Plus Interview

Directeur Amerpodia: ‘Ik geloof in de kracht van kunst’

Clayde Menso. Beeld Hilde Harshagen

Clayde Menso (42), directeur Amerpodia, over diversiteit, de kunstsector, Surinaamse roots en opgroeien in de Bijlmer. ‘De maatschappelijk werker leek het beter als mijn moeder mij ter adoptie zou aanbieden. Geen haar op het hoofd van mijn oma die daarmee akkoord ging.’ 

Clayde Menso was een jaar of zestien toen hij met een vriend jongerencentrum De Valk op het IJplein binnenstapte. Of ze er iets mochten organiseren? Dat mocht. Veel verder dan Harry Slinger met zijn hitje Ik verveel me zo in Amsterdam-Noord waren ze in het stadsdeel nog niet gekomen. Menso belde zijn neef Isaac, voorman van de Surinaamse kawinaband La Rouge. Ze kenden elkaar nauwelijks. Wat Isaac moest? Optreden? Waar dan?

“Het ging een beetje moeizaam,” zegt Menso, “maar hij is overstag gegaan. Het was een gillend succes. De tent zat stampvol. De mensen konden nauwelijk geloven dat het echt was. Ik durf wel te zeggen dat La Rouge de populairste kawinaband in Nederland was. Ze traden ook op in Suriname. In het buurthuis dachten ze: wat komen die mensen hier doen? Bedenk wel: we hebben het hier niet over het Noord van Eye en de ADAM Toren.”

Twee jaar later ging Menso studeren aan de Amsterdamse Academie voor Bank en Financiën. “Ik heb het, denk ik, zeker wel van augustus tot oktober volgehouden. Toen dacht ik: dit is niks voor mij.”

Dan maar liever feestjes organiseren.

“Feestelijk was het zeker.”

U heeft zelf ook in een band gespeeld.

“Het zal je niet verbazen dat dat in La Rouge was. Uiteindelijk. In de kawina wordt veel gewerkt met vraag en antwoord, met een voorzanger en een koor. Ik kon goed toon houden, dus ik mocht meedoen met het antwoorden. In onze muziek kwamen allerlei invloeden samen. Van de Afrikaanse ritmes van de mensen die tot slaaf waren gemaakt en in Suriname waren beland, tot de jazz, de r&b, hiphop, salsa en merengue.”

Had u er geen carrière in willen maken?

“Die band was zo populair dat we bijna altijd als laatsten moesten spelen, als de headliner. Stond je daar in Rotterdam tot vijf uur in de ochtend te wachten totdat je op kon. Dat brak me op, nog even afgezien van het feit dat ik te weinig talent had. Organiseren, dat kon ik. In 2000 liep ik stage bij Cosmic Theater van John Leerdam. Voor het 25-jarig jubileum van de Surinaamse onafhankelijkheid bedacht ik een festival, dat zich op verschillende plekken in de stad afspeelde. De kick als je zo’n rij voor Paradiso ziet staan. Daar haal ik mijn voldoening uit.”

Menso, voormalig directeur van het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK), zwaait sinds 2017 de scepter over Amerpodia: Rode Hoed, Felix Meritis, Compagnietheater en De Nieuwe Liefde. Uit het slop getrokken door mecenas Alex Mulder, die rijk was geworden met uitzendbureau Unique en met zijn fortuin graag iets voor de stad wilde betekenen.

Hij wil er verhalen laten vertellen, zegt Menso, zodat mensen zich ‘kunnen verhouden tot de grote ontwikkelingen in de wereld, of het nu gaat om big data, gender, racisme of klimaat’. In de Rode Hoed moet het gaan over politiek-maatschappelijke onderwerpen, in De Nieuwe Liefde over taal in de breedste zin van het woord. Het Compagnietheater is er voor de multidisciplinaire kunst, terwijl in Felix Meritis, dat in maart weer opengaat na een grote renovatie, geprogrammeerd wordt op het snijvlak van kunst, wetenschap, technologie en ondernemerschap in de 21ste eeuw.

Hoeveel kan er gepraat worden in een stad?

“Het zit vol bij ons.”

We hebben ook nog De Balie en Pakhuis de Zwijger.

“Daar zit het ook vol, avond aan avond. De behoefte om elkaar offline te ontmoeten en van gedachten te wisselen is ongelooflijk groot.”

Waar praat u over als Mulder langskomt?

“Over zijn Bachcollectie.”

Wil hij geen inhoudelijke bemoeienis?

“Ik zeg dit niet omdat hij zo belangrijk is voor ons, maar eerlijk waar, Alex Mulder is een bijzondere man. Hij heeft er geen enkele behoefte aan om vooraan te staan of zijn naam op de gevel te zien. Hij is iemand met een groot hart voor de stad en gelooft erin dat hij mensen tot elkaar kan brengen door ze een plek te bieden voor een gesprek. Hij is enorm geïnteresseerd in wat hier gebeurt. Maar veel vaker gaat het over wat ons raakt, over wat ons drijft en over de schoonheid van kunst.”

Heeft hij u een missie meegegeven?

“Maak de huizen weer relevant. Zorg dat ze weer een bijdrage leveren aan het culturele en maatschappelijke leven in Amsterdam. En probeer dat zo te doen dat je zo min mogelijk afhankelijk bent van welke partij dan ook. Dus: op een ondernemende manier. Maar hij heeft zijn geld niet in de Amerpodia gestopt om er rijk van te worden. Dan kun je wel een paar andere dingen bedenken.”

U schreef onlangs met de voormalige directeur van de Stadsschouwburg Melle Daamen een stuk in NRC, waarin u het diversiteitsbeleid in de kunstensector failliet verklaart.

“Wij schreven dat het al dertig jaar aan goede bedoelingen niet ontbreekt, maar dat er nog steeds een overwegend wit en vergrijzend publiek in de zalen zit. Ook als je kijkt naar de directies, de raden van bestuur en de raden van toezicht. Dan zie ik een wereld die niet helemaal overeenkomt met wat ik zie als ik hier uit het raam kijk. Er gebeurt te weinig. Het diversiteitsbeleid is van papier en als we niet oppassen blijft het van papier.”

Clayde Menso. Beeld Hilde Harshagen

Hoe komt dat?

“Kennelijk is het nog steeds erg verleidelijk om te kiezen voor de mensen die eruitzien zoals jijzelf. Je zou verwachten dat de kunstensector creatief is, voorop wil lopen, maar als het erop aankomt, zijn we niet altijd in staat om onszelf opnieuw uit te vinden. Zolang de zalen vol zitten en de recensies lovend zijn, is daar ook geen noodzaak toe.”

U suggereert dat de wal het schip gaat keren in Amsterdam.

“We verliezen in elk geval een groot deel van de bevolking in de stad met het risico dat straks de zalen leeg blijven. Behalve dat: we verliezen ook een hoop mooie verhalen.”

Waarom vindt u het zo belangrijk dat er een divers publiek naar de theaters gaat?

“Omdat ik geloof in de kracht van kunst: dat het kan raken en ontroeren.”

Maar als mensen er nou gewoon zelf geen zin in hebben?

“Dat geloof ik dus niet. Dat vind ik een te gemakkelijke uitweg. Het kan toch niet zo zijn dat je in een land waarin zoveel mensen van verschillende pluimage wonen, één specifiek deel van de bevolking bedient.”

U pleit in het stuk voor een nieuwe verzuiling.

“Zodat mensen met verschillende achtergronden in elk geval de kans krijgen om hun kunst en cultuur te ontwikkelen.”

Wat moet ik me voorstellen? Een avondje voor de moslims, een avondje voor de Surinamers en een avondje voor de boze witte mannen?

“Grappig dat je de verdeling op die manier maakt.”

Hoezo?

“Mensen groeperen zich allang niet meer alleen op basis van etniciteit. In De Nieuwe Liefde hadden we een avond over straattaal. Dat gaat dwars door alle culturen en etniciteiten heen. Zwart, wit, jong, oud, taalwetenschappers en literatuurliefhebbers – alles zat door elkaar. In de Rode Hoed loopt al drie jaar de talkshow Skin Deep over het ingewikkelde gesprek tussen zwart en wit. Dat wordt gevoerd met elkaar en niet over elkaar.”

De kunstinstellingen moeten van wethouder Touria Meliani een actieplan diversiteit en inclusie maken om nog voor subsidie in aanmerking te komen.

“Daar ben ik wel voorstander van. Als jij gebruikmaakt van gemeentelijke gelden, zul je je op de een of andere manier moeten verhouden tot de mensen die belasting betalen. Dat is geen slechte gedachte. Als we willen dat de plannen die we schrijven niet weer in een la terechtkomen, zullen we er consequenties aan moeten verbinden als ze niet worden uitgevoerd.”

Keihard afrekenen.

“Waarom niet? Dat doe je ook als een instelling jaar in jaar uit slechte producties levert.”

Er is veel kritiek.

“Waarop?”

Op de verplichting een actieplan te schrijven.

“Dat weet ik niet.”

De overheid zou de kunsten zijn eigen moraal op willen leggen.

“De kunstensector is vrij om te doen en te laten wat het zelf wil, maar op het moment dat je steun vraagt van de overheid gaat het om publiek geld. Dan is het niet gek als daar voorwaarden aan verbonden zijn. De kunstinstellingen zeggen al jaren dat ze diversiteit en inclusie nastreven, maar de resultaten zijn er niet naar.”

Daar hebben ze een strenge overheid voor nodig?

“Ik zit helemaal niet te wachten op een strenge overheid, maar…”

De Amsterdamse Kunstraad adviseert het personeel te trainen op een inclusieve werkhouding.

“Ik ken die trainingen.”

Sommige mensen noemen dat heropvoeding van overheidswege.

“Ik zou ook liever zien dat de instellingen realistisch naar zichzelf kijken en dan zelf bedenken wat er nodig is om de volgende stap te maken.”

De Kunstraad zegt ook dat onder het mom van het recht op vrije meningsuiting het inclusieve klimaat in de stad wordt bedreigd.

“Je hoort het de laatste tijd veel: ik mag tegenwoordig ook niks meer zeggen. Ik denk eerlijk gezegd dat er iets heel anders aan de hand is: je mag net zoveel zeggen als voorheen, alleen zijn er nu meer partijen die een weerwoord geven. Mensen van de tweede en derde generatie die zich medebewoner achten van dit land en er soms een andere mening op na houden. Dat is juist het spannende van de tijd waarin we leven: hoe verhouden we ons ten opzichte van elkaar. Wie heeft het voor het zeggen?”

“Ik hoop dat mensen naar elkaar blijven luisteren. Dat er niet alleen maar geschreeuwd wordt om te schreeuwen, maar dat je probeert nader tot elkaar te komen. Wat heeft het voor zin als je na een avond bij ons naar huis gaat en denkt: heb ik toch even lekker mijn punt gemaakt?”

Dan heb je in elk geval een scherp debat gevoerd.

“Het hoeft voor mij geen circus te worden. Ik heb liever dat je naar huis gaat en denkt: zo had ik er nog niet naar gekeken. Dat je, als het even kan, geraakt wordt op menselijk niveau.”

Diversiteit, zegt hij, is hem met de paplepel ingegoten. Geboren in de Tweede Constantijn Huygensstraat in Oud-West, verhuisde hij op zijn zevende naar Zuidoost, waar hij op basisschool Bijlmerdrie les kreeg met kinderen van 28 verschillende nationaliteiten.

“Voor mij was dat niet gek of vreemd, dat was gewoon hoe de wereld was. Ik zat met kinderen in de klas die net uit Bolivia kwamen, op een panfluit speelden en daarover vertelden in het kringgesprek. Maar ook met de kinderen van een Groene-redacteur en van schrijfster Anna Enquist. Daar ging ik mee naar het Vossius Gymnasium. Pas later ben ik gaan beseffen hoe bijzonder dat was.”

Er zaten ook nare kanten aan de Bijlmer.

“Ik was zeven, dan stel je bepaalde dingen niet ter discussie. Het was wat het was. Natuurlijk: als ik naar de markt ging op Ganzenhoef, zat het er vol dealers en gebruikers. Het werd gedoogd, het was laisser-faire. Als je de mensen niet lastigviel, vielen ze jou ook niet lastig. Ik ben er misschien een beetje meer streetwise van geworden, maar als je me vraagt wat voor mij de Bijlmer typeert, is dit niet het eerste wat in me opkomt.”

Wat wel?

“De meerstemmigheid. In de Bijlmer heb ik er de schoonheid van gezien. En ik ben er gaan begrijpen hoe belangrijk het is dat mensen die niet tot de mainstream behoren wel een stem krijgen. Maar die narigheid? Ik ben behoorlijk beschermd opgevoed door mijn oma. Als de school was afgelopen, was het: een kwartier later ben je thuis, anders zwaait er wat.”

Bent u opgevoed met ambitie?

“Ik ben opgevoed met het idee dat je hard je best moet doen in het leven. Maar ik heb het voor een belangrijk deel zelf moeten doen. Op het Vossius Gymnasium zaten veel kinderen van wie de ouders en grootouders er ook al heen gingen. Dat had ik niet. Als ik thuis kwam en Latijn moest leren of wiskunde, kon ik aan niemand hulp vragen. Dat is met mijn kinderen wel anders.”

Waarom bent u door uw oma opgevoed?

“Omdat ik een heel jonge moeder heb. Ze was zeventien toen ze zwanger van me was. De maatschappelijk werker leek het beter als ze mij ter adoptie zou aanbieden. Geen haar op het hoofd van mijn oma die daarmee akkoord ging. Dus werden mijn ooms en tantes mijn broers en zussen.”

En uw vader? Was die in beeld?

“Mijn vader en moeder waren geen setje, dat is een gegeven, maar dat wil nog niet zeggen dat hij een flierefluiter was. Het was een liefhebbende man, die goed voor zijn kinderen zorgde – ik was niet zijn enige kind. We dragen allemaal zijn naam. Toen ik vijftien was, is hij overleden.”

Met het risico dat u nu mijn hoofd eraf bijt: het is wel erg Surinaams, de afwezige vader.

“Hij was niet afwezig, hij was alleen niet samen met mijn moeder. Misschien is het van een bepaalde generatie, maar zoiets wordt snel een stigma. Als ik om me heen kijk, zie ik veel Surinaamse vaders die bewust bezig zijn met het vaderschap.”

Hoe belangrijk is Suriname voor u?

“Het is het land waar mijn ouders vandaan komen. En mijn oma. De cultuur, het eten, ik heb het van huis uit meegekregen. Ik was zes maanden toen ik er voor het eerst kwam en ik kom er nog steeds graag.”

U bent er met uw zoon geweest.

“Met zijn tweeën, toen hij zeven was. Ik dacht: het is toch gek dat hij nooit in het land van zijn voorouders is geweest.”

Wat liet u hem zien?

“Het beste van Suriname. Het is grappig hoe dat werkt: als je hier mensen van buiten ontvangt, laat je ook de grachten zien. Normaal gesproken bezoek ik familie en loop een beetje door de stad, maar die keer wilde ik zó graag laten zien hoe mooi het land is. We zijn dolfijnen gaan spotten in zo’n bootje op de Surinamerivier. Ik wist niet eens dat dat kon. Hij vond het fantastisch en ik stiekem ook. We zijn naar het Nola Hatterman Instituut geweest, de kunstacademie van Suriname waar Rinaldo Klas, het jongste broertje van mijn oma, directeur was. En naar plantage Frederiksdorp, dat tegenwoordig een museum is. Had ik ook nooit gezien.”

Heeft u uitgezocht hoe het met het slavernijverleden van uw eigen familie zit?

“Ze werkten, om het maar positief te zeggen, op plantage De Uitkijk. De tot slaaf gemaakten kregen op een gegeven moment de kans om eigenaar te worden en die hebben ze gepakt. Het gebied waar hun huisjes stonden, is nog steeds in familiebezit. Het is nu een strijd tegen het oerwoud om de huisjes te behouden, maar we gebruiken, hoe zeg je dat, die plek als…”

Uw eigen camping Bakkum!

“Ja, hoe gek dat ook klinkt. Voor ons zijn het vakantiehuisjes, maar dan wel in het volle bewustzijn van wat daar is gebeurd. Onder de Kankantrieboom liggen de navelstrengen van onze voorouders begraven. Fantastisch. Als je daar bent, voel je de geschiedenis.”

Ook iets om aan uw zoon te laten zien.

“Toen we er waren, was de weg ernaartoe helaas onbegaanbaar. Hij is er nog nooit geweest en mijn dochter ook niet. Het gaat ongetwijfeld komen. Weet je: vlak voor we uit Suriname vertrokken, zaten we te eten en keek mijn zoon me aan. ‘Pap,’ zei hij, ‘ik vergeet dit nooit meer’. Kippenvel. Ik voelde het overal tintelen en dacht: mission accomplished.”

Clayde Menso

25 januari 1976, Amsterdam

1982-1988
Basisschool Bijlmerdrie

1988-1991
Vossius Gymnasium

1991-1995
Waterlant College (vwo)

1995
Amsterdamse Academie voor Bank en Financiën

1997-2001
Hogeschool van Amsterdam, Cultureel Maatschappelijke Vorming

2011-2013
Inholland, post-hbo bedrijfskunde

2013-2017
Business School Nederland, MBA

1999-2002
Freelance producer

2002-2007
Programmamanager Cultuur bij Stichting DOEN

2007-2013
Adjunct-directeur van het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK)

2013-2017
Directeur van het AFK

2017-nu
Directeur Amerpodia

(Rode Hoed, Felix Meritis, Compagnietheater en De Nieuwe Liefde)

Clayde Menso woont met zijn vrouw en twee kinderen in Amsterdam-Noord.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden