Artikel Wit Beeld Oof Verschuren

Eindelijk van het paard gestapt

Plus

“Mam! Die meneer, daarboven. Pas op! Hij springt!”

M’n hart maakt een paniekroffel als mijn zoon en ik door de Eerste Constantijn Huygensstraat rijden en hij begint te schreeuwen. Ik slinger en kijk verschrikt omhoog. Dan glimlach ik. “Nee, lieverd, dat is kunst.”

Jaren geleden schrok ik me net als hij de tandjes van How to meet an angel, het beeld van een man die boven op een ladder met zijn armen naar de hemel reikt. Je kunt daar een prachtig verheven gebaar in zien, maar ook iemand die levensmoe de sprong naar het oneindige waagt. Pas nadat ik er tientallen keren onderdoor was gelopen, verdween mijn ongemak. Ik schrik op deze plek al lang niet meer. Behalve van zijn schrik.

“Weet je op voor gebouw die man staat?” vraag ik voorzichtig. Hij schudt zijn hoofd. “Dit is de crisisdienst. Daar vangen ze mensen op die heel verdrietig zijn. Of in de war.”

“O ja,” klinkt het. “Hier kwam oma.” Ik haal adem. Natuurlijk. Hij weet dat wel. En ik weet dat hij ervan weet. De laatste jaren licht ik steeds meer tipjes van sluiers op. Toch blijf ik het lastig vinden. Depressie, zielenpijn, manie, ik zag ze onder ogen. Ik leerde zeggen: “Wat rot dat je zo ongelukkig bent”. Zonder te zoeken naar oplossingen. Ik leerde stoppen met verstoppen, ophouden met ontkennen. Maar mijn kinderen wilde ik krampachtig elke vorm van zwaarte besparen. Dus deed ik raar als zij verweesd aan mijn keukentafel zat.

De jongens lieten kunstjes zien. “Kijk oma, dan ga ik op mijn kop staan en laat een hele harde scheet!” Ze keek, maar ik wist niet wat ze zag. Ze lachte, maar geforceerd. Ik lachte, nog geforceerder. We hebben het leuk! Niets aan de hand! Het kind dat haar emoties vroeger verstopte voor haar bipolaire moeder werd de moeder die háár moeders emoties verstopte voor haar kinderen. De carrousel draaide maar door. Tot zij stierf. En ik eindelijk van mijn paard stapte.

Ik heb altijd getwijfeld of het goed was, dat ‘mooi weer spelen’. Maar ik dorst het niet te vragen. Nu rijd ik met mijn zoon door deze straat en durf het aan.

‘Schat… dat van oma, hè. Heb jij daar iets van gemerkt?”

“Nee. Ik vond haar lief. Ze bleef alleen altijd zo kort.”

“Ik was bang dat jullie er last van zouden hebben als ze verdrietig was. Dus deed ik overdreven leuk.”

“Echt? Ik wist helemaal niet dat ze vaak verdrietig was. Dat hoorde ik later.”

“En hoe vind je dat?”

“Fijn. Ik heb niks hoeven merken. Zeg mama, jij huilde nooit waar wij bij waren, hè. Zelfs niet als je heel hard je knie stootte. Huilen lukte pas toen oma dood was. Dat vond ik wel gek.”

“Ik was ook een beetje gek.”

Hij grijnst. “Gek is leuk.”

“Misschien deed ik wel te hard mijn best.”

“Je hebt het goed gedaan, mama. Dat vind ik. Hé? Moet je nou een beetje huilen? Laat eens zien? Yes!”

Ik kus zijn hoofd. Engelenhaar.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden