PlusAchtergrond

Deze eilanden zijn een verborgen paradijs in Amsterdam: ‘Hier geen commerciële joehoe’

De palmentuin op Prinseneiland. Beeld Ivo van der Bent
De palmentuin op Prinseneiland.Beeld Ivo van der Bent

Het is een verborgen paradijsje in de stad, met palmbomen en veel bamboe: de bewonerstuintjes van de Westelijke Eilanden. Eigengereide eilanders staan pal voor het groen. Ze zijn tegen ‘commerciële joehoe’ voor de deur.

Het eilandenrijk dat wordt gevormd door Bickerseiland, Prinseneiland en Realeneiland, biedt behalve de meest begeerde woonplekken ter stede een opmerkelijke verzameling interessante karakters. Niet alleen wonen er tanige ‘eilanders’, mannen en vrouwen die de gemeente als een bemoeial beschouwen en hun eigen zaakjes wel rooien, ook resideert hier menig kraker van weleer (mannen en vrouwen die de gemeente als een bemoeial beschouwen en hun eigen zaakjes wel rooien). Om te stellen dat dat de drietandige archipel tot een vrijstaat vol vrijbuiters maakt, voert wat ver, maar een frisse aversie jegens de overheid is er wel het resultaat van.

En zo komt het dat het beheer van elf tuintjes ter plekke ooit in handen is gekomen van de bewoners: van klein of iets groter, van idyllisch en quasi-tropisch tot miniem en rommelig, via een snoezige kinderboerderij en een bloemig speeltuintje tot een uitnodigende picknickplek en een ideale zwemsteiger. Prima dan, zei de gemeente in 1992, willen jullie het onderhoud zelf doen, doe het dan zelf, wij regelen wel een hekje, je kan de rekening van de bloembollen en het graszaad naar ons opsturen, maar let op, de grond is en blijft van ons, en de kades al helemaal. Dus geen malligheid organiseren, geen sloten op de hekken, en alles netjes opruimen.

Dertig jaar later lijkt die receptuur aardig wortel te hebben geschoten.

West-Indische Compagnie

De eilanden hebben ook een echte eilandkenner: Willem van der Horst (65). Hij schreef het standaardwerk 400 jaar Westelijke Eilanden, dat de negende druk beleeft en is vertaald in het Engels. Van der Horst geeft rondleidingen en vertelt dan, voorzien van historische kaarten, tekeningen en foto’s, over de geschiedenis van het trio eilandjes: het Vooreiland (nu Bickerseiland), Middeneiland (Prinseneiland) en Achtereiland (Realeneiland). Vanaf hun aanleg in 1614 boden die onderdak aan werven en pakhuizen van de West-Indische Compagnie. Na de Gouden Eeuw werden de eilanden gebruikt voor zoutketen, bokkingrokerijen en teer- en traankokerijen, maar toen de schepen te groot werden om aan te kunnen leggen, zette het verval in.

Van der Horst, voormalig medewerker van Shell Research, vertelt het allemaal op een montere wijze terwijl de bezoeker zich vergaapt aan de huidige archipelidylle.

Willem van der Horst, dé kenner van de Westelijke Eilanden.  Beeld Ivo van der Bent
Willem van der Horst, dé kenner van de Westelijke Eilanden.Beeld Ivo van der Bent

De eilanders klitten door hun barre omstandigheden samen – het was zij versus de buitenwereld. Die dwarse krakers- en eilandershouding heeft de eilanden uiteindelijk gebracht tot wat ze nu zijn: een parel in de kroon van de binnenstad. Van der Horst: “Een bekend verhaal is dat de krakers, die uiteraard niets van de politie moesten hebben, als er ruzie dreigde met de eilanders toch liever met de politie hadden te maken, dan wisten ze tenminste waar ze aan toe waren.”

Volgens menig huidige eilander was de Antwerpenaar Marc Hansenne (1949-2017) de tuintjesinitiator van de Westelijke Eilanden. Hij was wat mensen tegenwoordig een ‘verbinder’ zouden noemen; hij was wijkcentrummedewerker in de Jordaan en de Gouden Reael en zette zich jarenlang in voor het buurtgroen. Buurtbewoner Maria Blaisse herinnert zich de Vlaming: “Hij heeft de tuintjes helpen oprichten en gaf heel erg veel raad. Hij wist ook wel heel veel, hoor.”

Een kwarteeuw lang functioneerde Hansenne als aanspreekpunt omtrent geveltuintjes, brugbloembakken en drijvende tuinen. Als voorganger van Van der Horst organiseerde hij ook groenwandelingen, en passant was hij medeoprichter van daklozenkrant Z!. Toch leeft Hansenne in het eilandgeheugen vooral voort als de man die de tuintjes in bewonershanden manoeuvreerde.

Buurtrechten

Dezer dagen trekt Bickersgrachtbewoner Maud de Vries (48) zich het lot van de tuintjes zeer aan. “Op onze eilanden is sprake van een heel bijzondere balans tussen bewoners, behuizing, water en groen. De tuintjes zorgen echt voor een sociale samenleving in onze buurt, en daarom zet ik me in om de tuintjes te behouden voor de toekomst.”

“Ik zie hier weleens buitenlandse projectontwikkelaars lopen, een buurvrouw heeft Won Yip (een Amsterdamse horecaondernemer, red.) al gesignaleerd, en je weet nooit wat woningbouwvereniging De Key en de gemeente gaan doen met hun eigendommen.”

Een van de tuinen aan de Bickersgracht. Beeld Ivo van der Bent
Een van de tuinen aan de Bickersgracht.Beeld Ivo van der Bent

Zodoende heeft De Vries zich verdiept in zogeheten buurtrechten, een concept dat burgers zelf de touwtjes in handen geeft over een bepaald project, een zeker gebouw of een ruimte, mits ze dat willen en indien mogelijk is. Buurtrechten worden als idee ondersteund door wethouder Rutger Groot Wassink.

De Vries: “Wij willen als buurt de tuin­tjes voor een symbolisch bedrag van de gemeente kopen. Ons idee staat nog in de steigers, maar we zouden bijvoorbeeld een stichting kunnen oprichten die dat doet. Ons doel is de tuintjes te blijven gebruiken zoals dat nu ook al gebeurt, we hebben er geen grote plannen mee. We willen gewoon geen commerciële joehoe voor onze deuren, daar komt het eigenlijk op neer. De unieke balans in onze buurt willen we behouden, de tuintjes vormen een onderdeel van ons buurt-DNA.”

Al zijn de buurtrechtenplannen nog pril, De Vries hoopt later deze maand een gesprek met de wethouder te hebben, in de toekomst wil ze zich er zelfs voor beijveren om de tuintjes tot werelderfgoed uit te laten roepen. “Ik ga met Unesco praten, waarom niet? We hebben hier iets unieks voor onze deuren. Maar eerst willen we nu ons groen veiligstellen.”

Buitenstaanders

De Westelijke Eilanden worden nog weleens de ‘gewestelijke eilanden’ genoemd, niet zozeer vanwege hun perifere ligging als wel door het ietwat hermetische karakter van sommige bewoners. Maar het is toch niet De Vries’ bedoeling de tuintjes in particulier eigendom te krijgen opdat ze kunnen worden afgesloten voor andere Amsterdammers (en ‘bezoekers van buiten’)? Ondanks de aversie jegens het grootkapitaal, de gemeente en de pers die van oudsher enigszins op de eilanden is blijven heersen (‘het is hier al druk genoeg’, ‘schrijf maar niet over ons’, ‘we houden van onze rust’) bezweert De Vries dat het weren van buitenstaanders niet de intentie is van de plannenmakers.

“Iedereen blijft welkom, maar ook hier, net als overal in de stad, is de balans van belang. Natuurlijk hadden we het afgelopen jaar overlast, dat geldt voor elke groene plek in de stad. Maar dat is niet de hoofdzaak: we zetten ons in voor het groen in de buurt en we doen dat in de traditie van de eilanden: niet alleen zeiken, ook oplossen.”

Bamboetuin

De kip-of-eikwestie is voor kunstenaar Maria Blaisse (77) een heel simpele: de bamboe was er eerder dan zij met bamboe ging werken. Inmiddels is het haar favoriete materiaal, want het is zo buigzaam. Ze werkt al haar hele leven met buigzame materialen. Het begon met binnenbanden van auto’s; gaas, vilt en leer passeerden.

“Vormverandering is voor mij essentieel,” zegt ze terwijl ze een levensgrote maquette van een zelfontworpen paviljoen met een enkele vinger ineendrukt. Ze laat vervolgens zien dat ze haar bamboestructuren ‘zo onder een arm’ steekt als ze op reis gaat.

De ironie wil dat bamboe bekendstaat als een flexibele plant, maar dat de buigzaamheid nauwelijks wordt benut: hij blijft altijd ijzerenheinig groen, en wie eenmaal bamboe heeft, zo gaat de mythe, komt er nooit meer vanaf. Blaisse: “De oplossing is het graven van sleuven, dan kun je de bamboewortels goed in de gaten houden.”

Blaisse verzorgt samen met twee buren de tuin die grenst aan haar huis annex atelier. Haar hele pand is omringd door bamboe, een idee dat ze dus al had voordat ze bamboe als materiaal voor haar kunst ging gebruiken. “Ik dacht: leuk voor de buurt, het wuift zo mooi en is er altijd.”

Als materiaal kwam het heel natuurlijk tot Blaisse, ze keek immers op het ruisende gewas uit. Dat past in haar werkfilosofie: “Ik onderzoek een materiaal heel lang, waarna het vrij is voor allerhande toepassingen.”

null Beeld Ivo van der Bent
Beeld Ivo van der Bent

Kinderboerderij De Dierencapel

Lang voordat de gemeente de tuintjes op de Westelijke Eilanden in beheer van de bewoners gaf, bestond De Dierencapel al, een stukje verwijderd van de huidige locatie. De kinderboerderij werd gesticht door eilandbewoner Joop Capel, en draagt als eerbetoon diens naam.

Toen het beheer van de elf tuintjes in 1992 in bewonershanden raakte, kreeg De Dierencapel de huidige plaats – ze viert volgend jaar het 30-jarig bestaan. Inmiddels werken er veertig vrijwilligers, goeddeels een dagdeel per week. “Het leuke van deze plek is dat de kinderboerderij in een echt stadse omgeving staat,” zegt een van de vrijwilligers, Pascale Kleintjens (52).

De doelstelling van de kinderboerderij is tweeledig: niet alleen is er de intentie om kinderen iets over dieren te leren en hen ‘respect’ bij te brengen voor alles wat knaagt, tokt of blaat, ook is het de bedoeling dat de tuin een ‘fijne plek’ is voor de vrijwilligers zelf. Jammer is wel dat sommige van de nieuwere vrijwilligers nog nooit een kind op ons erf hebben gezien, vertelt Klein­tjens: de boerderij is vanwege overheidsmaatregelen al een fikse poos is gesloten voor bezoekertjes. De eerste activiteit straks, als het weer mag: “Dan gaan we de schapen scheren, met daarna aftershave-activiteiten.”

De Bickeltuin

“Een park is iets van de gemeente, een tuintje is iets van de gemeenschap,” zegt Maarten Woolthuis (50), bewoner van de Bickersgracht. “Je kunt met elkaar in de buurt praten, maar je kunt ook gewoon doen.” Dat is ‘positieve omgang’, aldus Woolthuis.

Door stadse gehaastheid en nu corona is zulk contact toch wat onder druk komen te staan. “Met elkaar werken in een tuintje gaat heel organisch, merk ik. Wie wat meer of minder wil doen, die doet dat dan gewoon, dat gaat vanzelf.”

Woolthuis tuiniert in De Bickeltuin, een even idyllische als eclectische mix van een speeltuin en een bloementuin. “Een aantal buren doet de bloemen, de andere circa twaalf vrijwilligers de rest.”

Maar er kunnen er nog veel meer bij, zegt Woolthuis, “Expertise is niet nodig, je ziet het misschien niet, maar er zit vooral veel noeste arbeid in. In een tuintje werken is heel goed voor je welzijn en je brein. En je hebt eer van je werk door de blijdschap die je anderen schenkt.”

Woolthuis haalt zelf het meest voldoening uit ‘het grove werk’, zegt hij. “Ik zit nooit in het tuintje, maar ik kan er wel wat in kwijt.”

Maarten Woolthuis in de De Bickeltuin. Beeld Ivo van der Bent
Maarten Woolthuis in de De Bickeltuin.Beeld Ivo van der Bent

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden