PlusAchtergrond

Er staan geen rijen meer bij koekmakerij Van Stapele

Voor het eerst sinds jaren is het minder druk bij de beroemde koekmakerij Van Stapele. De winkel in de Heisteeg is open, maar de toeristen zijn er niet. De ‘meisjes’ zijn in coronatijd iets anders gaan doen, zoals meehelpen in de teststraat of logeren bij moeder. 

Beeld Ted Struwer

“Staan er geen rijen meer?” zegt een verbaasde klant die bij koekmakerij Van Stapele naar binnen loopt om het wereldberoemde chocoladekoekje met witte chocoladevulling te kopen. Achter de balie klinkt gelach. “Nee, de rijen zijn inderdaad weg,” zegt Vera van Stapele, eigenaar van de zaak en bedenker van het koekje. “Best gezellig, komen Amsterdammers ook eens in de winkel. En we hebben meer tijd voor een praatje.”

De afgelopen jaren moesten fietsers die via de Heisteeg naar het Spui fietsten ­slalommen langs een lange rij toeristen die er soms al om tien uur in de ochtend stond. Allemaal wilden ze naar het winkeltje met in de etalage een houten achtbaan. Vlak voor de coronapandemie over het land golfde, waren de rijen in de steeg ­langer dan ooit. Klanten stonden soms wel 45 minuten te wachten.

Geen wonder, want de winkel wordt in de Lonely Planet geroemd, en bij Trip­advisor staat Van Stapele in de top tien van ‘best shopping experiences’ in Amsterdam. In de eerste maanden van 2020 was het zelfs zo druk dat er speciale ‘steeg­managers’ waren aangesteld die, gehuld in lange jassen, de massa in goede banen moesten leiden. De rij moest wachten op de brug over het Singel.

Voor de winkelmeisjes was het hard werken: ze kwamen binnen, zeiden elkaar gedag en dan was het bakken, verkopen, bakken, verkopen. Elke tien seconden klonken er piepjes, van de ovens, van de pinautomaat, van de kassa. Dag in dag uit verkochten ze bij Van Stapele meer dan drieduizend koekjes, nu is dat minder dan de helft. “Dat is nog steeds heel veel,” zegt Van Stapele. “Maar we hebben het gevoel alsof we bijna niets te doen hebben.”

Plakkertje

Dat is niet meteen te zien. Nog steeds zit het ritme erin. Twee medewerkers maken met vlugge bewegingen de koekjes die vervolgens in de oven gaan. Nadat ze zijn gebakken en iets zijn afgekoeld, zijn ze klaar voor de verkoop. De koekjes worden dan in een papieren zakje gestoken, waarna het met een wit-goudkleurig plakkertje wordt dichtgeplakt. Altijd alles precies op dezelfde manier.

We mogen ze gerust ‘de meisjes van Van Stapele’ noemen, als moderne variant op de ooit beeldbepalende ‘gele’ brigade van de grote chocolade- en koekjesfabriek uit Zaandam – de meisjes van Verkade. Bij Van Stapele werken in de winkel alleen maar vrouwen, de meesten tussen 19 en 27; Vera van Stapele is zelf met 34 jaar de oudste. “Het zijn nichtjes, zusjes of vriendinnen van de mensen die hier al werken,” zegt Van Stapele. “Zo is het gegroeid. Elke sollicitatieronde zitten er ook jongens tussen. Soms dacht ik: dat gaat best met al die meiden. Maar dan ging het toch niet door, omdat ze niet konden op de gevraagde uren. Het is niet zo dat we niet willen, maar zo is het gelopen.”

Van de vijftig medewerkers die voor het begin van de pandemie bij Van Stapele op de loonlijst stonden, zijn er nu nog 26 over, allemaal ervaren krachten die er vaak al jarenlang werken en op een zzp’er na allemaal in vaste dienst zijn. Van Stapele: “De verbondenheid is daardoor nog groter geworden.”

Beeld Ted Struwer

Bij de lockdown in maart besloot Van Stapele te sluiten, al hoefde dat niet per se. “We wisten niet hoe ernstig het zou worden, en we werkten met veel mensen op een klein oppervlak. Daarbij kwam dat Amsterdam al heel snel veranderde in een soort spookstad. De toeristen en de dagjesmensen verdwenen en in het centrum woont bijna niemand. En dat merkten we, er liep letterlijk geen mens meer op straat. Het had geen zin om de winkel open te houden.”

De medewerkers hadden plots de handen vrij, en ze wisten nog niet hoe lang het zou duren. Velen studeren en wonen op kamers. Waar moesten zij ineens heen?

Winkelen

Roos Koekebakker (25) – ja, het is haar échte naam – liep vijf jaar geleden tijdens het winkelen met haar moeder bij Van Stapele naar binnen voor een koekje. “Ik heb een dochter en die zoekt werk,” zei haar moeder assertief. Koekebakker schreef haar naam op een briefje. “Ik dacht, ze nemen me niet serieus.” Maar het tegenovergestelde gebeurde, juist door haar naam was voor eigenaresse Van Stapele duidelijk: die moet bij ons komen werken. Inmiddels staat Koekebakker drie keer in de week achter de toonbank. “Ik denk dat ik nooit meer een leukere baan ga vinden,” zegt ze. “Het is echt een vriendinnengroep.”

Afgelopen zomer rondde ze haar studie communicatie af aan de Hogeschool van Amsterdam, en in het najaar reisde ze samen met haar geliefde Europa door. Het plan was om daarna een eerste serieuze baan te gaan zoeken. Maar die plannen vielen door corona in duigen. De vraag naar net afgestudeerde communicatie­medewerkers is ingestort. “Zullen wij een mislukte generatie blijken te zijn?” vraagt Koekebakker zich af. “Net als ik hebben de mensen met wie ik ben afgestudeerd moeite met het vinden van een baan. De studenten die na mij kwamen zijn nu ook al klaar. Gelukkig ben ik veilig in de koekwinkel, daar kan ik van rondkomen. Dus nu doe ik het nu maar even zo.”

Ook voor anderen liepen de dingen de afgelopen maanden anders dan gepland. Medicijnenstudent Mariëlle Kolk (22) viel ‘in een zwart gat’, zoals ze zegt. “Ik kwam in een soort niemandsland terecht, was elk moment van dag met het nieuws bezig.”

Bij haar studie lieten begeleidende artsen de afgelopen maanden verstek gaan, omdat ze fulltime bezig waren met patiënten op de corona-afdeling. De lessen aan de snijtafel vervielen en ook meekijken ­tijdens operaties was er niet bij. “Ik miste de routine van colleges en werkgroepen volgen en was zoekende.”

Kolk had geen zin om maandenlang thuis te zitten en gaf zich bij haar faculteit op om te helpen tijdens de coronacrisis. Vlak na het begin van de lockdown ging ze oppassen op de 4-jarige dochter van een anesthesist en een huisarts. En binnenkort gaat Kolk ook werken als ‘omloop’ in het ziekenhuis: als een soort vliegende kiep assisteert ze het verplegend personeel op de corona-afdelingen.

Haar collega Lois Melse (19) wil graag tandarts worden, maar werd uitgeloot. En dus heeft ze nu een tussenjaar. Melse meldde zich aan als medewerker voor een coronateststraat. “Een jaar geleden had ik dit niet kunnen verzinnen,” zegt Melse. “Van koekjesverkoper naar coronatester.” In beschermende kleding helpt ze de mensen die in auto’s naar de teststraat komen, een grote tent in Aalsmeer. “Op mijn eerste dag had ik meteen dertig klanten, die ik wattenstaafjes in hun neus moest steken. Gelukkig waren ze allemaal negatief.”

Melse kwam al op haar vijftiende bij Van Stapele werken, via haar oudere zus die er eerder ook al achter de toonbank stond. In haar persoonlijke leven heeft de corona-uitbraak weinig veranderd. Melse woont nog bij haar ouders, is altijd een ijverige scholier geweest en ging nooit veel uit. “Ik ben niet echt een feestbeest,” zegt ze. “Natuurlijk spreek ik af en toe af met vriendinnen, maar ik ben ook graag thuis bij mijn ouders en de hond.”

Sportlesjes

Criminologiestudent Jamie Warmelts (22) besloot naar haar moeder in Exloo te gaan. “Ik woon met vier meiden in een appartement, en dan zaten we wel heel erg boven op elkaar. Mijn moeder heeft een groot huis, daar kun je lekker naar buiten. Die twee maanden in Drenthe ben ik eigenlijk heel relaxed doorgekomen: studeren via Zoom, sportlesjes online, veel series kijken en boeken lezen. En het was heerlijk om zo veel met mijn moeder te zijn, dat had ik anders niet gehad.”

Maar ook haar plannen vielen in duigen. Warmelts zou aan het einde van haar bachelor naar Oslo gaan om aan de universiteit daar haar studie voort te zetten. Alles was al geregeld, ze was op zoek naar een huis. Dat ging dus niet door, een flinke tegenvaller, maar ook Warmelts laat zich er niet onder krijgen. “Je kunt een paar dagen boos zijn, maar dan moet je toch weer door. Ik heb me verzoend met mijn lot, het kan allemaal nog veel erger.”

Beeld Ted Struwer

Ze verlangt wel eens terug naar de tijd voor de pandemie. “Dat je dingen kunt doen zonder erbij na te denken.”

Dat waren de tijden van de jaarlijkse bedrijfsuitjes. Wintersport, Euro Disney, en dit jaar, slechts enkele dagen voor de lockdown, met de bus naar de Efteling. In Brabant waren inmiddels bijeenkomsten van meer dan duizend personen niet langer toegestaan. Ze hadden het rijk alleen, konden net zo vaak in de Python of de Baron als ze wilden. En daarna met z’n allen naar Gouda: driegangendiner, hotelovernachting, rondleiding bij de collega’s van de Stroopwafelfabriek. “We waren echt totaal niet bezig met de pandemie,” zegt de 19-jarige Aselya Weck, die medicijnen studeert. “Afstand houden van elkaar? Mondkapjes, we hadden geen idee.”

Vier dagen later kondigden ministers Bruins en Slob in een persconferentie de lockdown aan. Scholen dicht, net als bars en restaurants. En Van Stapele besloot de oven uit te zetten.

Toen de zaak na een week of zeven weer openging, besloot Warmelts weer terug te gaan naar Amsterdam. “Ik wilde graag weer gewoon werken,” zegt ze. “En omdat ik bijna niemand meer zie nu de universiteit dicht is, is het fijn om naar de winkel te gaan.”

Al is het allemaal nog niet als vroeger. Het is dezer dagen voorzichtigheid troef. Bij de toonbank zijn plastic schermen geplaatst. De meisjes werken in vaste teams om kruisbesmettingen te voorkomen. Allemaal hebben ze de corona-app op hun telefoon geïnstalleerd en houden ze zoveel mogelijk afstand. Al is dat niet altijd makkelijk in het kleine winkeltje. En een knuffel bij binnenkomst of vertrek, voor de pandemie de gewoonste zaak van de wereld, is er nu niet meer bij. Roos ­Koekebakker: “Leuk is het niet, maar het kan niet anders.”

Steun

Van Stapele zal de pandemie wel overleven, denkt de eigenaar. “We zien de mensen weer terugkomen, in de weekenden hebben we alweer een rij. Amsterdammers kunnen nu ook online bestellen en die komen afhalen in de winkel. En we zijn een bezorgdienst begonnen. Dat wilden we al langer, maar het kwam er door de drukte niet van. Mijn broer Barend brengt de koekjes rond in Amsterdam.”

Ondertussen zoeken de meisjes van Van Stapele steun bij elkaar. “De winkel is voor mij in deze tijden meer dan ooit een ankerpunt in de stad, een warme plek,” zegt Warmelts. “Premier Rutte zei in een van zijn toespraken: ‘Vraag even naar elkaar, hoe het met de ander gaat.’ Nou dat doen we bij Van Stapele! We zijn een vriendinnengroep en nu het minder druk is, hebben we als meiden onder elkaar meer tijd om met elkaar te praten, over verliefdheden, over familie, over onze studies.”

Dromen van een koekje

Vera van Stapele is de mater familias van het koekjesimperium. Ze studeerde psychologie in Groningen, maar er schuilde altijd een ondernemer in haar. Tijdens haar studie bedacht ze een zonnebrandspraymachine, opdat strandgangers zichzelf niet meer hoefden in te smeren. Een prototype stond een zomer lang bij de strandopgang van Scheveningen. “Die machine werkte prima, er zaten nog een paar kleine ­foutjes in.”

Ondertussen was Van Stapele ook bezig met een andere uitdaging: het maken van het perfecte koekje. Al op de middelbare school bakte ze een periode lang elke dag een taart. “Mijn droom was een chocoladekoekje met een vulling van witte chocolade. Maar hoe moest ik dat maken? Het werd een queeste. En toen ik het recept had gevonden, kon ik aan niets anders meer denken. Het was een alles vervullende ontdekking. Ik was er totaal door geobsedeerd, het koekje nam mijn leven over.”

De zonnebrandspray-machine verdween in de opslag. Op 1 december 2013 opende Van Stapele het winkeltje in de Heisteeg, waar ze alleen dat ene koekje verkocht, ook al zeiden mensen om haar heen dat klanten wat te kiezen moesten hebben. “Ik vond het onzin. De kracht is dat je juist géén keuze hebt.”

Van Stapele verzon niet alleen het koekje, maar bepaalde ook hoe de winkel eruitzag. Ze bedacht het achtbaantje in de etalage, ze was als kind gefascineerd door bewegende dingen in de etalage bij de Bijenkorf tijdens de kerstperiode. “Dat wilde ik in mijn winkel ook, iets wat beweegt en met lichtjes.” Ook wilde ze een grabbelton bij de toonbank. “De ­ontwerper vroeg of dat echt wel nodig was. Maar natúúrlijk wilde ik die grabbelton, dat is het ­belangrijkste onderdeel van de winkel.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden