Hendrikje Crebolder, directeur Development & Media Rijksmuseum

Plus

Directeur van het Rijks: ‘Ik vind gillende kinderen in het museum heerlijk’

Hendrikje Crebolder, directeur Development & Media Rijksmuseum Beeld Frank Ruiter

Als adviseur ging ze ooit doodleuk naar Kazachstan en nu is Hendrikje Crebolder (49) de eerste vrouwelijke directeur van het Rijksmuseum. Stoer? ‘Ik ga niet bungeejumpend door het leven.’

Met ferme pas loopt Hendrikje Crebolder door de Eregalerij van het Rijksmuseum, laverend door het samendrommende publiek, langs de topstukken van Johannes Vermeer, Frans Hals, Ferdinand Bol en Jan Steen, recht op haar doel af: De Nachtwacht van Rembrandt van Rijn in zijn nieuwe onderkomen, een glazen huis, waarin de restauratoren van het museum druk bezig zijn het beroemdste schilderij van Nederland te onderzoeken om het weer helemaal state of the art te krijgen. De lijst ligt er al af.

“Een beetje naakt zo,” zegt de directeur Development & Media. “Vind je niet?”

Drie jaar achter glas, hoe erg is dat?

“Het is een kans: het publiek kan meekijken met de restauratie en wordt betrokken bij het proces. Dat vinden wij belangrijk: er zijn voor zo veel mogelijk mensen. Daar doen we ons best voor. Dus moet je het schilderij goed blijven zien en tegelijkertijd vertellen wat zich afspeelt. Bezoekers worden bij het proces betrokken.”

Elke nadeel heeft zijn voordeel?

“Zo zou ik het niet…”

Dat is toch uw werk: een restauratie brengen als evenement?

“Nou, we restaureren omdat het nodig is, niet om publiek te trekken.”

Geen museum in Nederland dat meer bezoekers, sponsors en vrienden aan zich weet te binden dan het Rijksmuseum. Geen wonder. Crebolder, in 2006 na een carrière bij Baker McKenzie begonnen als jurist bij het museum en drie jaar later verantwoordelijk gemaakt voor marketing, communicatie en fondsenwerving, werd in 2017, naast Taco Dibbits en Erik van Ginkel, opgenomen in de driekoppige directie van het Rijksmuseum. Een unicum in de museumwereld.

In het trappenhuis laat ze de honderd jaar oude glas-in-loodramen zien met de namen en familiewapens van de stichters en schenkers van het museum. Zo nieuw is het nou ook weer niet wat ze doet, wil ze maar zeggen. Elders in het museum, dicht bij De Nachtwacht, staan de namen van recentere weldoeners op de muur.

U staat er zelf ook tussen met uw man.

“Ja.”

Ik mag u zeker niet vragen voor hoeveel u sponsort?

“Nee.”

Waarom eigenlijk niet?

“Misschien dat andere mensen die sponsoren het wel willen vertellen.”

Uw vriendin Mirjam de Blécourt, met wie u vroeger werkte bij Baker McKenzie, zegt: “Over sponsoring praten we nooit, dat doe je gewoon.”

“Dat wij het Rijksmuseum ondersteunen heeft er echt mee te maken dat ik ervan hou. Dat ik er echt in geloof.”

Is het moeilijk om het Rijksmuseum te verkopen?

“Verkopen? Verkopen?”

Ben ik nou te plat?

“Nee hoor, ga je gang.”

Dat is toch wat u doet?

“Nou ja, ik vind het niet moeilijk, omdat ik er dus echt in geloof. Ik ga meteen helemaal aan, als ik het over het Rijksmuseum heb. Ik vind het moeilijker om mezelf te verkopen. Het is zo belangrijk wat wij hier bieden.”

Ik bedoel natuurlijk: het Rijksmuseum verkoopt zichzelf.

“Dat zeggen ze, maar dat is niet zo. Als je nalaat de collectie relevant te maken, blijft het publiek weg en zullen sponsors zich niet melden. Bij de restauratie van De Nachtwacht werken we bijvoorbeeld met AkzoNobel. Die hebben al eerder meegewerkt met de verf op de muren van het museum. Met Philips hebben we samengewerkt op het gebied van licht. Wij denken er altijd over na hoe we elkaar kunnen versterken. En gaan dan het liefst een langdurige verbintenis aan.”

Vorig jaar trok het Rijksmuseum 2,3 miljoen bezoekers, een stijging van 9 procent ten opzichte van 2017. Er kwamen 370.000 kinderen, van wie meer dan de helft met de klas. Alleen al de blockbusters High Society en 80 Jaar Oorlog. De geboorte van Nederland trokken 875.000 mensen.

Dit jaar is het jaar van Rembrandt (hij overleed 350 jaar geleden in Amsterdam) en kan het eigenlijk alleen nog maar beter gaan. Momenteel loopt Lang Leve Rembrandt, een vrolijk zomerevenement met de huisvlijt van amateurs en professionals die even in de huid van de grote schilder kropen, of het nu in kruissteek is, mini­steck of olieverf. Dit najaar volgt nog de prestigieuze tentoonstelling Rembrandt-Velázquez.

Fijn als je dan Hendrikje heet.

“Nomen est omen. Hendrickje Stoffels was trouwens niet alleen de geliefde van Rembrandt, ze was vooral de vrouw die zijn zaken regelde. Dat is een belangrijk verhaal om te vertellen. Dat Vermeer zo lekker kon schilderen was ook dankzij zijn schoonmoeder, die een rijke weduwe was. Maar ik ben niet naar Hendrickje vernoemd. Ik ben de derde van drie meisjes en ik denk dat mijn ouders hoopten op een zoon. Mijn tweede naam is Sofie en mijn derde Chausiku. Dat betekent in het Swahili: ‘bij volle maan geboren’. Ik ben ook letterlijk bij volle maan geboren in Tanzania, waar mijn vader tropenarts was. Mijn zussen konden het niet uitspreken, dus dat werd Tatu: ‘drie’ in het Swahili. Ik word door mijn familie nog steeds Tatu genoemd.”

Kunt u zich uw jaren in Tanzania nog herinneren?

“Heel goed: de geuren en de kleuren. Ik was 2,5 toen we naar Venlo gingen, maar mijn ouders gingen vaak terug. Thuis hadden ze een soort Afrika gecreëerd. Mijn moeder liep rond in van die kleurige tunieken. Als je binnenkwam, zag je in de hal Julius Nyerere, de president van Tanzania, al aan de wand hangen. Ze zijn uit Afrika vertrokken omdat mijn oudste zusje verstandelijk gehandicapt bleek. Het mooie is: dankzij haar blijf ik verbonden met mijn verleden. Als wij in Amsterdam zijn en ze ziet een zwarte vrouw, roept ze: ‘Mama Afrika!’ En dan knikt ze even.”

Het viel vast niet mee om in Venlo te moeten wonen.

“Hahaha.”

De stad van Geert Wilders.

“Maar bij ons hing een poster van Ria Beckers achter het raam. Het waren de jaren zeventig, mijn moeder gaf les in Swahili aan ontwikkelingswerkers in spe. Ik heb er geleerd om me staande te houden. Ik heb wat Venloos geleerd, al lukte dat niet helemaal. Als ik met mijn oudste zus over straat liep…”

Daar heb je die rare familie uit Afrika.

“Een blik zei genoeg, maar ik heb me er nooit iets van aangetrokken. Het heeft me gesterkt in de gedachte dat alles kan.”

Uw moeder was dichteres.

“Ze publiceert nog steeds. Haar gevoel voor beeldtaal, voor schoonheid van woorden, heeft me enorm beïnvloed. Ze is ook een literair café begonnen.”

In Venlo?

“Ja.”

Het liep zeker storm?

“Ken je dat gevoel: plaatsvervangende zenuwen? Ik mocht altijd aan de bar zitten en dan kreeg ik een cassis en een tosti met curry. Dan zat ik te kijken: komen er wel mensen? Er waren echt grote schrijvers. Of mijn moeder las voor. Haar eerste bundel heette Een hol in de zon. Dat ging over haar gehandicapte dochter. Heel aangrijpend. Woorden waar je eindeloos over na kunt denken. Het is net als met kunst: na afloop voel je je net even anders, ben je net even buiten je geijkte kader gegaan.”

Hendrikje Crebolder: ‘Ik ben bij volle maan geboren in Tanzania, waar mijn vader tropenarts was.’ Beeld Frank Ruiter

Hoe komt een meisje uit Venlo terecht bij Minerva in Leiden?

“Op eigen initiatief. Ik moet zeggen: mijn vader had er moeite mee. Maar mijn ouders zaten in Utrecht ook bij een studentenvereniging: Veritas. De misvatting is dat het studentencorps niet maatschappelijk geëngageerd is. Dat is het wel: het is echt niet alleen bier drinken. Ik vond Leiden überhaupt fantastisch. Die hele academische sfeer.”

Lekker veilig.

“Absoluut. Daarom is het maar goed dat je geen eeuwig student meer kunt zijn.”

U woonde in het beruchte kippenhok aan het Rapenburg.

“Met meer dan 43 meisjes, maar ook daar komt uiteindelijk structuur in. Ik heb veel afgewassen. De ontspannenheid van Leiden, het vrije denken en de humor kan ik echt missen. Mijn ouders waren heel serieus.”

Heeft u in Leiden leren netwerken?

“Netwerken leer je door open te staan voor de wereld. Netwerken leer je door contact te leggen met mensen die niet precies zijn zoals jij. Ik ken alle Nijntjesboeken uit mijn hoofd, omdat ik die al mijn hele leven aan mijn oudste zusje voorlees. Na 54 jaar lacht ze er nog steeds om en vraagt ze waarom de appel moet huilen. Als ik in de slechte buurten van Venlo briefjes in de bus deed voor mijn vaders gezondheidscentrum, moest ik contact leggen met de bewoners. Zo leer je netwerken en niet door steeds mensen te zoeken die je voor je karretje kunt spannen.”

Vindt u het belangrijk dat u nu directeur bent?

“Voor mij persoonlijk? Nee. Wel voor het feit dat je er het publiek en de partners centraal mee stelt. Dat je zegt: dat vind ik een even belangrijk onderdeel van het museum als de rest. En ik ben de eerste vrouwelijke directeur van het museum. Ik geloof in evenredige representatie. Als ik kijk naar mijn dochters, denk ik...”

Een fijn rolmodel.

“Ja.”

Wilt u dat zijn?

“Ik zoek het niet op, maar ja. Het is belangrijk. Toen ik net bij Baker McKenzie werkte mocht ik stage lopen in Parijs bij Christine Lagarde, toen al een machtige vrouw. Zat ik daar aan een ronde tafel met even verderop Christine met dat hele mooie haar. Zei ze: ‘Henriette, viens ici’. Ik mocht met alles meedoen, ik heb gewoon een tijd met haar gewerkt! Ik heb haar nog ontvangen toen het Rijksmuseum net heropende. Het was fantastisch. Een vrouw die altijd doorzet, hoe het leven ook loopt.”

De museumwereld is nog steeds een mannenwereld.

“Van de groep die verantwoordelijk is voor de restauratie van De Nachtwacht is tweederde vrouw. Dat is toch interessant.”

Hoe komt het dat uw eigen afdeling vrijwel geheel uit vrouwen bestaat?

“Ik heb geen idee.”

Misschien is het omdat je er met mensen moet omgaan en niet met dingen.

“Hahaha, dat zeg jij. Het gaat met stapjes. Bij Baker McKenzie wilde een van de partners overleggen, een van de eerste maanden dat ik er werkte. Ze hadden een project lopen in Kazachstan voor een Amerikaanse cliënt die er een energie­onderneming wilde kopen. Hij vroeg me: ‘Welke man moet erheen?’ Ik zei: ‘Laat mij maar gaan.’”

Hoe was het?

“Bijzonder. We zaten in zo’n vliegtuig waar de stoelen niet helemaal vastzitten en moesten liften naar het hotel. Er kwam geel water uit de kraan en ’s avonds werd er steeds op de deur geklopt. Stond er een man voor de deur die dacht dat ik er voor heel andere diensten was. In het noordoosten van het land ligt het kernafval ongeveer op straat. In de la van mijn bureau lagen een gasmasker en een jodium­spuit, just in case.”

Bent u zo stoer?

“Nou nee, ik ga niet bungeejumpend door het leven. Maar hoe kom je anders in zo’n gebied? Op vakantie? Het was super leerzaam. Die Amerikaan had een geigerteller bij zich. Die haalde hij elke avond over de sla. Te krankzinnig voor woorden, maar je wordt er een betere adviseur door, doordat je leert je niet te snel uit het veld te laten slaan.”

Wat wilt u met het museum: nog meer bezoekers?

“Voor ons is van belang dat iedere bezoeker een optimale beleving heeft, een besef van tijd en een gevoel van schoonheid. Als je bij ons binnenkomt word je begroet, dan gaan wij de verbinding met je aan.”

Stelt u het nu niet een beetje te mooi voor?

“Hoe bedoel je?”

Mensen klagen soms dat ze vooral tegen ruggen aankijken.

“Nou zeg.”

Wat is uw favoriete tijdstip om door het museum te lopen?

“Als we net open gaan.”

Als er nog niemand is?

“Als je ziet dat er allemaal mensen naar binnen stromen, als je ziet dat het museum begint te leven.”

U woont in het centrum van Amsterdam.

“Bij de Amstel, ja. Heerlijk: het gevoel dat je onderdeel bent van een groter geheel. Ik heb van mijn zestiende tot mijn achttiende in Maastricht gewoond. Dat is een supermooie stad, maar ik vond Amsterdam een bevrijding.”

Maar, ook met dank aan het Rijksmuseum, wel een heel drukke bevrijding.

“Ik heb er geen last van. Ik vind het fijn. Mijn kinderen zijn een soort stadsdieren geworden. En wij gaan ook naar steden in de wereld, dus waarom zou ik het anderen ontzeggen om hier te komen?”

Wat vindt u van bezoekers die alleen komen om zo snel mogelijk De Nachtwacht van hun to-dolijstje te kunnen schrappen?

“Daar vind ik niets van. Het is niet aan mij om te bepalen hoe een ander het museum dient te beleven. Bovendien: ik weet uit ervaring dat je soms één minuut voor een kunstwerk kan staan en je toch even opgeheven kunt voelen. Ik geloof echt dat de fysieke beleving van het staan voor een schilderij iets bijzonders is. Dat willen wij bieden en daarom proberen we ook zoveel mogelijk mensen te bereiken. Wij werken samen met de Toppers. Mensen vragen dan: waarom met de Toppers?”

Hendrikje Crebolder: ‘Ik geloof echt dat de fysieke beleving van het staan voor een schilderij iets bijzonders is’ Beeld Frank Ruiter

Ja: waarom werkt u samen met de Toppers?

“Waarom niet? Wij willen er zijn voor iedereen.”

Is het Rijksmuseum in zijn drang naar meer niet een beetje te veel bezig met het organiseren van blockbusters?

“Wij hebben in de tuin ook Louise Bourgeois, waarmee we een vrouwelijke kunstenaar een podium geven. Dat vind ik belangrijk. En we hebben Erwin Olaf. Die heeft voor zijn expositie een klein schilderijtje uit de middeleeuwen geselecteerd van Jan Jansz Mostaert. Een portret van een Afrikaanse edelman. Op die manier laat je het hele beeld kantelen waarmee wij naar Afrika kijken. Wij hebben het geluk dat we een rijke collectie mogen beheren.”

En dan is De Nachtwacht een mooi ingangetje?

“Een ideaal ingangetje.”

Sponsors mogen van u dineren onder De Nachtwacht.

“Alleen onze hoofdsponsors.”

Wat betalen die daarvoor?

“Niets, maar ze moeten van mij wel aan hun gasten kunnen uitleggen waarom ze daar zitten.”

Is Amerika uw grote voorbeeld?

“De wereld is mijn voorbeeld.”

Maar in Amerika is de kunstsponsoring zo ongeveer uitgevonden.

“Het is een andere maatschappij. Hier zien wij de overheid als een belangrijke partner van het museum.”

Die zich steeds meer terugtrekt.

“Niet per se.”

Zei zij diplomatiek.

“Ik vind het belangrijk dat wij het met elkaar doen.”

Wat kunnen andere musea van u leren?

“Innovatief zijn, vooruit denken en echt je publiek centraal stellen. De ramen en deuren openzetten. Wij hebben sinds 2012 de Rijksstudio, waarmee we online gratis beelden verstrekken. Maar niet zomaar: de mensen moeten er echt iets mee doen. We hebben ook de serie ‘Sleutels van het Rijks’ lopen op Instagram, waarop een conservator met een bekend iemand praat. Deze keer gaat het over De Nachtwacht, een andere keer over sieraden of over onze bibliotheek.”

Weg met het sacrale sfeertje.

“Ik vind die gillende kinderen in het museum heerlijk, met hun hink-stap-sprongen. Het gevoel dat iedereen mag meedoen.”

Hendrikje Sofie Chausiku Crebolder

21 april 1970 Sumve, Tanzania

1976-1982 Sint Martinusschool, Venlo

1982-1988 St. Thomascollege, Venlo & Sint-Maartenscollege, Maastricht

1988-1989 University of Cambridge & Université Grenoble

1989-1995 Nederlands recht, Universiteit Leiden & London School of Economics & University of Cape Town

1995-1996 University of London, LLM

1997-2006 Baker McKenzie

2006-heden Rijksmuseum

Vanaf 2017 als directeur fondsenwerving, stakeholdersmanagement, communicatie, marketing en (online) publicaties.

Hendrikje Crebolder woont in het centrum, is getrouwd en heeft drie dochters.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden