat ons gebeurde. Leedvermaak. Dat is logisch. Maar als we kinderen gebruiken om elkaar aan te vallen, zoals in de Angelsaksische pers gebruikelijk is, overschrijden we een grens. De aard van het werk van bestuurders en politici maakt dat we allemaal kwetsbaar zijn voor publiciteit. We leven in een mediacratie, daardoor weet u bijvoorbeeld veel meer van mij dan van burgemeester Van Hall in de jaren zestig. In een tijd waarin kinderen op Instagram zitten, worden ook zij kwetsbaarder. Maar we zullen elkaar die privésfeer moeten gunnen. Als onze gezinnen geraakt worden, zijn alle bestuurders weerloos.”

Uit onderzoek blijkt dat hoe hoger een vrouw doorgroeit in een organisatie, hoe sterker seksisme opspeelt. Van vrouwen wordt verwacht dat zij dominantie combineren met lief zijn. Heeft u met seksisme te maken?

“Laat ik als eerste zeggen dat ik denk dat ik net zo veel voordelen als nadelen ervaar van vrouw zijn. Het geeft mij ook heel vaak een prettige entree.”

Is dit een voorbeeld van lief zijn?

“Ja, dit is lief zijn. Maar het is ook waar.”

Eerst duidelijk maken hoe u het bedoelt, en dan antwoord geven?

“Nee, u maakt mijn opmerking nu opportunistisch en strategisch, en zo is die niet bedoeld. Natuurlijk ondervind ik seksisme, ik ben de eerste vrouw die dit ambt bekleedt. Het beeld dat veel Amsterdammers bij het ambt hebben is dat van een man, de burgervader. Vooral rond de huldiging van Ajax op het Museumplein werd ik hiermee geconfronteerd.”

“Elke burgemeester wordt uitgefloten, en elke burgemeester krijgt weleens een blikje naar z’n hoofd, daar was ik op ingesteld. Maar toen ik voor mij keek, zag ik een meute van honderden mannen die vooraan stonden, allemaal met hun middelvinger omhoog, die mij uitscholden voor ‘hoer’.”

Dat is naar, maar is dat ook seksisme?

“Schelden hoort er een beetje bij, en ik kan het best hebben als ik een keertje voor ‘hoer’ word uitgescholden. Ik ben tenslotte sterk geprofileerd en bekleed een functie met symbolische macht. Een man is dan een klootzak, een vrouw een hoer. Maar die kerels tegenover mij waren in hun agressie wel confronterend. Ik dacht wel even: krijg toch…!”

“Ik heb coherent gesproken, gelachen, demonstratief gezwaaid, al kan ik mij dat door alles niet meer goed herinneren. Wat ik nog wel weet, is dat ik in de auto terug ontdaan was.”

Heeft Ajax hierin een verantwoordelijkheid?

“Ik praat zelf ook met de harde kern en ik heb het wel bij hen neergelegd. Toen moesten ze een beetje blozen. Met de directie heb ik het niet apart besproken, maar iedereen heeft kunnen zien op welke manier Van der Sar en De Ligt naast mij stonden. Dat was enorm fijn.”

Gaat u weer op het podium staan als Ajax dit seizoen kampioen wordt?

“Natuurlijk! Omdat ik het ambt vertegenwoordig. Er stonden honderdduizend mensen op dat plein, onder wie ouders met kinderen, die mij achteraf hebben verteld dat ze zich schaamden. Ik sta daar namens de bevolking van Amsterdam en volgend jaar sta ik er weer.”

Beeld Linda Stulic

Heeft seksisme u belemmerd in uw werk als burgemeester?

“Een enkele keer, maar het is relatief onschuldig en het gebeurt nooit met de bedoeling mij te vernederen. Ik word in een groep bestuurders weleens voor­gesteld zo van: dit is burgemeester A, dat is burgemeester B, en daar zit Femke! Dat heeft misschien ook met mijn bekendheid te maken, bovendien ben ik mondig genoeg om er iets van te zeggen.”

“Bijvoorbeeld toen ik een paar weken geleden Sinterklaas moest ontvangen. Toen ik hem de sleutel van de stad gaf, zei hij in de microfoon: ‘Voor ons blijft u gewoon Femke hoor!’ Toen heb ik hem na afloop toch even gevraagd of hij dit ook tegen Job Cohen of Van der Laan had gezegd. Hij schrok zich een ongeluk, want de goede man was zich van geen kwaad bewust.”

“Ik vind dat ik als eerste vrouwelijke burgemeester een verantwoordelijkheid draag naar de vrouwen in deze stad. Ik weet dat er veel vrouwen zijn die zo veel last hebben van intimidatie dat zij zich daardoor onvrij voelen. Ik wil gebruik maken van de positie die ik nu heb om daar iets tegen te doen.”

U had de neiging om als burgemeester goed in de gaten te houden wat men van u vindt, bijvoorbeeld op sociale media. Doet u dat nog steeds?

“Nee. Ik ben zo verstandig geweest om in de zomerperiode, toen wij gekwetst raakten en ik af en toe weer wat las, er definitief mee te stoppen. Ik wist het al: sociale media zijn niet representatief. Een leven zonder Twitter is fijn, omdat je je realiseert hoe aardig de meeste mensen zijn.”

Als burgemeester moet je altijd aan staan. Lukt het om te ontspannen, zoals nu tijdens de feestdagen?

“Ik ben gewoon in de stad deze week en draai piket. Ik mag met oud en nieuw niet te veel drinken nee, ik ben daarom van plan om op oudejaarsnacht maar even bij de kerstboomverbranding in Floradorp te gaan kijken. Verder staan hier nog veel dozen die moeten worden uitgepakt. En ik wil weer wat koken, een hobby die ik zo heb verwaarloosd dat ik het helemaal niet meer kan.” 

FEMKE HALSEMA

25 april 1966, Haarlem

1978-1983 Havo, Kottenpark College, Enschede
1984-1985 Vrije Hogeschool, Driebergen
1985-1988 Lerarenopleiding, Utrecht
1988-1993 Criminologie, Universiteit Utrecht
1993-1997 Wiardi Beckman Stichting, wetenschappelijk bureau PvdA
1996-1998 De Balie, programmamaker
1998-2011 Tweede Kamerlid GroenLinks
2002-2011 Fractievoorzitter GroenLinks Tweede Kamer
2011-2018 Auteur van boeken Pluche, Nergensland, Macht en verbeelding, tv-maker, bijzonder hoogleraar Universiteit Tilburg, bestuurlijke functies
2018-heden Burgemeester Amsterdam

Femke Halsema woont in de ambtswoning met haar partner en filmmaker Robert Oey en hun tweeling (16). 

Femke Halsema als kind.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden