PlusAchtergrond

Eten in tijden van pest: ‘De hoeveelheid te voeden monden werd met de dag kleiner’

Na de uitbraak van het coronavirus sloeg een groot deel van Nederland aan het hamsteren, hoewel hier geen voedselschaarste is. Inmiddels liggen de supermarktschappen weer vol. Hoe was dat tijdens pestepidemieën uit het verleden? ‘De hoeveelheid te voeden monden werd met de dag kleiner.’

Keukenstuk (1560-1565) met verschillende personen te midden van groenten, vruchten, brood, gevogelte en vis.Beeld Pieter Aertsen / Rijksmuseum

‘Het was in het jaar onzes Heren dertienhonderd achtenveertig dat in de voortreffelijke stad Florence, de mooiste van alle Italiaanse steden, de dood en verderf ­zaaiende pestilentie uitbrak, die door de invloed van de hemellichamen of door Gods rechtmatige toorn om onze wandaden als straf over de stervelingen werd ­uitgestort. Enige jaren tevoren was deze plaag in het Oosten begonnen en had zich, na daar ontelbare mensen te hebben weggemaaid, zonder ooit te rusten in westelijke richting verbreid en daarbij in de ene na de andere streek vreselijk huisgehouden.’ Beroemde woorden, uit de Decamerone (ca. 1353-1360) van Giovanni Boccaccio, een bundel met verhalen verteld door tien jonge mensen die Florence ontvluchtten tijdens de pestuitbraak van 1348.

Van vlo op rat

De Zwarte Dood, zoals de pest ook wel genoemd wordt, is de bekendste, ergste en meest angstaanjagende epidemie uit de geschiedenis. In 1347 arriveerde de ziekte – vermoedelijk veroorzaakt door de bacterie yersinia pestis, overgedragen door vlooien via ratten en mensen – vanuit Azië in Zuid-Europa, en de volgende maanden en jaren verspreidde hij zich als een olievlek over het Europese continent. Tot in de negentiende eeuw bleven pestepidemieën regelmatig terugkomen. Pestlijders kregen grote builen in hun oksels en liezen, gezwellen vol bloed en pus, puisten en zwarte vlekken over hun hele lichaam. Ze stierven razendsnel nadat de eerste verschijnselen zich voordeden en men schat nu dat een derde van de Europese bevolking aan de ziekte bezweek, in sommige gebieden zelfs de helft.

Wat gebeurde er met de voedselvoorziening in steden in die angstige tijden? ­Ontstonden er tekorten doordat alles stil kwam te liggen en heersten er paniek en chaos? Veel minder dan je zou denken, stelt Guy Geltner, hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. “Noord-Italiaanse ­stadstaten, waarin ik me specialiseer, waren gewend aan crises als hongersnood, oorlog, beleg en epidemie en ze bereid-den zich er goed op voor. De stedelijke overheid en liefdadigheidsinstellingen zorgden bijvoorbeeld voor grote graan­magazijnen die in tijden van nood tegen een lage prijs broodgraan verkochten.” En toen Amsterdam in de zeventiende eeuw meerdere keren werd getroffen door pestepidemieën, verkochten graanhandelaren hun graan aan de stad en religieuze instellingen onder de marktprijs.

Miasmen

Tegelijkertijd bleven de markten, bakkerijen en andere winkels in tijden van ziekte gewoon open, want er was geen angst voor besmetting. Moderne medische inzichten over infectieziekten en bacteriën lieten nog wat eeuwen op zich wachten, in plaats daarvan geloofde men in miasmen – verrotte en kwalijke luchten. Geltner: “Zaken als onbegraven lijken, bloed, stilstaand water en rottend fruit werden als gevaarlijk gezien. Ze vormden een slechte sfeer, die weer tot een slechte lucht leidde. Men dacht dat je ziek werd van die luchten. Contact tussen personen werd niet per se als een ­probleem gezien.”

Pest van Phrygië (Il Morbetto), ­gravure uit 1515-1516. Beeld Marcantonio Raimondi / National Gallery of Art

Zieke mensen werden wel geweerd, net als producten uit gebieden waar de pest heerste. Zo openden steden, zowel in Noord-Italië als in de Lage Landen, spe­ciale pesthuizen voor geïnfecteerden, en werden pestlijders en hun huisgenoten in 16de eeuws Holland regelmatig op plaatsen van handel geweerd. “Preventieve maatregelen, zoals etenswaren en stoffen bij de stadsmuren controleren, waren veel ouder dan de pest. Door slim te onderhandelen tussen verschillende sectoren als de ambtenarij en de kerk, ­werden de maatregelen relatief goed na­geleefd. Zo niet, dan kon de regering best hard ingrijpen. Bedenk dat de Noord-­Italiaanse stadstaten ‘topdown-steden’ waren, en strenge maatregelen dus makkelijk ingevoerd en goed gehandhaafd konden worden,” aldus Geltner.

Uitvaert, zuipvaert

Ook in enkele Nederlandse steden ­gingen de stadspoorten dicht voor producten uit besmette gebieden. Zo beval de Haarlemse vroedschap – het vroegere bestuurscollege van een stad – in 1566 dat er geen brood uit Waterland en Kennemerland mocht worden aangevoerd omdat daar de pest heerste. Acht jaar eerder kondigde het Amsterdamse stadsbestuur al aan dat pestlijders markten, kerken en herbergen moesten mijden. Over sluitingen was echter geen sprake.

Tavernes hielden in 14de eeuws Florence ook gewoon hun deuren open, en volgens schrijver Boccaccio was daar in Florence genoeg animo voor in de donkere pesttijd. ‘Anderen (…) beweerden dat een onfeilbare remedie tegen de kwaal erin bestond te zuipen, te schransen, zingend en feestend over straat te gaan, aan iedere begeerte toe te geven en vooral over alle ellende te lachen en er grappen over te maken. En de daad bij het woord voegend, zwalkten ze dag en nacht laveloos van de ene taveerne naar de andere, en vaker nog van het ene huis naar het andere, althans als ze maar even vermoedden dat daar voor hen iets te halen viel.’

In vroegmodern Amsterdam werd het een gebruik om na een begrafenis van pestslachtoffers een lijkmaal te organiseren met veel ‘leedbier’ en wijn. Die bijeen­komsten liepen zo vaak uit de hand, dat de uitdrukking ‘uitvaert, zuipvaert’ in zwang raakte.

Uit eigen tuin

Hoewel de doden bij bosjes vielen en vele nog gezonde mensen de steden uit vluchtten, bleven de markten doorgaan. “Het sterftecijfer op het platteland lag over het algemeen lager dan in de stad en er werd nog voedsel geproduceerd,” zegt Geltner. “Daarnaast moedigden stadsbesturen families aan hun tuinen goed te onderhouden. Die lagen vaak buiten de stadsmuren – onbereikbaar als de stad belegerd werd, maar tijdens een epidemie was dat geen probleem – en stonden vol fruitbomen, moestuinen en koeien.”

Aan eten komen was dus niet heel moeilijk tijdens de Zwarte Dood. “De echte chaos ontstond rond de vraag: wat doen we met alle lichamen, want kerken en kerkhoven lagen bomvol. Het werd, hoe cru ook, steeds makkelijker om aan eten te komen, want de hoeveelheid te voeden monden werd met de dag kleiner.”

Het hoge sterftecijfer had ook gevolgen voor de lange termijn. Zo zorgde de grote hoeveelheid doden tijdens de epidemie van 1347-1351 voor economische en politieke veranderingen. Overlevenden kregen het beter: er was werk genoeg en weinig concurrentie, waardoor boeren en werklui konden onderhandelen over privileges, inkomen en werkomstandigheden. Het dieet van de armere lagen van de bevolking – in eerdere jaren door grote tekorten zeer slecht – verbeterde aanzienlijk, vooral de vleesconsumptie schoot omhoog. Wie de pest overleefde kwam er, kortom, ­sterker, gezonder en rijker uit.

Laten we hopen dat dat ook voor corona geldt. 

Markttafereel, omstreeks 1550.Beeld Pieter Aertsen / Alte Pinakothek

Crisismenu

Veel water en warme dranken, kilo’s knoflook, gember, kurkuma, kimchi en zuurkool: het internet staat vol adviezen om je immuunsysteem een boost te geven. En hoewel de meeste tips voor een gezond dieet weinig kwaad kunnen, waarschuwt de Wereldgezondheidsorganisatie dat deze producten niet beschermen tegen het ­coronavirus.

Dat is niets nieuws: ook tijdens de pestepidemieën in de middeleeuwen probeerde men van alles om maar niet ziek te worden, zoals veel jeneverbessen, azijn en mosterdzaad innemen.

Eten was in de middeleeuwen sowieso een fundamenteel onderdeel van de medische leer. Een gebalanceerde levensstijl met genoeg beweging, gezonde lucht, goed gedrag en een gebalanceerd dieet, werd gezien als de basis van een goede gezondheid.

In tijden van ziekte paste men nog meer op, zo schrijft Boccaccio in Decamerone: ‘Sommigen zagen hun heil in een oppassend en sober leven: ze vormden besloten gezelschappen, trokken zich in volkomen afzondering terug (…), maakten met het oog op hun gezondheid zeer matig gebruik van uitgelezen spijzen en edele ­wijnen en vermeden elke vorm van wellust.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden