PlusReportage

Eerste hulp voor buitenslapers in Amsterdam: ‘Jullie moeten door God gezonden zijn’

Medewerkers van Veldwerk Amsterdam gaan in de vroege ochtend op zoek naar buitenslapers. Ze maken ze wakker en bieden een weg naar hulp. ‘Per keer zien we zo’n twintig tot dertig buitenslapers, maar dat is het topje van de ijsberg.’

Marloes de Moor
Marieke Dwars en Servano Williams van Team Veldwerk Amsterdam gaan in alle vroegte op pad om slapende daklozen te helpen. Beeld Dingena Mol
Marieke Dwars en Servano Williams van Team Veldwerk Amsterdam gaan in alle vroegte op pad om slapende daklozen te helpen.Beeld Dingena Mol

Een kille novemberochtend, net na vijf uur. Het pierenbad van het Beatrixpark, ’s zomers een plek van waterplezier, hult zich in een sinistere duisternis. De betegelde zwembadvloer glimt van de regen. Vaag de contouren van een speeltuintje. In de kromming van de arcadeboog rondom het bad, waar de lucht zwarter wordt, ontdekt veldwerker Marieke Dwars (33) een nauwelijks waarneembare welving. Op het klamme beton slaapt een man, diep weggedoken in zijn slaapzak.

Dwars knielt naast hem en maakt hem zacht wakker, zoals een moeder dat bij een kind zou kunnen doen. Hij slaat zijn ogen naar haar op: deze voor hem onbekende vrouw, die de moeite heeft genomen in het holst van de nacht haar bed uit te komen om zich om hem te bekommeren. Op haar jas prijkt het logo ‘Veldwerk Amsterdam’. Dwars stelt zich voor, vraagt wie de man is en of ze hem kan helpen. Hij blijkt half Duits, half Roemeens. Hij vertelt in het Engels dat hij als fietskoerier werkte tot zijn elektrische fiets werd gestolen en hij zijn baan kwijtraakte. Sindsdien is hij dakloos. Twee nachten heeft hij nauwelijks geslapen en weinig gegeten. Hij voelt zich niet zo goed. Dwars vertelt hem over de dokterspost op de Wallen. Daar kan hij naartoe als hij medische zorg nodig heeft. Ze attendeert hem ook op de mogelijkheden voor opvang, zoals inloophuis Amoc van de Regenboog, speciaal voor EU-burgers. Daar wil hij niet naartoe, zegt hij. “Ik doe liever dingen alleen.” Dwars geeft hem toch haar kaartje: “Voor de zekerheid.”

“Dit zien we de laatste tijd veel,” vertelt ze later. “Oost-Europeanen die werk zoeken in Nederland of hier hebben gewerkt en hun baan verliezen. Ze hebben geen geld en belanden op straat. Helaas kunnen wij ze alleen naar een inloop als Amoc verwijzen, of helpen bij repatriëring naar het land van herkomst. Omdat ze geen Nederlandse papieren hebben, kan deze groep vaak geen aanspraak maken op sociale voorzieningen.”

Van de Amsterdamse daklozen slaapt 80 procent op straat. Beeld Dingena Mol
Van de Amsterdamse daklozen slaapt 80 procent op straat.Beeld Dingena Mol

Topje van de ijsberg

Samen met haar collega Servano Williams (37) vertrekt ze naar de volgende plek. Twee keer per maand – in de winter vaker – gaan veldwerkers vanaf vijf uur ’s morgens, als de stad op zijn stilst is, op zoek naar buitenslapers. Ze kennen de plekken. Onder bruggen, overkappingen en afdakjes, in tunneltjes en portieken, tussen kartonnen dozen en bijeengezochte vodden, schuimrubber. Daarnaast beperkte bagage: een weekendtas of rugzak.

“Per keer zien we zo’n twintig tot dertig buitenslapers, maar dat is het topje van de ijsberg,” vertelt Dwars. “Onder hen zijn ook mensen die niet terechtkunnen in de opvang, omdat die vol zit. Als dit te lang duurt, heeft het gevolgen voor iemands herstel. Ook wordt het vertrouwen in de hulpverlening geschaad. Door het ontbreken van perspectief en een plek om te slapen is het daardoor lastiger om iemand naar zorg te leiden. Wel is het zo dat per 1 december de winteropvang opengaat. Dan hebben de meeste mensen een slaapplek voor de komende vier maanden.”

De veldwerkers nemen een kijkje bij de Weesperstraat, het Mr. Visserplein, de Jodenbreestraat – plekken waar buitenslapers zich doorgaans ophouden. Fonkelende kerstverlichting boven muisstille straten. Onder een winkelgalerij stukken karton, een leeg blikje bier, een fles wijn. Stille getuigen, aldus Dwars. De slaapplek is inmiddels verlaten.

Ter hoogte van Café de Sluyswacht komen de veldwerkers een bekende tegen. Williams houdt een thermoskan omhoog: “Kopje thee?” De man knikt dankbaar. Hij heeft vannacht niet geslapen en loopt wat rond. “Kom je nog in inloophuizen?” informeert Williams. “Ja, bij De Princehof, De Kloof, de kerk en Hoogte Kadijk. Een lekkere warme maaltijd krijg je daar. Goed hoor, dan blijf je intern ook warm.”

Williams geeft zijn telefoonnummer, al weet hij dat de man waarschijnlijk niet zal bellen. “Hij wil geen hulp, ook niet voor zijn verslaving.”

Niet iedereen wil hulp, maar de veldwerkers geven nooit op. ‘Het is iets van de lange adem.’ Beeld Dingena Mol
Niet iedereen wil hulp, maar de veldwerkers geven nooit op. ‘Het is iets van de lange adem.’Beeld Dingena Mol

‘Opsodemieteren’

Lang niet alle buitenslapers zitten te wachten op de komst van de veldwerkers. Soms reageren ze agressief, blaffen ze hen af met ‘opsodemieteren’ of geven ze helemaal geen reactie. Nooit geven de veldwerkers echter op. Het heeft altijd zin, vinden ze. Kleine dingen – een handdruk, een schouderklop, een kopje thee, samen een boodschap doen – kunnen iemand soms al in de richting van een ander spoor brengen.

Williams zal nooit de man vergeten die twintig jaar op straat leefde, geen hulp aanvaardde, zelfs in de vrieskou buiten wilde slapen, maar op een dag tóch de warme bus naar de opvang in stapte. Hij woont inmiddels in een eigen huurhuis. “Dat was iets van de lange adem. We zijn er jaren mee bezig geweest, maar het is gelukt.”

Dwars: “Dat zijn de succesverhalen, maar voor iedereen is het doel verschillend. Voor de een is dat hulp bij een verslaving of psychische problemen, voor de ander een veilige plek, een uitkering of een identiteitsbewijs.”

De veldwerkers rijden door naar de met graffiti besmeurde Kortjewantsbrug, waar drie slapende mannen een naargeestige geborgenheid vinden. Hun provisorisch gebouwde bedden zijn omringd door petflessen en slingerend afval. De brugdelen dreunen onder de eerste tram.

In het systeem registreren de veldwerkers wie ze hebben aangesproken en hoe de situatie van die persoon is. Soms is die zorgwekkend. “Bijvoorbeeld als iemand niet meer goed voor zichzelf kan zorgen, sterk vervuild raakt, naar urine ruikt, bevroren tenen heeft of ziek is. Dan kunnen we de GGD of de politie inschakelen.”

Zo’n zorgelijk geval is een vrouw die al langere tijd in de Teerketelsteeg slaapt. Een spoor van oude lappen leidt naar haar verblijf. Williams doet pogingen haar wakker te maken, maar ze reageert niet. Naast haar staat een jongeman een jointje te draaien. “Laat haar met rust, laat haar slapen!” roept hij. Williams en Dwars maken zich zorgen. Dwars appt de wijkagent van Bureau Burgwallen of hij er eens kan gaan kijken. “De politie is bevoegd een identiteitsbewijs te vragen. Zo kunnen we meer te weten komen over haar achtergrond en kijken wat voor hulptraject bij haar zou kunnen passen,” legt ze uit.

Bleke gezichten

Terwijl om half acht de ochtendspits op gang komt en mensen nietsziend met oortjes in naar hun werk stuiven, ontwaken onder de bruggen de buitenslapers. Hun hoofd soms tussen twee fietsklemmen in. Kleine, toegeknepen ogen in bleke gezichten, de stem nog dik van de slaap. Dankbaar warmt een Poolse man zijn handen aan de beker hete thee die Williams hem geeft.

Aan het eind van elke dienst gaan de veldwerkers naar het Centraal Station, waar veel daklozen ’s morgens komen om op te warmen. Capuchons diep over soms nog knikkebollende hoofden. Een man rolt geeuwend een sjekkie. Een ander probeert een hevig trillend been in bedwang te houden.

Dwars ontfermt zich over een dakloze man uit Hannover die naar Amsterdam is gekomen om geld te verdienen met bedelen. Maar al na één dag heeft hij een pijnlijk opgezwollen been. Hij kan nauwelijks lopen en wil terug naar Hannover, waar hij bekend is bij een arts. “In Duitsland ben ik heel beroemd, maar op een gekke manier, denk ik,” mompelt hij in het Engels.

Dwars koopt een treinkaartje naar Hengelo en een flesje water voor hem. De man heeft een vrijreizenabonnement voor Duitsland en kan van daaruit verder. Ze brengt hem tot het perron. Williams draagt zijn tas. “Thank you very much,” verzucht hij meermaals. “Jullie moeten door God gezonden zijn. Precies op het juiste moment.”

De veldwerkers sluiten hun dienst af op CS, waar veel daklozen na een koude nacht komen opwarmen. Beeld Dingena Mol
De veldwerkers sluiten hun dienst af op CS, waar veel daklozen na een koude nacht komen opwarmen.Beeld Dingena Mol

Propvolle opvang

Zo’n 450 dak- en thuislozen vinden op koude dagen onderdak in een van de acht inloophuizen in de stad. Er worden er echter ook tientallen geweigerd wegens plaatsgebrek. ‘Een schrijnende situatie,’ aldus De Regenboog Groep, die nieuwe inloophuizen wil in de stads­delen waar er nu geen zijn: Noord, Nieuw-West en Zuidoost. Elk stadsdeel telt naar schatting 650 daklozen, 80 procent van hen slaapt op straat, in een kelder­box, een bootje, een auto, of bij een kennis op de bank.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden