PlusAchtergrond

Dianne (24) groeide op met zeven oma’s: ‘Van elk leerde ik lessen die alleen een oma je kan leren’

null Beeld Sophie van Boven
Beeld Sophie van Boven

Het is de droom van ieder kleinkind: door spelingen van het lot en de liefde groeide journalist Dianne Bleeker (24) op met zeven grootmoeders. Maar ondanks de warme band en extra cadeaus was het niet alleen maar leuk.

Dianne Bleeker

Als kleindochter maak je maar een klein deel mee van het leven van je oma. Je ­ontmoet haar als ze al op leeftijd is en zij maakt alleen jouw jonge jaren mee. Als je geluk hebt dan, want natuurlijk groeien ontzettend veel mensen op zonder.

In die zin zou je kunnen zeggen dat ik de jackpot heb gewonnen; ik groeide op met zeven oma’s. Niet allemaal bloedverwanten, noch allemaal elk jaar op mijn ver­jaardag, maar toch: zeven vrouwen mocht ik mijn oma noemen. Wat betekent dat woord, die band dan eigenlijk? Nu ik zelf volwassen ben, vraag ik me dat vaker af. Daarom stap ik in de trein naar Groningen – waar ik opgroeide – om erover te praten met mijn familie en de vijf oma’s die ik nog heb.

Ik ben een jaar of 8. Oma Bleeker en ik staan voor de spiegel. Ze kamt haar geverfde bruine haar met een grove roze kam, bovenaan zie ik grijze haartjes terugvechten. Ik vraag me af hoe ze eruitzag als jonge vrouw. “Oma,” vraag ik, “zie je jezelf nog als je in de spiegel kijkt?” Ze blijft even stil, kijkt naar mij en weer in de spiegel. “Als ik nu in de spiegel kijk, zie ik een oude vrouw,” zegt ze. “Maar ik voel me nog jong.”

Hoe kom je aan zeven oma’s? Die vraag heb ik als kind vaak beantwoord, maar het verbaast me als mijn moeder bij thuiskomst aan mij vraagt: wie dan allemaal? Ik ben grootgebracht in twee gezinnen. Mijn ouders gingen uit elkaar voor ik een jaar oud was en vonden allebei snel daarna een nieuwe partner. Mijn stiefouders of bonusouders – kunnen we alsjeblieft een ander woord verzinnen? – heb ik altijd als mijn eigen ouders beschouwd.

Beetje valsspelen

Ik neem het mijn moeder niet kwalijk dat ze even op haar vingers moet tellen als ze het rijtje afgaat. Mijn ouders hebben allemaal een moeder, dat zijn vier oma’s. De vader van mijn moeder en de vader van mijn stiefmoeder zijn beiden gescheiden en kregen een nieuwe partner, dan zit je op zes. En de oma van mijn vader – officieel mijn overgrootoma – leefde tot haar 97ste; zo kom je uit op zeven.

Misschien een klein beetje valsspelen, want aan vier van hen ben ik biologisch gezien niet verwant, maar ik noemde ze allemaal oma en ze spelen stuk voor stuk een rol in mijn leven. Ieder heeft mij op haar eigen manier beïnvloed en van ieder heb ik lessen geleerd. Lessen die je alleen van je oma kunt leren.

Oma Gorredijk woont in een klein dorpje in Friesland, vandaar de naam. Gek eigenlijk, hoe zo’n naam ontstaat. Ik heb oma’s die ik bij hun voornaam noem, oma’s die ik bij hun achternaam noem, maar bijvoorbeeld ook opa Kriebelbaard, omdat zijn baard zo kriebelt als hij je een kus geeft.

Tot mijn twaalfde had ik zeven oma’s, vier opa’s, vier ouders, drie broertjes, een zusje, tien tantes, negen ooms, tien nichtjes en zes neefjes. Met die cijfers had ik altijd iets te vertellen bij een voorstelrondje of een spelletje ‘2 leugens 1 waarheid’, maar verder was opgroeien met zo’n grote familie evengoed een vloek als een zegen.

null Beeld Sophie van Boven
Beeld Sophie van Boven

Mijn zeven oma’s hebben nooit met elkaar in één kamer gezeten. Als product van een co-ouderschap krijg je veel dubbel: cadeautjes, vakanties, verjaardagen, fietsen, feestdagen, familieleden. Tegelijkertijd gaan alle tijd en spullen constant door de helft. Als ik bij mijn vader was, was ik niet bij mijn moeder en andersom. Als gevolg daarvan kreeg ik al vroeg te maken met fomo: Ik was continu bang belangrijke momenten te missen. Als ik een week bij mijn vader was, miste ik bijvoorbeeld het wekelijkse tripje op zondag naar oma Erna, de moeder van mijn moeder.

Weer verloren van oma Erna met Barricade. De barricadeblokjes zijn door de jaren heen kwijtgeraakt en vervangen voor knopen met een bruin motiefje. “Zullen we nog even wandelen?” vraagt mijn moeder. Zo gaan de middagen bij oma: Barri­cade, wandelen om de vijver en dan terug naar de kamer in het verzorgingstehuis. Toch is er iets anders vandaag. Eenpootje, het manke eendje dat we iedere week tegen­komen, is weg. Ik verdacht hem er stiekem van dat hij zijn poot introk als wij kwamen, om meer eten te krijgen. Slim: hij past zich aan zijn omgeving aan, net als ik.

Oma Erna was niet de leukste oma voor een kind. Ik kon er niet logeren, want ze woonde in een verzorgingstehuis. Ze praatte weinig, ademde zwaar en glimlachte veel naar me. Ik werd er altijd een beetje ongemakkelijk van. Ze breide paarse dekens en kussenslopen voor mijn verjaardag, al was paars al lang niet meer mijn lievelingskleur. Uit beleefdheid durfde ik dat nooit te zeggen.

Schuldgevoel

“Mam, hoe kijk jij eigenlijk terug op je moeder?” vraag ik aan de eettafel. “Vroeger wilde ik graag dat mijn moeder veel moderner was,” zegt ze. “Dat ze leuke kleren aandeed of een goed gesprek met me voerde.” Dat herken ik meteen. Die schaamte naar de buitenwereld heb ik als kind ook vaak gevoeld.

Een serieus gesprek was niet mogelijk met oma Erna. Bovendien vertelde ze me elke keer weer hetzelfde verhaal. “Toen je nog een heel klein meisje was, paste ik op. Dan sliep je in een houten ledikant aan het voeteneinde van mijn bed. Als ik wakker werd, stond je glimlachend naar me te ­kijken. Heel stil, alsof je me niet wakker wilde maken.”

De eerste paar keer wees ik haar erop dat ze me dit verhaal al had verteld, later deed ik alsof ik het elke keer weer voor het eerst hoorde. Ik had vaak een schuldgevoel als ik op zondag niet meeging naar oma, zoals ik wel vaker een schuldgevoel had als ik weer eens een verjaardag miste.

“Gefeliciteerd,” zegt oma Pietens. Ze drukt me een envelop in handen met biljetten erin. Hoewel ik haar wel oma noem, voel ik met de moeder van mijn stiefmoeder het minst een oma-band. Ze komt niet steevast op mijn verjaardag, maar ik ook zeker niet op die van haar.

Met zoveel familieleden heb je veel ­mensen om je heen die van je houden. Maar bij houden van horen ook bepaalde verwachtingen – tenminste, dat dacht ik toen ik jong was. Ik heb heel lang mijn best gedaan om met iedereen een band te onderhouden, soms zelfs ten koste van mezelf.

Met een rugzakje

Als je 54 familieleden wil blijven zien, zou je iedere week minstens één familie­lid moeten bezoeken om niemands verjaardag te missen. En dan zie je iedereen maar één keer per jaar. Onmogelijk. Niemand verwacht dat, maar die verwachtingen legde ik mezelf op. Inmiddels ben ik er wel achter dat je niet met iedereen een even goede band kunt hebben en dat dat ook oké is.

Mijn moeder belt mijn Opoe op voor haar 97ste verjaardag. Bijzonder, want het is de oma van haar ex, mijn vader. Ze ziet Opoe niet vaak. “Nog drie jaar tot de burgemeester langskomt,” zegt mijn moeder in de telefoon. “Van mij hoeft de burgemeester niet langs te komen, ik heb liever dat jij een keer langskomt.” Mijn moeder reageert opgewekt. “Dat gaan we doen!”

Het stereotiepe beeld van kinderen met gescheiden ouders is vrij treurig. Een verdrietig kind met een rugzakje, geslacht­offerd door een co-ouderschap, dat elke week haar spullen heen en weer pendelt. Niets is minder waar. Hoewel er zeker momenten zijn geweest dat ik het lastig vond me continu aan te passen, heb ik ook enorm veel perspectieven op het leven meegekregen, mooie eigenschappen ontwikkeld en fijne familie eraan over­gehouden. Ik ben extreem onafhankelijk, hecht me niet snel aan plekken en pas me gemakkelijk aan nieuwe situaties aan.

Oma Metus heeft Instagram, Facebook, zelfs Snapchat. Ze stuurt gifjes vol hartjes of bewegende stickers op WhatsApp. Al snapt ze de digitale etiquette minder goed. Op familiedagen moet je oppassen, voor je het weet sta je op haar tijdlijn, met volle mond aan tafel of voorovergebogen in een iets te korte jurk tijdens een potje jeu-de-boules.

In de trein terug naar Amsterdam overdenk ik nog eens dat woord. Oma. Drie ­letters waarbij iedereen meteen een beeld heeft. Een oppasoma, een verzorgings­tehuis-oma, een demente oma, een afstandsoma, een Facebookoma, een kaartjesoma, een envelopoma. Ik kreeg zeven perspectieven, die allemaal groter bleken dan die banale categorieën.

Dat had niemand me duidelijker ­kunnen maken dan Oma Erna. Uit de ­verhalen van mijn familie komt een veel sterkere vrouw naar voren dan ik me had kunnen voorstellen, alleen kende ik haar toen nog niet. “Naarmate ik ouder werd, kreeg ik steeds meer respect voor haar,” zijn de woorden van mijn moeder die ­blijven hangen. “Ik leerde om niet te snel te oordelen.”

Nachtjapon in de sloot

Mijn oma Erna was een alleenstaande bijstandsmoeder met vijf kinderen. Ik leerde dat haar eerste man gewelddadig was en haar tweede man, mijn opa, bij haar wegging. Dat ze meerdere psychoses doorstond, zichzelf in haar nachtjapon probeerde te verdrinken in een te ondiepe sloot, zich slapend hield in het ziekenhuis omdat ze haar leven niet veel meer waard vond. Dat ze andere mensen om hulp moest vragen om voor haar eigen kinderen te kunnen blijven zorgen.

null Beeld Sophie van Boven
Beeld Sophie van Boven

Als ik dan weer opnieuw terugdenk aan die glimlachende vrouw die er steeds voor koos om toch een lieve herinnering met mij te delen, heb ik spijt. Spijt dat ik haar alleen maar heb gekend toen ze oud was en zelfs toen niet altijd tijd voor haar maakte. Wat moet ze een sterke vrouw zijn geweest, een overlever, denk ik in de trein. Ze is overleden, maar haar eigenschappen zijn niet verdwenen. Terwijl ik dit opschrijf, hoor ik mezelf zwaar ademen, net als zij.

Familie kies je niet, wordt altijd gezegd. In mijn geval was dat anders. Ik had de luxe om te kunnen kiezen naar welke oma ik die week wilde gaan. Familie, dat waren de mensen voor wie ik koos, en vooral ook: die onvoorwaardelijk voor mij bleven kiezen.

Ik open het postvakje van mijn nieuwe huis in Amsterdam. Zes wenskaarten. Mijn oog valt op een ervan, met afzender: ‘opa en (o)mia’. Hoewel opa erbij staat, weet ik zeker dat oma Mia de kaart schreef. Ik scheur de envelop open voor ik mijn kamerdeur bereik. ‘Je bent een topper’ staat op de voorkant. Na de twee intense weken sinds ik naar de andere kant van het land ben verhuisd, maken de kaartjes me vrolijker dan ik had gedacht. Als we allemaal maar ons best blijven doen om elkaar te zien, denk ik.

Ik sla mijn poëziealbum open, waar vijf van de zeven oma’s een gedichtje in hebben geschreven toen ik een baby was. Mijn blik valt op een gedichtje dat opa Metus voor me schreef, vlak nadat mijn moeder mijn stiefvader ontmoette – zijn zoon. Vanaf het begin heb ik me hun kleinkind gevoeld, besef ik. Hoewel mijn opa geen J.C. Bloem is, trekt er nog steeds een warme rilling over mijn rug als ik het lees.

‘Het leven gaat razend vlug,
jouw babytijd is al achter de rug.
Toen ik jou als klein meisje leerde kennen,
hoefde ik niet eens aan jou te wennen.
Je was direct mijn kleine meid,
en ik wil je dan ook niet weer kwijt.’

null Beeld Sophie van Boven
Beeld Sophie van Boven

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden