PlusInterview

Eva Crutzen: ‘Als mensen binnen moeten blijven, kunnen ze lekker mijn serie kijken’

Beeld Jitske Schols

Dankzij het tv-programma Promenade kent het grote publiek actrice en cabaretière Eva Crutzen (32) nu ook. ‘Dat je mijn show straks thuis op de bank met je coronavirus kunt bekijken, vind ik een groot goed.’

Ze is net terug van een maand vakantie, zegt Eva Crutzen terwijl ze aanschuift in Café-Restaurant De Plantage. “Noord- Italië.”

“Nee hoor,” vervolgt ze na een stilte van een paar seconden. “Ik was in Zuid-Afrika. Daar waren nog geen gevallen bekend dus het leefde niet echt, maar hier is het behoorlijk aan de hand. Ik denk eerlijk gezegd dat het allemaal wel meevalt, al moet ik zeggen dat toen ik vanochtend las dat heel Italië in quarantaine is, ik er toch wel van schrok. In dit soort gevallen luister ik naar mijn vader, gepensioneerd huisarts uit Maastricht; hij vindt het nogal hysterisch. Ik ben sowieso redelijk nuchter en positief ingesteld. En als we dan toch met z’n allen binnen moeten blijven, levert dat vast ook wel wat op. Als mensen de straat niet op kunnen, kunnen ze wel lekker tv-kijken. Naar mijn serie, bijvoorbeeld.”

Die serie… u hebt uw succesvolle theaterprogramma Opslaan Als omgebouwd tot een ‘inventieve driedelige comedy’, aldus het persbericht, ‘bestaande uit monologen die je aan het denken zetten, afgewisseld met komische scènes, sketches en muziek­video’s’.

“Van mijn vorige theatershow Spiritus is een gewone, vijftig minuten durende theaterregistratie uitgezonden. Daar was ik niet zo blij mee. Theater heeft iets magisch, op televisie komt dat veel minder goed over. Dus toen de omroep meldde dat er van Opslaan Als geen registratie zou worden gemaakt, wilde ik direct van de nood een deugd maken. Dat doe ik eigenlijk de hele tijd in m’n leven.”

“Ik had al drie seizoenen het sketchprogramma Klikbeet gemaakt voor televisie, dus ik wist al dat ik het medium leuk vond. Je kan heel andere dingen doen dan in het theater, dus ik was al bezig een eigen comedyserie te ontwikkelen. Maar dat vergt veel tijd, en dit materiaal was er allemaal al; ik vond het zonde om daar niks mee te doen.”

“Toen ik het daarover had met mijn vriend, Josèff Iping, die programmamaker is bij de VPRO, kwamen we op het idee van een registratie plus. Dus: wel het verhaal van de theatershow vertellen, maar dan opeens een videoclip ertussen, ofzo. Dat vond de omroep ook een goed idee, maar toen ik het ging uitwerken, wilde ik liever écht iets nieuws maken. Weg uit het ­theater. Zo is het idee van de serie geboren.”

Anders dan een theaterprogramma, wordt een tv-serie met een enorm team gemaakt. Hoe was dat voor u? U schijnt de boel graag onder controle te houden.

“Ja totaal. Ik ben een totale perfectionist. Ik was bezeten; ik was er dag en nacht mee bezig omdat ik het per se zelf wilde produceren. Toen ik voor Promenade werd gevraagd, stond Diederik (Ebbinge, red.) aan het roer; dat ging dan weer wel goed. Dan vertrouw ik hem helemaal. Maar als ik iets doe, en ik heb het bedacht, wil ik zelf alles bepalen: met wie ik werk en hoe ik werk. Dat was ergens ook nogal naïef, want ik had nog nooit op deze manier tv gemaakt. Het was pittig om al die petten op te hebben en het heeft dan ook weinig gescheeld of ik was totaal overspannen geworden. Als ik dat van tevoren had geweten, was ik er waarschijnlijk nooit aan begonnen. Dat heb ik wel vaker met heftige dingen; ik ga gewoon aan de slag en daarna denk ik van shit, waar ben ik aan begonnen, maar dan zit ik er al middenin en moet ik het wel afmaken.”

Beeld Jitske Schols

Wat brengt u dat?

“Ultiem geluk. Ik wilde eigenlijk twaalf draaidagen, of liever nog twintig, maar het moest allemaal in zeven, dus het waren hysterische draaidagen. Voor de eerste draaidag, die was bij mij thuis, was ik zó gespannen. Maar toen ik om me heen keek, en ik zag dat iedereen zijn ding deed, kon ik bijna huilen van geluk. Omdat ik voelde dat het gelukt was: fuck, we zijn het aan het doen. Ik vind het gaaf dat ik mijn theaterprogramma in een nieuwe vorm kan gieten voor een groter publiek. Het is me niet per se om dat grote publiek te doen, maar het feit dat je met tv een groter publiek kunt aanspreken – dat je mijn show straks thuis lekker op de bank met je coronavirus on demand kunt bekijken – vind ik een groot goed.”

Hoe is het eigenlijk gekomen dat u op de planken wilde?

“Theater heb ik niet van huis uit meegekregen. Maar mijn vader is wel een echte verhalenverteller; hij is een flamboyant figuur die graag de aandacht heeft. Op feestjes staat hij altijd de James Brown-shuffle te doen. Mijn moeder was ook creatief, ze danste en zat in een band.”

“Ik was van kleins af aan behoorlijk ­theatraal, als ik mijn familie mag geloven. Als kind was ik al theaterstukjes aan het doen. Typetjes aan het spelen. Er zijn beelden van toen ik drie was en dat ik helemaal losga op The Rolling Stones. Toen ik vier was, ging ik al op ballet. In mijn middelbareschooltijd nam ik theater- en zanglessen, en werd het serieuzer. Ik had wel een stille droom om iets met theater te gaan doen, maar het was vooral een uitlaatklep.”

U vertelt in Opslaan Als over uw moeder, die aan kanker overleed toen u elf was. Hoe bepalend is dat voor uw jeugd geweest?

Weifelend: “Ik zou mijn jeugd in Maastricht niet als heel gelukkig willen omschrijven. Het eerste gedeelte van mijn jeugd wel, maar toen mijn moeder ziek werd, ik woonde vanaf mijn derde bij mijn moeder, en hoe ik me na haar dood door mijn puberteit heb geworsteld… er waren ook wel leuke momenten, maar dat is niet de leukste periode uit mijn leven. Ik was verloren. Het was voornamelijk vechten.”

Wat dat een extra stimulans om op uw achttiende Maastricht te verruilen voor Amsterdam?

“Zeker. Mijn moeder heeft in Amsterdam gestudeerd, ze was verknocht aan Amsterdam. En mijn vader heeft een tijdje een relatie gehad met een vrouw uit Amsterdam, bij wie ik regelmatig op bezoek ging, ook nadat hun relatie was gestrand. Zij heeft me aan mijn eerste kamer geholpen, op de Cornelis Trooststraat. Zij had inmiddels een nieuwe man en ik woonde samen met zijn dochter, die al helemaal thuis was in de Amsterdamse scene. Het was een heerlijke periode; ik had het gevoel dat ik opnieuw kon beginnen.”

Deed u op de middelbare school ook al aan toneel?

“Nee, dat waren een beetje de nerds die dat deden, die overdreven dramatisch ­theatraal met elkaar in een kring op het schoolplein gingen zitten. Daar wilde ik niet bij horen.”

Op de middelbare school ging u voor het eerst naar het theater: naar Hard en Zielig van Hans Teeuwen.

“Hij is een waanzinnig zanger, hij kan geweldig pianospelen; fysiek is hij ontzettend grappig, hij kan zo veel met zijn lijf en zijn stem. De manier waarop hij een verhaal vertelt, die absurde geest van hem; er ging echt een wereld voor me open. Een soortgelijke ervaring had ik later toen ik Brigitte Kaandorp voor het eerst zag optreden. Ik zat in de nok van Carré, zij lag achter een bank met een knuffel en opeens werd het helder: dit kan dus ook.”

Uw vader stond niet te juichen toen u naar de Frank Sanders Akademie ging.

“Toen ik audities ging doen, zei hij: ‘Je bent slim, ga gewoon naar de universiteit.’ Hij wilde dat ik rechten ging studeren, dan kon ik in de rechtbank acteren. Dat heeft me wel aan het twijfelen gebracht. Maar niet lang. Ook toen ik was aangenomen, had mijn vader nog zijn bedenkingen. ‘Je kunt ook in februari nog instromen op de universiteit,’ zei hij nadat hij naar mijn eerste voorstelling op de theaterschool was geweest.”

Ervoer u dat niet als een gebrek aan vertrouwen?

“Jawel. Ik vond het belangrijk wat mijn vader vond. Ik was altijd zenuwachtig als hij kwam kijken en ik was erg op zoek naar bevestiging.”

Beeld Jitske Schols

Was er een moment waarop hij uw keuze wel volledig accepteerde?

“Mijn vader heeft me altijd voorgehouden dat je onafhankelijk moet zijn. Vrijheid is voor hem het grootste goed. Dat vind ik inmiddels ook, maar toentertijd vond ik het heel vervelend. Ik weet nog dat ik hem op mijn 21ste vertelde dat ik ging samenwonen. ‘Nee, dat moet je niet doen,’ zei hij. ‘Je moet je eigen plek houden!’ Dat vond ik zo onromantisch en irritant. Nu begrijp ik veel beter wat hij daarmee bedoelde. Het was liefde en angst van hem; o god, ze wil iets creatiefs en daar kun je geen geld mee verdienen.”

“Toen ik de publieksprijs won op het Amsterdams Kleinkunst Festival en de eerste recensies lovend waren, was hij er wat geruster op dat het goed met me zou komen. Maar ik denk dat hij stiekem soms nog steeds bang is dat het iets tijdelijks is. Hij belt me nog altijd met wijze raad. Dan heb ik in een tv-programma gezeten en zegt hij: ‘Nou, dat moet je maar niet meer doen.’ Hij is heel kritisch en hij houdt het allemaal in de gaten, maar hij kan inmiddels ook zeggen dat hij trots op me is. Dat vind ik ontroerend.”

Wanneer ontdekte u eigenlijk dat u leuk wordt gevonden?

“Ik wist eigenlijk altijd al dat ik naar de theaterschool wilde, maar toen ik naar de Frank Sanders Akademie ging, was ik voornamelijk geïnteresseerd in het serieuzere toneel. De eerste solo die ik maakte, ging over een dik meisje dat totaal geen liefde en aandacht kreeg van haar moeder, en een zus had die de perfecte versie van haar was. Aan het einde pleegde ze zelfmoord. Het was heel dramatisch, maar de mensen vonden het ook heel grappig. Dat had ik niet zo bedoeld, maar toen wist ik dat ik dat wilde doen: dramatische dingen luchtig maken. Er ook de hilariteit ervan inzien. Zo maak ik eigenlijk nog steeds programma’s.”

Na uw afstuderen belandde u bij het Haarlems Toneel, als serieus actrice.

“Ik zou er twee jaar lang een productie gaan doen, maar dat ging niet door om financiële redenen. Dat was eigenlijk een enorme opluchting, want ik was er al ziek van toen ik mijn handtekening zette bij het gezelschap. Omdat ik dacht: ik zit hier twee jaar lang aan vast. Is dit wel wat ik wil? Doe ik dit wel om de goede redenen?”

“Op de academie had ik al veel solo’s geschreven en dat wilde ik het liefst. Maar na de opleiding kwam ik erachter dat niemand erop zat te wachten. Dus na het debacle in Haarlem dacht ik fuck it, en ben ik mijn eerste solo gaan schrijven. Dat werd Bankzitten.”

U won een prijs en u kreeg direct lovende recensies. Eigenlijk is alles wat u doet succesvol. Hoe is dat?

“Lekker.”

Bent u nooit bang dat het een keer ophoudt?

“Nee, als ik bij mijn volgende programma allemaal kutrecensies krijg, deal ik daar dan wel weer mee. Dat lijkt me ook wel weer interessant: wat gebeurt er dan? Wat betekent dat voor mij? Het is trouwens niet zo dat het me allemaal is aan komen waaien; ik heb de afgelopen tien jaar héél hard gewerkt. Ik denk dat de kans groot is dat je goed in iets wordt als je dat doet waar je kracht ligt. Je moet dus doen wat je makkelijk afgaat. Bij mij is het altijd een goeie mix geweest tussen lijden en plezier. Als ik iets doe waarbij het lijden de overhand krijgt, dan weet ik: dit is niets voor mij.”

Wanneer gebeurt dat?

“Ik heb met een vriendin een pilot gemaakt voor een documentaireserie over vrouwelijke comedians uit het buitenland. Ik vond het idee heel gaaf; er is hier nog wel ongelijkheid, maar in principe is Nederland een heel feministisch land, terwijl in de landen waar wij naartoe zouden gaan het voor vrouwen levensbedreigend is om op een podium te staan. Maar terwijl we met de voorbereidingen bezig waren, voelde ik al dat dat presenteren niks voor mij is. Interviewen in het Engels, een loopje opnieuw doen, zeven keer hetzelfde zinnetje zeggen: dat kan ik niet. Dat was een belangrijke les. Als we een go hadden gekregen, had ik een zesdelige documentaireserie moeten maken. Dan had ik echt een probleem gehad.”

U bent nu bezig met uw vierde solovoorstelling: Hardcover.

“De première is pas in oktober, maar de try-outs beginnen al over tweeënhalve week. Ik heb 12.000 woorden, dat is anderhalf uur, maar het is nog lang niet klaar. Dat was ook de bedoeling; het heet niet voor niets try-out. Het is ruw, het is experimenteel. En als het helemaal niet goed valt, heb ik de hele zomer om er nog iets van te maken.”

Kunt u al een tipje van de sluier oplichten?

“Opslaan Als was een heel persoonlijk programma, dit is wat minder privé.”

Ga door…

“Oké. In Hardcover wil ik laten zien hoe goed het met de wereld gaat.”

Vindt u dat werkelijk? Er is een giga-recessie aanstaande door het coronavirus, Trump, de brexit, noem maar op…

“Ja, maar je moet de dingen wel in perspectief plaatsen. Ik denk dat we geneigd zijn om op het negatieve te focussen, niet alleen in het nieuws, maar ook in wat we met elkaar delen. Dat is deels goed, maar je moet niet overdrijven. Ik wil daarom een tegengeluid laten horen. Het zal dus ook wel weer persoonlijk worden, dat zit nu eenmaal in al mijn programma’s.”

Wat dit een stap die u bewust wilde maken na Opslaan Als?

“Nee, het heeft zich zo ontwikkeld. Een programma schrijft zich min of meer zelf; de thema’s komen voort uit waar ik op dat moment mee bezig ben. Ieder programma dat ik maak, heeft dus ook iets van verwerking in zich. Omdat je terwijl je aan het maken bent ook dingen aan het verwerken bent. Opslaan Als was bedoeld als programma over het geheugen en herinneringen, maar toen ik bezig was met schrijven liep mijn relatie van acht jaar stuk. Als ik me beroerd voel, val ik altijd terug op schrijven. Dat doe ik al van kleins af aan; ik heb dagboeken volgeschreven. Dat is iets totaal anders dan het schrijven voor een voorstelling.”

“Mijn dagboeken bevatten mijn zielenroerselen, als ik voor mijn programma schrijf heb ik altijd voor ogen dat het bruikbaar moet zijn. Toen mijn relatie uitging, had ik niet de intentie om dat in mijn voorstelling te verwerken, maar het was zo allesomvattend. Ik heb veel dingen opgeschreven, ook vanuit een soort woede, die toen ik ze teruglas best wel grappig waren. Zo werd het programma steeds persoonlijker. En het hielp tegelijkertijd bij de verwerking van mijn liefdesverdriet. Het liedje Even voor altijd heb ik samen met mijn ex geschreven. Dat was redelijk hysterisch, maar het hielp wel. Inmiddels zijn we beste vrienden. Voor mijn nieuwe programma hebben we alweer zes nummers samen geschreven.”

Hoe gaat dat precies bij u, een programma maken?

“Ik heb een bestand op mijn laptop en mijn telefoon dat heet ‘Nieuw programma’ en daar gaat alles in: van inspirerende foto’s en spreuken tot een boek dat ik heb gelezen, grappige situaties en een accent dat ik heb gehoord. Vorig jaar mei ben ik begonnen om alles in te delen: wat is mogelijk een lied, wat is een sketch, is er een rode draad? Vervolgens ben ik nog meer gaan lezen over de onderwerpen die kwamen bovendrijven. Daarna ben ik gaan schrijven.”

Probeert u dingen uit in het dagelijks leven?

“Soms wel. Als ik iets vertel wat ik heb meegemaakt en iemand moet daar hard om lachen, en ik vertel het nog een keer aan iemand anders en die moet er ook hard om lachen, dan werk ik het weleens uit. Negen van de tien keer vind ik het dan niet meer grappig. Als je iets spontaan vertelt, is het vaak veel grappiger.”

Verwachten mensen in het dagelijks leven van u dat u grappig bent?

“Ik loop niet de hele dag hysterisch en gevat en energiek rond. Je hebt van die comedians die dag en nacht grappen maken, zo ben ik niet. Ik voel me vrijer op het podium dan in het dagelijks leven, denk ik. Ik denk dat ik op het toneel wat onbeschaamder ben.”

Op het toneel kunt u zich verschuilen achter typetjes.

“Ik zeg altijd personages, ik vind typetjes een beetje denigrerend naar de typetjes zelf. Bij typetjes zie ik meteen van die carnavalsachtige situaties voor me, met een pruik op. En dat is het bij mij niet. Het zijn vaak combinaties van mensen en situaties die ik zie.”

Maakt het verschil of u een personage speelt dat u zelf hebt bedacht of creaties van anderen, zoals bijvoorbeeld in het sketchprogramma Klikbeet?

“Ja, ik vind het het leukst om het met kop en staart te maken. Daar ben ik ook het beste in. Bij Klikbeet kan dat niet altijd. Ik ben wel bij de brainstorms en ik schrijf ook mee, maar ik speel ook in scè­nes van anderen. De echte personages zeg maar, die moet ik wel zelf hebben bedacht.”

En hoe ging dat bij Promenade, de parodie op een talkshow die u maakte met Diederik Ebbinge, Ton Kas en Henry van Loon?

“Diederik had aanvankelijk in zijn hoofd dat mijn personage een soort Angela de Jong zou zijn; een kritische, serieuze vrouw. Maar toen ik het ging spelen, en een soort sophisticated pakken aan had, vonden we dat het anders moest. Ik ben andere kleding gaan passen, plaatjes gaan zoeken, en toen werd het dit: een kruising tussen allemaal verschrikkelijke, overdreven, ijdele tv-wijven.”

De kijkcijfers waren aanvankelijk beroerd; zorgde dat voor onrust?

“Er was geen totale paniek ofzo; gelukkig waren we met een clubje die allemaal een beetje schijt hebben aan wat mensen ervan vinden. Daarnaast was het een talkshow over een talkshow; dat dat mislukte was met name voor Diederik eigenlijk ideaal. Het zorgde voor gespeelde spanning in de studio.”

“Mensen kwamen al snel met tips hoe het beter kon. Collega’s, mensen op straat, mensen van de omroep… De meeste mensen om me heen begrepen het niet helemaal. Mijn vader ook niet. Terwijl ik dacht: hoe kun je het nu níet begrijpen? Wat is hier nu niet grappig aan te vinden?”

U werd een ontdekking genoemd; hebt u dat ook zo ervaren?

Ze lacht. “De andere mannen waren natuurlijk al bekender.”

Wordt u inmiddels herkend bij de Albert Heijn?

“Meer dan vroeger. Maar ik heb niet wat Diederik heeft; dat je overal wordt aangesproken en iedereen met je op de foto wil. Tot nu toe zijn het vooral lieve mensen die zeggen dat ze me grappig vinden. Het is niet iets waar ik naar uitkijk, want ik ben best op mezelf. Maar die bekendheid kan ook helpen; ik wil dit vak graag blijven doen, en ik vind het fijn als er zo veel mogelijk mensen naar mijn theatershow komen.”

Valt er eigenlijk nog wat te wensen?

“Het is een droom om in Carré te staan. Met de Frank Sanders Akademie deden we altijd onze solovoorstellingen in Klein Carré, en dan liep je door die gangen met die posters… En de akoestiek is prachtig, het is echt een magische plek. Maar mijn ambitie is wel een beetje veranderd. Er zijn nog veel gave dingen te wensen, en het is altijd leuk om ergens naartoe te werken, maar ik ben niet meer zo superambitieus als toen ik net begon. Het klinkt misschien suf, maar ik ben blij met wat het nu is. Als het gewoon dit is, als ik programma’s mag maken en af en toe een leuk tv-project kan doen, is het perfect.”

Eva Victoria Anna Crutzen

15 april 1987, Maastricht 

2009 Afgestudeerd aan Frank Sanders Akademie, Amsterdam

2012 Winnaar publieksprijs van de AKF Sonneveldprijs

2014 Soloprogramma Bankzitten

2015 Spijkers met Koppen, satirisch actualiteitenprogramma met Dolf Jansen en Felix Meurders

2016 Soloprogramma Spiritus (genomineerd voor de Neerlands Hoop)

2017 Women of the Year Nieuwkomer Award van Harper’s Bazaar

2018 Soloprogramma Opslaan Als

2019 Klikbeet, satirisch sketchprogramma met Stefan Pop, Alex Ploeg en Tex de Wit

2019 Promenade, satirische nieuwsshow gepresenteerd door Diederik Ebbinge, met Ton Kas en Henry van Loon

2020 Soloprogramma Hardcover

Eva Crutzen woont met haar vriend in De Baarsjes.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden