Plus Interview

Edwin beteugelt Camping Zeeburg: ‘Ik waarschuw twee keer’

Edwin van Nieuwenhuijse (50) waakt over de gasten van Camping Zeeburg. Elk uur maakt de nachtreceptionist een ronde over het terrein, om de orde te bewaren en geluidsoverlast te beperken. ‘Ik waarschuw twee keer.’

Edwin van Nieuwenhuijse: “Ik ben gastheer, behandel reserveringen en check-ins, beveilig de camping, bewaar de orde, verleen medische hulp en los problemen op. Kortom, het hele pakket.” Beeld Ivo van der Bent

“Slaap lekker!” “Good night!” Edwin van Nieuwenhuijse, nachtreceptionist van Camping Zeeburg, zegt het 150.000 keer per seizoen. Hij lacht: “Daarom vind ik dit werk zo leuk: de gastvrijheid!”

“Ticket, please,” zegt hij tegen iedereen die de camping wil betreden. “Ja, dat moet. We zijn hier niet op de Veluwe. Dit is een stadscamping.”

Het is 22.30 uur. Zijn dienst is net begonnen.

In het felle kunstlicht passeren groepjes jongeren uit alle windstreken de poort. Bleek. Wiebelend op hun benen. Holle ogen, wazige blik. Afwezige knikjes. Een verfomfaaid campingticket in hun hand. “Blowen. Daar komen de meesten voor. Maar ze worden er wel lekker rustig van, met alcohol krijg je veel meer lawaai.”

Tussen het jonge publiek passeren twee huisvaders op fietsen met kinderzitjes, een ouder echtpaar op wandelschoenen en een montere zestiger in geruit overhemd. Van Nieuwenhuijse is bij iedereen even streng. Hij moet het ticket zien. “Er staan achthonderd mensen op de camping. Die herken ik niet allemaal, snap je.”

Gastheer, beveiliger, ehbo’er

Al zeven seizoenen achtereen waakt Van Nieuwenhuijse bij de houten blokhut naast de poort over de campinggasten. Na 22 jaar bij een verzekeringsmaatschappij te hebben gewerkt, vond hij hier zijn roeping. In het hoogseizoen draait hij de langste diensten, van half elf ’s avonds tot half acht in de ochtend.

“Ik ben gastheer, behandel reserveringen en check-ins, beveilig de camping, bewaar de orde, verleen medische hulp en los problemen op. Kortom, het hele pakket. Als ik er écht niet uitkom, bijvoorbeeld als ik te maken krijg met hevige agressie of een noodgeval, bel ik de bedrijfsleider voor overleg. Maar meestal is dat niet nodig. Ik heb zoveel ervaring opgebouwd dat ik weet hoe ik met allerlei situaties moet omgaan.”

Van Nieuwenhuijse is geen kleerkast, maar zijn scherp gesneden gezicht straalt iets onbuigzaams uit. Soms breekt het open in een straatwijze lach. Jongeren horen het rauwe in zijn doorrookte stem. “Ze weten wat ze aan me hebben. Ik ben de moeilijkste niet. Als ze geluidsoverlast op het terrein veroorzaken, waarschuw ik twee keer. Zijn ze bij de tweede keer nog vervelend, dan neem ik de radio mee. Soms geven ze hem zelf al aan me. Bij de derde keer moeten ze de volgende dag uitchecken en wegwezen. Of een borg betalen.”

Edwin van Nieuwenhuijse (rechts) verwelkomt jonge gasten bij de ingang van Camping Zeeburg. Beeld Ivo van der Bent

Hij heeft inmiddels een eigen werkwijze bedacht om de geluidsoverlast te beperken. Al bij de ingang spreekt hij groepjes jongeren aan. “Bij de tent ben je rustig. Ga je praten, drinken, blowen en muziek draaien, dan kun je naar het plein. Daar mag je chillen,” vertelt hij ze.

Dat plein is een overkapt terras dat hoort bij de bar van de camping. “‘Chillen’ zeg ik expres hè. Dus niet ‘partyen’.”

De hele wereld ziet Van Nieuwenhuijse deze zomer aan zich voorbijtrekken. Chinezen met de auto, Turken op de fiets, ­toeristen uit Zuid-Amerika en Madagaskar. “Sommige jongeren komen niet verder dan de coffeeshop in de Molukkenstraat en vieren hun vakantie verder op de camping. Het gaat weleens mis. Dan hebben ze te veel paddo’s of spacecake genomen en belanden ze in een verkeerde trip. Ze worden met de ambulance afgevoerd.”

Zoals die keer dat een meisje onwel werd en maar bleef spugen. Van Nieuwenhuijse droeg haar over het terrein naar de ambulance. “Onderweg moest ze weer overgeven. Mijn hele shirt zat eronder. Dat hoort er ook bij.’

Nooit in discussie gaan

Met grote, verontruste ogen komt een jongen op Van Nieuwenhuijse af: “My laptop!’

Hij ligt nog aan de oplader in de receptie en die sluit om 23.00 uur. En dat Van Nieuwenhuijse onverbiddelijk is, weet de jongen inmiddels ook. “Ik kan de receptie in, maar smartphones of laptops haal ik nooit op. Dan zeg ik ‘je telefoon slaapt goed binnen, ga maar met je vrienden kletsen.’ Tja, en iedereen tussen de 18 en 24 jaar wordt dan helemaal gek,” grinnikt de nachtreceptionist. Hoofdschuddend: “Dan zijn ze hun sociale media kwijt en dat gaat niet hè.”

Gedurende de nacht maakt hij elk uur een ronde over de camping om te controleren op geluidsoverlast. Om half één is het tentveld gehuld in duisternis. In de verte de lichtjes van de Amsterdamse skyline. Spiegelglad water. Achter een blauw tentdoek flakkert een lamp. Gekromde schaduwen.“Pas op de scheerlijnen,” fluistert Van Nieuwenhuijse.

Zijn zaklamp werpt een felle lichtbundel over het tentveld. Hij nadert een groepje dat aan het chillen is rond een vierkante tafel die bezaaid is met kapot geknepen blikjes, volle asbakken, snoepwikkels, zakken chips en flessen cola. Verbaasd kijken ze op, hun ogen samenknijpend tegen het zaklamplicht. Van Nieuwenhuijse vraagt ze naar het plein te gaan om daar verder te praten en te drinken. “Ik hoorde ze op twintig meter afstand. Dat kan dus niet,” verklaart hij als hij verder loopt.

Terug op zijn post ontgaat hem niets. Geen gesmoes, geen krakend takje, geen voetstap, geen piepende fietsrem. Meermaals spoedt hij zich naar de parkeerplaats. Op zijn rug in witte hoofdletters het woord staff. Taxichauffeurs die hard het terrein op komen rijden, blokkeert hij de weg. “Stapvoets mag je hier!” En als dat leidt tot een felle reactie, steekt hij een hand op. “Werk ze nog!”

“Nooit in discussie gaan.”

Voor het hek stopt met ronkende dieselmotor een oud Volkswagenbusje. Beslagen ramen, vier jongens erin. Ze hebben al uitgecheckt en mogen vertrekken, ziet Van Nieuwenhuijse in het logboek van de receptie. Schrapend, rammelend en piepend zet het voertuig zich in beweging. Het laat een spoor van lawaai achter op de Zuider IJdijk.

De moeilijkste uren

Kwart voor twee. Een nieuwe ronde. Op het plein zit iemand te braken. “You have to clean it. With water! I will check it later,” zegt Van Nieuwenhuijse afgemeten. Hij beent door met de routine van iemand die er al honderden heeft zien spugen. Een rillinkje van afkeer schiet over zijn smalle schouders. “Het was een paar meter van de wc. Dat gaan wij echt niet opruimen.”

Op wat zacht gesnurk en gedempt gefluister na is het die nacht muisstil op het terrein. Van Nieuwenhuijse ziet drie roerloze schimmen in de duisternis. Een van hen slaapt op zijn stoel, zijn hoofd geknikt op zijn borst. “Ze zijn stil. Naar de sterren kijken mag,” constateert de nachtwacht en slaat er verder geen acht op.

Uit het toiletgebouw stapt de zestiger met het geruite overhemd. Klaarwakker nog. Hij wast zijn handen en schudt ze met grote slagen droog.

Naarmate de nacht vordert wordt het nog rustiger. De vlaggen hangen slap. Een bijna volle maan kiert tussen de wolken door. Van Nieuwenhuijse kijkt vaderlijk op zijn horloge: “Ik verwacht er nog wel een paar die terug moeten komen.”

Zijn sigaret licht roodgloeiend op. Lichten van een taxi draaien de parkeerplaats op. Drie jongens stappen wankel uit. Van Nieuwenhuijse begint nonchalant zijn vaste praatje over het chillen. De jongens horen het moeizaam aan. “Nee man, ik ga slapen. I am fucking tired,” brengt een van hen uit.

De moeilijkste uren zijn die na vieren. Dan hoopt Van Nieuwenhuijse dat er geen gelazer meer komt. “Langzaam zie je de zon opkomen. Zo mooi en stil nog. En vanavond begin ik gewoon weer. ‘Slaap lekker!’ ‘Good Night!’”

Camping Zeeburg. Beeld Ivo van der Bent
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden