PlusInterview

Deze kinderarts praat dagelijks over eetstoornissen en mishandeling: ‘Mijn werk is nooit luchtig’

Kinderarts Annemarie van Bellegem: ‘Je kan echt prima herstellen van een eetstoornis.’ Beeld Ivo van der Bent
Kinderarts Annemarie van Bellegem: ‘Je kan echt prima herstellen van een eetstoornis.’Beeld Ivo van der Bent

Kinderarts Annemarie van Bellegem (46) zag tijdens de pandemie het aantal kinderen met ernstige problemen fors toenemen. Dagelijks praat ze met pubers én ouders over eetstoornissen en mishandeling. ‘Rauw verdriet went niet, en ik zou ook niet willen dat het went.’

Kinderarts Annemarie van Bellegem legt haar vingers gespreid op de tafel. De ene nagel is paars gelakt, de volgende groen. Paars, paars, groen – er valt geen ritme in te ontdekken. “Deze nagels breken het ijs,” zegt ze. “Kinderen en pubers vinden het geweldig.”

Nagellak als gespreksonderwerp. Het is een detail misschien, maar als je werk bestaat uit écht contact maken met kinderen met een eetstoornis of slacht­offers van kindermishandeling, wat Van Bellegem tot haar metier heeft gemaakt, kun je naast een portie oprechte interesse wel een paar felgelakte nagels gebruiken. Ook al zal de afdeling hygiëne en infectiepreventie van haar ziekenhuis Amsterdam UMC er vast wat van vinden.

Van Bellegem (46) zit op een terras aan de Kinkerstraat, niet ver van haar woning, die ze met haar kinderen van twaalf en veertien gaat verruilen voor een appartement in Amsterdam-Noord. De katten Sambal en Wasabi gaan mee. “Ik ga het missen, ja. Als ik op een zaterdagochtend door de Kinkerstraat loop, kom ik zo tien mensen tegen met wie ik een praatje maak. Ik vind dat heerlijk. Maar ik vind het ook te druk worden hier. En met twee tieners op 75 vierkante meter wordt het wel wat krap.”

Voor haar staan een yellow smoothy en een croissantje. Ze zwaait naar bekenden op de fiets, zegt ‘bedankt schat’ tegen de serveerster en oogt ontspannen en opgewekt. Van Bellegem kwam in het nieuws omdat zij en haar collega’s van het Emma Kinderziekenhuis constateerden – al eind 2020 – dat in het Amsterdam UMC een stijging van 33 procent was in het aantal aanmeldingen van kinderen met anorexia. Tevens was er een duidelijke toename van het aantal kinderen dat helemaal weigerde te eten en drinken. De kinderartsen zagen ook ernstiger verwondingen bij een verdenking van kindermishandeling: meer botbreuken en vaker hersenletsel.

Gaandeweg deze pandemie worden de contouren van de mentale problemen steeds scherper. Het aantal kinderen dat ernstige psychische problemen krijgt, stijgt de komende jaren met 50 procent, voorspellen onderzoekers van Amsterdam UMC.

Van Bellegem heeft het dus nog steeds heel druk. De stijgende lijn van aanmeldingen zet door en de wachtlijsten in de eetstoornissenzorg zwellen aan. Het interview moest op het laatste moment worden verplaatst vanwege een spoedoverleg. De dagen zijn hectisch.

“Er spelen een paar ernstige casussen, waarbij mensen met een eetstoornis in nood zijn. Bij kinderen, bij wie er een kans is op overlijden, roept dat heftige emoties op bij degene zelf, de ouders, maar ook bij het team. Dat vraagt om constant schakelen en praten, praten, praten, want die emoties staan het beleid soms in de weg. Heel concreet: de dag dat ik moest afzeggen, moesten zorgprofessionals handelingen verrichten waarvan ze vonden dat ze te heftig waren. Als mensen huilend tegenover je staan, moet je daar natuurlijk tijd voor vrijmaken.”

Om wat voor handelingen gaat het dan?

“Onvrijwillige handelingen. Als iemand, vanuit zijn ziekte, besluit niet meer te eten en te drinken en in levensgevaar komt, mogen en moeten wij alles doen om die persoon in leven te houden. Dat betekent ook onvrijwillig voeding toedienen met een sonde. Dat probeer je in overleg met iemand áltijd te voorkomen, want dat zijn heftige ingrepen, maar soms, hoe ­verdrietig ook, kan het niet anders. Het gaat vaak over het trauma bij de mensen die het moeten ondergaan, maar er wordt meestal voorbijgegaan aan het effect op mensen die het moeten uitvoeren.”

Is dat niet iets wat je kunt leren, zonder dat het je zo aangrijpt?

“Dat denk ik wel, maar het blijft moeilijk. Want het ingewikkelde van een eetstoornis is dat je vaak iemand tegenover je hebt die een dubbele gedachtestroom heeft. Iemand heeft gezonde gedachten, maar ook eetstoornisgedachten, en je weet nooit met wie je het gesprek aan het voeren bent. Als je iemand onder dwang voeding moet geven, heb je al snel het gevoel dat je tegenover de persoon zelf staat. Dat maakt het zo moeilijk.”

Wat zijn de dingen die u dan te horen krijgt?

“Je moet je voorstellen: tijdens zo’n moment moet je bij iemand alle controle wegnemen. Dat gaat heel ver, dus je kan van alles naar je hoofd geslingerd krijgen: ‘Ik haat jou’, ‘Jij maakt me dood’, ‘Je gunt me niks’, ‘Je bent een kutwijf’... Dat kan allemaal. Vaak zit je een paar minuten later met een hoopje huilend mens in je armen omdat iemand heel verdrietig is. Want dát zit er natuurlijk onder. Je kunt dit werk ook alleen maar doen als je denkt: waar komt dit vandaan?”

Is dat te beantwoorden: waar komt het vandaan?

Van Bellegem gaat er even goed voor zitten. Ze pakt pen en papier en begint te tekenen. Hersenen, kwabben, de hypothalamus. Dít is belangrijk, zegt ze, want er zijn veel misverstanden over eetstoornissen.

“We weten dat heel veel factoren een rol spelen. Kinderen die iets hebben meegemaakt, bijvoorbeeld mishandeling of misbruik, lopen meer risico. Maar je moet ook aanleg voor een eetstoornis hebben om die te kunnen ontwikkelen. Vervolgens moet er een trigger voorbijkomen, bijvoorbeeld veel social-mediagebruik, waar picture perfect de norm is. Ergens onderweg moet er ook een focus op eten of gezondheid komen. Als iemand gaat lijnen en afvalt, krijgt die persoon vaak complimenten, want mensen vinden het sterk en krachtig als je controle over je eet- en beweeggedrag kunt houden. Door die positieve reacties komen er stoffen vrij die een goed gevoel geven. Uit onderzoek weten we ook dat het brein van iemand met anorexia een eufoor gevoel van honger krijgt. Datzelfde hongergevoel roept bij mensen met overgewicht juist een angstig gevoel op.”

Het brein werkt eigenlijk precies ­omgekeerd?

“Ja, wij krijgen vanuit de hypothalamus – onze boordcomputer – een signaal dat we moeten eten. Als ik weet dat ik zo een tosti krijg, gaat er bij mij al iets in werking waardoor ik denk: fijn! Mensen met anorexia krijgen juist een positief gevoel als ze het eten hebben weten te vermijden. Sterker nog: als ik een hamburger voor iemand met anorexia neerzet en zeg ‘Dit moet jij opeten’, ontstaat er een enorme stressreactie. Alsof je iemand een brandend huis in stuurt. Wat doe je als je stress hebt? Wegwezen!”

‘We beseffen niet zo goed dat dokters ook mensen zijn.’ Beeld Ivo van der Bent
‘We beseffen niet zo goed dat dokters ook mensen zijn.’Beeld Ivo van der Bent

“Mensen gaan vermijden. En de eetstoornis zal alles doen om te zorgen dat het lichaam geen energie tot zich hoeft te nemen. Dat is het gedrag dat je ziet, mensen gaan liegen en bedriegen. Je krijgt als het ware twee personen met twee gedachten in één lichaam: een opsplitsing van de gezonde kant en het zieke deel.”

Hoe kan het dat mensen met anorexia zichzelf te dik vinden?

“Wij hebben een radartje in ons brein dat signaleert hoe groot en breed we zijn. Je weet of het past als je ergens tussendoor moet. Bij anorexia is die radar stuk. Althans, bij het inschatten van het eigen lijf. Er is een onderzoek gedaan waarbij ze gezonde proefpersonen en mensen met anorexia door deuren lieten gaan die steeds smaller werden. Mensen met anorexia zag je, als ze door de deur liepen, eerder draaien. Ze denken dat ze veel meer ruimte innemen dan dat ze doen. Als jij denkt dat je veel dikker bent, en dat juist is waar je bang voor bent, dan is alles, even lullig gezegd, fucked up. Dan kunnen mensen wel zeggen dat je te dun bent, maar wie geloof jij? Toch echt je eigen brein. De hele eetstoornis is een mindfuck. Ik leg het aan ouders altijd als volgt uit: ‘Je moet er de discussie niet over aangaan, want dat is alsof ik tegen jou ga zeggen: je pink is je langste vinger.’ Wat je aan iemand met anorexia wel kan uitleggen, is dit: je radar is stuk en hij kan weer herstellen.”

Als klein meisje woonde Van Bellegem aan de rand van het bos, waar ze halfdode dieren naar huis sleepte in de hoop ze weer te kunnen oplappen. Vaak waren de patiënten niet meer te redden en moest vader Van Bellegem – jurist én microbioloog – ze figuurlijk dan wel letterlijk de nek omdraaien. Ik koos altijd het zwakste, het kleinste.”

Ze is altijd wars van vooroordelen en uiterlijk vertoon geweest. In haar tiener­jaren kleedde ze zich uitgesproken, ‘met kistjes en een kale kop’. Ze danste veel. En dat doet ze nog steeds. Op festivals en in dansstudio’s. Salsa, hiphop, Afrikaans... Máár, zegt ze, ze laat zich niet leiden. “Ik ben te eigenwijs om me door een man of wie dan ook te laten leiden. Ik heb heel erg een niemand-vertelt-mij-wat-te-doen-gevoel. Dus als iemand mij gaat vertellen welke kant ik op moet dansen, nee, dan blokkeert alles. Dan ga ík leiden.”

Thuis in Hattem werd hard gewerkt. Moeder in de hr, vader bij het ministerie van Vrom. “De boodschap was altijd: ­kansen pakken, je brein benutten.” Van Bellegem had voldoende drive uit zichzelf. Na een paar keer te zijn uitgeloot, en een periode te hebben opgevuld met de studie gezondheidswetenschappen, werd ze uiteindelijk toch toegelaten tot de opleiding geneeskunde in Nijmegen.

Haar kracht is een oprechte en een bijna onbegrensde interesse in de persoon tegenover haar, zegt een jeugdvriendin, tevens kinderarts. Die interesse is er niet alleen in de spreekkamer, maar ook daarbuiten. Op feestjes raakt ze niet zelden in een mum van tijd verwikkeld in een diep gesprek met een wildvreemde. Waar anderen ophouden met vragen stellen, begint Van Bellegem pas.

Veel artsen in opleiding zijn in het begin vooral bezig met de medisch technische zaken en hebben daardoor minder ruimte voor empathie voor de patiënt. Voelde u dat ook zo?

“Het is een inderdaad een struggle geweest om daar te komen waar je jezelf kunt zijn. We beseffen niet zo goed dat dokters ook mensen zijn. En dat een arts uiteindelijk het meest bereikt als je die menselijkheid inzet tijdens het werk. Ik miste in de opleiding de inzet van dat intuïtieve stuk. Ik tune in bij wie er tegenover me zit en ik probeer te kijken, te luisteren, te voelen wat daar gebeurt. Ik leerde op de opleiding hoe het hart en vaatstelsel werkt, hoe de nieren werken, maar nauwelijks hoe je gesprekken goed moest voeren.”

Paste u wel op deze opleiding met uw niemand-vertelt-mij-wat-te-doen-gevoel?

“Ik zat in Nijmegen, waar de opleiding een beetje conservatief is, en daar voelde ik me niet thuis. Ik was te uitgesproken. Ja, én de hiërarchische setting, daar had ik ook moeite mee. Ik was excentriek. Ik had een neusbelletje. Niet dat de patiënten daar problemen mee hadden, maar sommige dokters wel. Dan zei zo’n arts: ‘Wat heb jij voor een corpus alienum (lichaamsvreemd voorwerp, red.) in je neus?’ Dat ik echt dacht: dude, is dat hoe jij kijkt naar mensen?”

Denkt u dat de jongere Annemarie van Bellegem, met neusbel, nu wel wordt geaccepteerd?

“Ja, dat denk ik wel. Het maakt wel uit in welk ziekenhuis je werkt. Op mijn eerste dag in het Amsterdam UMC zag ik een onwijs leuke dokter met hippe rode laarzen met zwarte stippen en ik dacht: ja, ik ben thuis! Hier werken mensen die zichzelf zijn en gewaardeerd worden om wat ze doen. Dat is ook waarom ik er nog steeds met veel plezier werk en me heb kunnen ontwikkelen tot de dokter die ik ben geworden.”

U wilde eigenlijk ic-arts worden, maar werd uiteindelijk kinderarts sociale pediatrie. Vanwaar die switch?

“Ik ben iemand die houdt van snel resultaat. Maar toen sociaal pediater Rian Teeuw vroeg of ik een fellowship bij haar wilde doen, dacht ik: dit is precies wat ik heel ingewikkeld vind. Dat ik moest werken met slachtoffers van kindermishandeling en misbruik vond ik verschrikkelijk moeilijk. Lichamelijk onbegrepen klachten, ook ingewikkeld. Eetstoornissen: help! Maar ik dacht ook: hier voel ik veel weerstand, dus hier kan ik veel leren. Uiteindelijk heb ik er toch voor gekozen. Ik weet nog heel goed dat ik voor de eerste keer tegenover een zeventienjarig meisje met een eetstoornis zat. Ze was ook suïcidaal en ik dacht: help, waar moet ik beginnen?”

U zag ook op tegen het werken met slachtoffers van kindermishandeling. Wat is daarin het meest ingewikkeld?

“Het onbegrip. Ik probeer altijd te ­snappen waarom mensen doen wat ze doen, maar dat je je kind mishandelt of misbruikt vind ik moeilijk te begrijpen.”

Hoe kweekt u dan toch een vertrouwensband met die ouders?

“Ik ben geen waarheidsvinder en dat is ook niet mijn rol. Dus heel vaak weet je als kinderarts ook niet precies wat er is gebeurd. Ik kijk in elk geval altijd naar het gezamenlijke doel: het kind veilig het leven in sturen. Ook ouders die hun kind hebben mishandeld, streven in de basis dat doel na. Kindermishandeling gebeurt vaak uit onvermogen. Stel: de ouders zijn volledig overspannen en hebben in een heel heftig moment hun kind geslagen. Bij de ouders zit dan vaak ook een schuldgevoel en een verborgen hulpvraag. Je basishouding is daarin heel belangrijk. Als ik bij zo’n gesprek binnenkom en denk: ja, jij, jij hebt iets gedaan met je kind wat niet oké is... Dan is dat zo anders dan wanneer ik zeg: ‘Dit letsel kennen we bij slaan. Wat is er gebeurd?’ Ik probeer een veilige setting te creëren voor de ouders. Ook vanuit de gedachte dat we ze daarna hopelijk kunnen helpen.”

En dan komt er een moment dat u een kind van wie u vermoedt dat hij of zij het ziekenhuis in is geslagen, moet laten gaan. Dan weet u: dit kind ligt vanavond weer in het eigen bedje.

“Ja, en dat is moeilijk. Waar stopt je verantwoordelijkheid? In Nederland hebben we daar onder meer het advies- en meldpunt Veilig Thuis voor. Dat helpt bij het maken van een inschatting of de situatie veilig is, of een kind naar huis kan en wat er aan begeleiding nodig is.”

Koppelt u dingen die u in uw werk meemaakt weleens naar uw privéleven, naar uw eigen kinderen?

“Natuurlijk. De Amsterdamse zedenzaak in 2010, waarbij seksueel misbruik plaatsvond in onder meer kinderdagverblijven, was daarin heel heftig. De slachtoffers kwamen bij ons in het Amsterdam UMC voor onderzoek, zorg en begeleiding. Dat waren kinderen van wie we wisten dat ze waren misbruikt. Mijn eigen kinderen waren in diezelfde leeftijd. Dat raakt je.”

Jeugdfoto van Annemarie van Bellegem. Beeld
Jeugdfoto van Annemarie van Bellegem.

“Mijn referentiekader is natuurlijk ook extreem. Ik zie vooral de zelfkant van de maatschappij. De mensen die volledig vastgelopen zijn, maar dus ook dit. Dat heeft mij alleen maar gesterkt om in het hier en nu te kunnen zijn en te genieten van dat andere stuk: dat ik twee mooie, gezonde kinderen heb, waar ik enorm van kan genieten. Natuurlijk zijn er patiënten door wie ik diep, diep, diep ben geraakt, maar ik probeer altijd te kijken wat ik kan doen en wat mijn taak daarin is. En dán kan ik het aan. Onrecht en ellende waar ik géén invloed op heb, daar heb ik pas moeite mee. Daarom kan ik ook niet naar het nieuws kijken.”

Dat is een opvallende discrepantie, dat u in uw werk de meest verschrikkelijke dingen ziet en dat u het achtuurjournaal moet wegzappen omdat u het niet aankan.

“Omdat ik een sterk rechtvaardigheidsgevoel heb, wil ik ook iets doen aan de ­problemen die ik voorbij zie komen. Als ik hoor dat vrouwen in India worden verkracht, dan zelf beschuldigd worden en in brand worden gestoken, heb ik de neiging naar India te gaan en de mensen te vertellen: ‘Hé hallo, dit is niet hoe het hoort!’”

Welke patiënt of welke situatie blijft u bij?

“Ik kan daar niet heel gedetailleerd in zijn, want ik zit met mijn beroepsgeheim, maar er zijn echt kindermishandelings­zaken die mij extreem raken. Bijvoorbeeld jonge kinderen die geschud worden en komen te overlijden. Dat blijft zó verdrietig. Dan krijg je kinderen binnen die bijna dood zijn, of die al dood zijn. Wat ook heel diep in je gaat zitten, is het verdriet van een ouder die zijn kind verliest, zeker als dat op een acuut moment gebeurt. Dat is een geluid, een oerkreet. Dan moet ik zelf ook hard huilen. Niet bij de ouders, want daar heeft niemand wat aan. Maar later wel.”

Is dat gevoel anders bij een kreet van ouders op wie de verdenking rust dat ze het kindje hebben geschud?

“Nee, dat maakt misschien nog wel meer indruk. Omdat daar juist nog meer dubbel verdriet zit, namelijk het verdriet van onvermogen en schuldgevoel.”

Als u terugdenkt aan zo’n patiënt, hoort en ziet u dan opnieuw het verdriet van de ouders?

“Ja, dat is zo groots en niet te vatten met woorden. Dat is rauw verdriet. Dat went niet, en dat zou ik ook niet willen, dat het went.”

Denkt u weleens: wat een vak?

“Nou, ik zie vooral anderen weleens naar me kijken alsof ik een alien ben. Maar ik hou van mijn werk. Ik vind de gesprekken met pubers fantastisch. Dat rauwe en onbehouwene af en toe. Bij volwassenen zitten er allemaal laagjes van beschaving overheen. Bij kinderen is het puur.”

“Wat ook zo mooi is aan dit werk: het maakt allemaal indruk, want het is nooit luchtig. Ik wilde op de ic het snelle resultaat, maar nu kan ik al blij worden van een mooi gesprek. Of dat je met iemand in een traject met veel wanhoop en uitzichtloosheid hebt gezeten en het dan tóch goed komt. Want dit is een belangrijke boodschap: je kan echt prima herstellen van een eetstoornis. Driekwart van de kinderen herstelt, anderen houden klachten en er is een héél klein percentage dat overlijdt.”

“Ik heb mensen behandeld die er zo slecht aan toe waren dat ze het volgens het boekje helemaal niet hadden kunnen overleven. Toch zijn ze er nog en hebben ze kwaliteit van leven; beperkt, maar toch. Dan kan ik daar met mijn boekenkennis naar kijken en denken: wauw, fascinerend dat een mens zo’n sterke drang heeft om hier te blijven.”

“Als dokter kun je iemand ook maar een stukje op weg helpen en dan moet die persoon het zelf gaan doen. En mensen kunnen soms veel meer dan je ooit had vermoed of gedacht. Dat maakt nederig. En ja, natuurlijk, er is veel narigheid, maar je ziet ook ouders die de meest verschrikkelijke dingen met hun kinderen hebben meegemaakt en daar toch, op de een of andere manier, zingeving aan geven. Er schuilt ook moois in ellende.”

Annemarie van Bellegem

8 December 1974, Groningen

1986-1992 Gymnasium, Thomas a Kempis ­college, Zwolle
1993-1995 Gezondheidswetenschappen, Nijmegen
1995-1998 Geneeskunde, cum laude afgestudeerd
1998-1999 Basisarts Tanzania
2005 Opleiding tot kinderarts afgerond (Emma Kinderziekenhuis, Amsterdam UMC)
2008 Fellowship sociale pediatrie AMC
2008-heden Kinderarts sociale pediatrie, Amsterdam UMC, expert eetstoornissen

Verder werkzaam als arts bij het Centrum voor Seksueel Geweld (CSG) en het Landelijk Expertise Centrum voor Kindermishandeling (LECK). Een van de initiatiefnemers van het kenniscentrum over eetstoornissen K-EET.

Van Bellegem woont in Amsterdam met haar twee kinderen (12 en 14). Ze heeft een vriend met wie ze een latrelatie heeft.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden