Artikel Wit Beeld Oof Verschuren

Elke ziekte heeft een route

Plus Roos Schlikker

Ik mag niet googelen. Ik mag niet googelen. Ik mag niet… Kak. Toch gegoogeld.

Sinds de zomer toen het telefoontje kwam - “Je moet niet schrikken, hoor, maar…” - is Google mijn slechte minnaar. Het foute vriendje bij wie ik uit de buurt wil blijven, dat me lokt met mooie beloftes en me vervolgens niet kust maar slaat. Met enge statistieken, moeilijke prognoses, nare verhalen.

Niet googelen, niet googelen. Niet panikeren. Niet googelen. Niet panikeren. Niet googelen. Niet… Kak.

Almaar stort ik me in zijn armen. Net als vele anderen. Degenen zoals ik die een zieke dierbare hebben, of zij die zelf de dokter aan de lijn kregen. “We hebben uw uitslag binnen. U kunt het beste even hier komen.”

Gevolgd door een keurig slechtnieuwsgesprek. De boodschap snel en duidelijk gebracht. Een hoofdknik. U zult wel geschrokken zijn. En als antwoord op de prognosevraag de verzuchting: “Het is afwachten.”

Dan treedt de stilte in. De eindeloze vrijage met Google. De poging te wennen aan het idee dat er een leven voor dat eerste belletje was. En een leven daarna moet zijn. Een leven dat zo veel korter kan duren dan gehoopt. Omdat sommige lichaamscellen hun eigen leven leiden.

We ademen door en wachten. Op uitslag, scan, onderzoek. Met behulp van internet proberen we de ziekte te begrijpen. Maar Google vertelt ons weinig wat we willen horen. Om ons heen zien we mensen die zich druk maken om een kilootje buikspek te veel, om een collega die promotie kreeg, om een kibbelarij met hun geliefde. De luxe als dat je belangrijkste obstakels zijn.

Niet googelen. Niet googelen. Niet panikeren. Niet panikeren. Niet googelen. Ik spreek een lieve kennis. Haar man is zo ziek. Van het gif dat ze in hem spuiten. Om te zorgen dat hij niet doodgaat. Maanden na de alles opvretende behandeling kan hij onder de scan. Pas dan weten ze of het geholpen heeft.

Het wemelt van ons. De wachtenden. Mensen die vriendelijk glimlachen bij de bakker. Die op kantoor te harde grappen vertellen. Die hun kinderen uit school halen. “Dag lieverd! Fijne dag gehad?”

We rationaliseren. Uiteindelijk is iedereen stervende. Sommigen alleen iets meer dan anderen. We doen ons best. Iets met gewoon doorgaan ofzo. Maar gewoon is wel veranderd.

In wachtkamers liggen tijdschriften uit het verleden, nooit een krant van vandaag. Want vandaag doet er niet toe. Althans, niet binnen de betonkolos die ziekenhuis heet. Daar telt alleen een uitslag. Maar wat betekent hij? “Het kan goed gaan. Maar misschien ook niet.”

De gangen in het AMC zijn lang. Elke ziekte heeft een route. Oncologie: route 61. Interne geneeskunde: 56. Neurologie: 23. Honderden wachtenden schuifelen langs elkaar. Niet googelen. Niet panikeren. Nuchter blijven. Afwachten. Gewoon doorgaan. En in de stad vervolgen we onze wegen. Dikwijls zwijgend over wat ons wakker houdt. Want voor hetzelfde geld komt alles goed. Voor een hele tijd. We banjeren verder, de route volgend die bij de ziekte hoort. Een route waarvan niemand weet wanneer hij eindigt.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden