PlusExclusief

Derya, 20 jaar later: ‘Natuurlijk zegt mijn moeder weleens dat ik te makkelijk ben, en te vrij’

Derya nu. Haar inmiddels overleden vader heeft nog wel de uitreiking van haar bul meegemaakt. Beeld Raimond Wouda
Derya nu. Haar inmiddels overleden vader heeft nog wel de uitreiking van haar bul meegemaakt.Beeld Raimond Wouda

Twintig jaar geleden stelde Hans van der Beek grote vragen aan 18-jarige Amsterdammers. De zin van het leven, liefde en seks, God en de dood, vaders en moeders. Tien jaar later vroeg hij hen weer. En nu weer. Aflevering 4: Derya Uç, destijds moest ze haar ouders voorlezen, nu is ze jurist.

Derya Uç was al jong de vleesgeworden integratie. Ze droeg haar hoofddoek met liefde, maar haar dochter mocht later zelf kiezen. Aan haar ouders legde ze verantwoording af, maar dat hoefde haar toekomstige man heus niet te verwachten. En dat familieleden tijdens de huwelijksnacht beneden stonden te wachten of ze nog wel maagd was, vond ze eigenlijk best wel onbeleefd. Derya deed haar hoofddoek af en werd jurist. Nu is gezondheid het belangrijkste in het leven. Dat weet ze sinds haar vader stierf.

Het leven

18: “Ik weet precies wat ik wil. Ik wil eerst advocaat worden en daarna rechter. Dat trekt me, ik weet niet waarom. Ik wil zo goed mogelijk leven. Zodat ik niet afhankelijk ben. Als ik een vriend heb, of een man, wil ik niet moeten vragen: ‘Hé schat, mag ik effe naar de markt,’ of: ‘Ik ga even naar mijn moeder, goed?’ En als ik dan om twaalf uur thuiskom, heeft hij daar niks over te zeggen. Ik wil ook niet later tegen mijn dochter zeggen: ‘Lees mijn bank­afschrift eens, ik ­begrijp het niet’.”

28: “Nóg niet! Een rechter van mijn leeftijd, dat zie je ook niet zo vaak. Ik studeer inderdaad rechten aan de VU, ik heb bijna mijn diploma. Ik werk nu als jurist bij de overheid, misschien kan ik over een paar jaar alsnog de opleiding tot rechter doen. Ik werk hard voor mijn doel, maar wel met respect voor anderen. Daarom ben ik beter geschikt als rechter dan als advocaat.”

“De zin van het leven: dat je niet afhankelijk bent van andere mensen. Dat je op je eigen benen kunt staan en lekker zelf mag bepalen wat je met je geld doet. Dat vind ik belangrijk, als vrouw. Onafhankelijk zijn, mijn vrijheid, mijn eigen beslissingen, je doelen bereiken. Dat maakt mij gelukkig. Je gezondheid, die maakt ook deel uit van de zin van het leven. En mijn dochter. En doorzetten. Zo word ik wel vaker genoemd, een doorzetter.”

38: “Mijn droombaan is nu officier van justitie. Ik heb lang als jurist gewerkt bij de Centrale Raad van Beroep, de hoogste bestuursrechter in ambtenarenzaken, maar nu krijg ik de kans me bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verder te ontwikkelen.”

“Voor de zin van het leven moet ik het, denk ik, toch echt zoeken bij gezondheid. We kunnen wel ambities en lijstjes hebben, maar gezondheid staat echt bovenaan. Geen gezondheid betekent: ook niet die andere dingen op je lijstje. Gelukkig zijn, bijvoorbeeld.”

“Ik heb het gezien tijdens corona, en zeker ook bij het overlijden van mijn vader. Hij kreeg eerst een levertransplantatie, en daarna kwam de ‘k’ terug. Toen hij steeds zieker werd, merkte ik dat hij meer op mij was gericht. Hij was dankbaar dat ik dingen voor hem regelde, ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Hij probeerde wel met mijn moeder te praten, maar kreeg niet echt de aandacht die hij vroeg. Zij was gericht op: het komt allemaal goed, en op tijd de medicijnen geven. Mijn vader had echt wel door dat het einde in zicht was, hij liet dat alleen niet merken.”

“2013 was echt een klotejaar, met enorme pieken en dalen. We waren net verhuisd, er was weer een kindje op komst, en ik was ook nog bezig met mijn master. Maar het zwaarst waren de gesprekken met mijn vader in het ziekenhuis. Toen miste ik dat ik geen grote familie heb. Ik kreeg al die klappen in het ziekenhuis en kon dat alleen met Ozkan, mijn man, delen. Mijn vader heeft nog wel de uitreiking van mijn bul meegemaakt. Daar ben ik zó dankbaar voor. En hij heeft mijn tweede kind nog kunnen zien, dat ik een gelukkig leven heb, dat ik blij ben met Ozkan.”

Familie

18: “Mijn vader is altijd heel lief tegen mij. Ik ben verwend, zeggen ze. Mijn moeder is wat strenger. Die heeft liever dat een meisje gewoon thuis is. Afwassen en helpen met visite. Een beetje dorpsachtig. Mijn ouders zijn ook wel een beetje afhankelijk van me. ‘Derya, lees die brief even voor,’ en: ‘Hoeveel hebben we nog op de bank staan?’ Dat soort dingen.”

“Ik werd lastiggevallen door een jongen. Toen ging ik naar mijn moeder, want mijn vader wordt dan, zeker nu met mijn leeftijd, helemaal para, boos. Mijn moeder bleef heel rustig, maar het is beter dat mijn vader het niet te weten komt. Als hij dit leest, sla ik dit wel over.”

28: “Nu bots ik meer met mijn vader dan toen. Dat is ook normaal. Toen was ik nog afhankelijk, nu heb ik mijn eigen huis en neem ik mijn eigen beslissingen. En ook al vindt hij dat soms niet leuk, hij heeft er niet zo heel veel over te zeggen. We botsen wel eens over cultuur. Voor alle duidelijkheid, de vader-dochterliefde is er, maar er zijn momenten dat hij zegt: ‘Je luistert weer niet, ik ben je vader, ik ben ouder en wijzer.’ Maar ik ben ook wijs. Ik zeg niet: wijzer, maar ik wil toch mijn eigen ding doen.”

“De relatie met mijn moeder is neutraal. Ik houd van mijn moeder, absoluut, maar het is een – hoe kan ik dat goed zeggen – burgerlijke relatie. Onze gesprekken zijn ‘Alles goed?’ en ‘Hoe was je dag?’ en verder gaat het niet. Mijn ideeën, over politiek bijvoorbeeld, of cultuur, zijn voor haar niet vatbaar.”

38: “Ik heb nog steeds discussies met mijn moeder, maar ik probeer ze te vermijden. Ik ben al blij dat ze op de maandag en vrijdag komt oppassen en vervolgens naar haar huis gaat. Ruzies hebben we niet. Dat is meer als je wat jonger bent. Natuurlijk krijg ik weleens te horen dat ik te makkelijk ben, en te vrij. Dat zal ik blijven horen. Wanneer ik wat later thuiskom van mijn werk, zegt zij: ‘Je moet wel het eten klaar hebben, want je man komt straks thuis.’ Dan zeg ik: ‘Dat los ik wel met Ozkan op.’ Dat soort ­dingen.”

“Mijn vader wilde op het allerlaatst nog per se naar ­Turkije om afscheid te nemen van familie, en eenmaal terug in Nederland ging het snel. Toen heeft hij gedag gezegd, de man die op zijn 35ste besloot mij uit een weeshuis in Turkije te halen. Mede dankzij hem heb ik dit leven. Daar ben ik hem echt dankbaar voor.”

Derya in 2001. Beeld Raimond Wouda
Derya in 2001.Beeld Raimond Wouda

“Natuurlijk hadden we wel onze dingen. Hij was gewoon Turks, daar kon hij ook niks aan doen. Eerste generatie, hard gewerkt, arbeidsongeschikt. Dat was gewoon zijn wereld, meer heeft hij niet gezien.”

“We konden elkaar wel in de haren vliegen. ‘Jij bent goed geïntegreerd, jij denkt als een Nederlander,’ zei hij altijd tegen mij. Maar uiteindelijk heeft hij me wel geaccepteerd. Dat waren de laatste dingen die hij tegen me zei: ‘Ik ben altijd heel tevreden over jou geweest. De pit die je hebt, dat doorzetten, zeggen wat je denkt. Blijf maar zo. Heel goed van jou. Ik ben trots op jou.’ Zo is hij gegaan. Heel mooi, heel bijzonder.”

God

18: “Eerlijk gezegd bid ik niet. Dat is gewoon vijf keer per dag echt bidden! Mijn ouders zeggen wel: ‘Derya, je bent nu al wat ouder, zou je niet eens beginnen met bidden?’ Niet echt van: gá bidden, zo van: moeten. En dan zeg ik: ‘Ik ben nog jong, ik doe het later wel’.”

“Vanaf de brugklas draag ik een hoofddoek. Dat was wel van: doe het, het is voor je eigen bestwil. Ik vind het leuk om een hoofddoek te dragen, maar als ik later een kind heb, mag ze zelf beslissen. Ze is ook een mens. Ze kan ook nadenken, denk ik.”

28: “Ik zat in die tijd echt in een identiteitscrisis tussen de Turkse en Nederlandse cultuur. Een paar maanden na dat interview heb ik ervoor gekozen geen hoofddoek meer te dragen. Ik wilde voor mezelf beslissen, en niet omdat mijn ouders zeiden dat je pas een goede moslim bent als je een hoofddoek draagt. Ik koos voor mijn vrijheid. Het was geen shock voor mijn ouders, wel een verandering. Ze snapten het ook helemaal niet. Ze dachten: ze is weer bezig met haar identiteit, over een paar dagen draagt ze er vast weer een.”

“Ik ben ook niet gaan bidden. Ik ben niet praktiserend, maar ik ben wel gelovig, absoluut. Ik blijf moslim, ik geloof in Allah en dat er één Allah is, maar ik geloof niet dat ik iets anders zeg dan christenen. Die geloven ook in één god en zeggen ook: stelen mag niet.”

38: “Ik ben nog steeds gelovig, daar heb ik nooit een seconde aan getwijfeld. Ik ben er niet actief mee bezig, maar vind het wel belangrijk dat ik soms, als ik niet lekker in mijn vel zit bijvoorbeeld, me even tot iets wil richten. Niet meteen bidden, maar dat je even nadenkt.”

“Tijdens corona ben ik wel gaan nadenken: doen wij iets verkeerds, hoe komt dit ineens? Natuurlijk, de mens heeft aan deze pandemie bijgedragen, maar ergens moet toch, denk ik, een beslissing zijn genomen. Dat het een reactie is op de mens, ik weet het niet. Maar, dacht ik daarna, aan deze pandemie komt ook weer een einde. Zo lief is God ook wel voor de mensen. Daarin geloof ik.”

“Mijn kinderen worden normaal religieus opgevoed. Dus niet dat ze verplicht van mij dingen moeten doen. Ik moest van mijn vader naar de moskee, dat vond hij belangrijk, prima. Maar ik zag ook bij hem: je moet het op een gegeven moment wel leuk vinden. Op jonge leeftijd vond ik de moskee wel gezellig, met de meiden daar. Zo heb ik het bij mijn dochter ook gedaan. Zodra ze het niet meer leuk vindt of rare dingen meemaakt, moet ze met me praten. Ze maakt daar vriendinnen, en ze knutselen ook heel veel. Dat had je vroeger niet. Toen moest je naast elkaar zitten en verzen kunnen lezen, dat is allemaal veranderd. Ze doen het nu meer spelenderwijs.”

De liefde

18: “Ik weet echt niet wat ik daarover zeggen moet, ik ben wel erg jong. Dat komt allemaal later wel. Weet je, dat is jammer van onze cultuur: een Turkse jongen mag wel met een paar vrouwen naar bed, maar als een meisje dat doet, wordt ze helemaal kapotgeslagen.”

“Cultuur speelt weer een rol. Want wat als ik later een man krijg, en die vindt mij een afgelikte koe? Zonde, hoor. De huwelijksnacht is zo ook helemaal niks intiems. Ze staan gewoon beneden te wachten of je nog wel maagd was. Als je erover nadenkt: dat is eigenlijk best wel onbeleefd.”

28: Ik heb hem in Istanboel ontmoet bij een bruiloft, ik was negentien, heel jong. Toen ik 22 was, kreeg ik mijn dochter, dat is ook al snel gegaan. Natuurlijk, het is je man en ik hou van hem. Maar ik ben niet met mijn grote liefde getrouwd. Wel met mijn man. En de vader van mijn kind. Dus ben ik gelukkig? Ja, ik ben gelukkig.”

“Seks is nu een onderdeel van je leven, het is menselijk. Ik was toen beperkter. Seks was destijds ook wel heel belangrijk, maar ik had niet de vrijheid om te zeggen: pa, ik heb een vriendje en daar heb ik af en toe wat mee.”

“Néé, ze hebben echt niet onder aan de trap gestaan. Dat had ik niet toegelaten, sodemieter een eind op! Mijn man had het ook niet toegelaten. Bovendien zaten we in een suite, we waren gelukkig helemaal niet thuis.”

38: “De liefde, wat moet ik daarover zeggen? Ik ben nog steeds met dezelfde man. Wat ik wel merk: liefde is eigenlijk helemaal niet meer belangrijk. Ik hou van mijn man, omdat hij de vader van mijn kinderen is, omdat ik met hem getrouwd ben en heel veel met hem deel. Maar dat houden van is niet meer zo belangrijk. We moeten een voorbeeld zijn voor de kinderen. Proberen onze kinderen goed op te voeden, zodat het goede burgers worden later in de maatschappij. Je respecteert elkaar, dat is het eigenlijk. Dat houden van zit inbegrepen in wat je samen aan het doen bent.”

Derya in 2011. Beeld Raimond Wouda
Derya in 2011.Beeld Raimond Wouda

“Ik heb altijd gezegd: ik wil een man die ik niet moet vragen of ik naar de markt mag. Zo’n man heb ik! Ik wil niet een telefoontje waar ik uithang. Ik ben blij dat ik met Ozkan over alle dingen kan praten. Hij is heel begripvol. Hij is in Frankrijk geboren en in Turkije opgegroeid, maar hij vangt me altijd met open armen op.”

“Ik merk het wel bij de opvoeding. Ik vind het bijvoorbeeld normaal dat ik een kind even knuffel als het hoge cijfers haalt. ‘Goed zo, meid, ik ben trots op je!’ Als ze dan naar haar vader gaat, reageert hij heel droog. Hij beleeft zijn liefde en blijdschap meer vanbinnen. In Nederland moeten we altijd dingen laten blijken. Dat uitspreken, dat is totaal niet iets Turks. Daarover botsen we wel. Ik ben hem nog aan het integreren.”

“Seks, dat is hetzelfde antwoord als de liefde. Het is gewoon een onderdeel van ons leven. We sluiten ook wat dat betreft heel goed bij elkaar aan.”

De ideale dag

18: “Het is zaterdag. Ten eerste ben je lekker alleen thuis. Na het ontbijt zorg je dat het huis goed schoon is, en komen vrienden en vriendinnen langs. We gaan naar een hotel, in Den Haag of zo. Een beetje video kijken, dan een beetje leuk aankleden en daarna naar een heel grote, beroemde disco. En dan feesten! Tot ’s nachts!”

“Of nee – dat is niet leuk. We kunnen beter niet naar een discotheek gaan. We gaan naar een groot, chic restaurant. Zoiets is beter, denk ik. We gaan wel naar een andere stad. Zeker. Hier zijn te veel kennissen. En familie.”

28: “Ik word wakker in Turkije, het is zeven uur. Of zes uur, maak er maar zes uur van, maar dan wel in de zomer, hè. Ik zit in een houten huisje in het Zwarte Zeegebied. Ontbijt met maïsbrood. Eens denken, ben ik die dag alleen? Ja, laat ik maar gewoon alleen zijn. Uitrusten. Dat ik de natuur hoor, en het strand. ’s Middags ga ik lol hebben met Ceren, mijn dochter, ze is helemaal dol op water.”

“’s Avonds zou ik toch wel weer met mijn man samen willen zijn, denk ik. In een heel mooi restaurant, vlak bij de zee, Rivièra-achtig, niet te veel mensen om me heen. Ja, dat zou mijn ideale dag zijn. Is die heel saai?”

38: “Wel zonder de kinderen, die rust zoek je dan, daar ben ik heel eerlijk in. Ik hou heel veel van kinderen, maar ik zou wel een dag helemaal alleen met Ozkan willen zijn. In Nederland, of het buitenland, dat maakt me niet uit, in een omgeving waar het rustig is. Waar we lekker kunnen wandelen, en waar we ook samen iets spannends doen, een activiteit, even moe worden. Hij vindt auto’s heel leuk, dus dat we dan kunnen racen op een racebaan of zo. Gewoon iets geks, samen, even adrenaline.”

“Daarna ontspannen. Samen zwemmen, of een massage, of een bubbelbadachtig iets. En dat we ’s avonds lekker kunnen eten met z’n tweeën, het hoeft niet per se een chic restaurant te zijn. Even samen met hem, dat is nu mijn ideale dag. En niet alleen ’s avonds, zoals ik tien jaar geleden zei. Dat is wel veranderd. Zo’n dag wil ik ook echt een keer met hem gaan doen. Zodra de pandemie voorbij is.”

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden