PlusReportage

De schoonheid achter de sores: wandeltocht door een lege stad

Het Rijksmuseum.Beeld Martin Dijkstra

Verslaggever Lex Boon stapt zijn huis uit voor een wandeling door een stad zonder toeristen, dagjesmensen en werknemers. Op de gevel van De Kleine Komedie staat ‘Lieve stad, even geduld aub’ en op de Zuidas is het stil.

Walter slaapt en ik verlaat het huis voor een wandeling. Het is dinsdagochtend, iets voor negen uur, en er lijkt niets aan de hand. Op de kade staat een visser, een hardloper komt voorbij. Er rijden auto’s en fietsers, en er zijn een paar andere wandelaars. Op de hoek van de straat is een stratenmaker aan het werk.

Het opmerkelijkste wat ik zie, is een paar grote bomen op de hoek van de Panamalaan en de Cruquiuskade, helemaal ingepakt met blauwe doeken. Het blijkt een voorzorgsmaatregel. Een projectontwikkelaar wil de oude panden op deze plek slopen en een zestig meter hoog woonblok neerzetten, maar de vergunningen zijn nog niet helemaal rond. De grote angst is dat huismussen in de bomen gaan nestelen.

Deze stad blijft verbazen.

Ik loop verder. Ook als je niets van het nieuws zou hebben meegekregen, zou je aan de flarden van gesprekken die je opvangt merken dat er iets gaande is.

“Dat kan toch niet de bedoeling zijn,” zegt een bouwvakker door de telefoon.

“Mensen durven even niet,” zegt een vrouw met een hond, tegen een man met een kleuter.

“Ik ben twee weken ziek geweest, ik vraag me gewoon af of ik het heb gehad,” zegt een vrouw tegen een andere vrouw, die in haar badjas in de deuropening staat.

“Ze kunnen niet alles aanvullen, heb ik gehoord,” zegt een medewerker van de Etos.

“Weet u hoe ik bij de Nieuwe Achtergracht 100 kom?” vraagt een man op het Meester Visserplein. Hij zit met twee jonge kinderen op een scootmobiel en ze dragen allemaal een mondkapje. Hij zegt net iets te laat dat het om het adres van de GGD gaat, en ik doe net iets te laat een stap achteruit. Het moet in orde zijn. Er zat zeker twee meter tussen. Maar: denk aan de afstand, houd de pas in als iemand te dichtbij komt. Niet aan je gezicht zitten. Liever door rood lopen dan het knopje van het verkeerslicht indrukken. Ondertussen speuren naar druipende neuzen, en schrikken als je plots iemands parfum ruikt.

Misschien overdrijf ik. Nog geen week geleden stond ik op dit plein een halfuurtje zorgeloos de lucht van mede-Amsterdammers in te ademen, terwijl ik me vermaakte over een nieuw omleidingsbord. ‘Ja, het is echt dicht, dus volg de omleiding’ stond er. Een foto van hekken en de verkeersborden moest duidelijk maken dat het fietspad op de Weesperstraat écht écht dicht is, vanwege de bouw van het Holocaustmonument. Kansloos, natuurlijk, want voor de gemiddelde Amsterdamse fietser was het niet écht dicht: fietst een stukje over de autoweg en je bent er langs.

Zo was het bord eigenlijk kunst in de openbare ruimte, dat er uitstekend in was geslaagd de opgestapelde wanhoop en frustratie van ambtenaren, verantwoordelijk voor het omleiden van Amsterdamse fietsers, vast te leggen.

Het bord staat er nog steeds. En zowaar: iedereen houdt zich vandaag aan de omleidingsroute. De Amsterdamse fietser lijkt getemd. “Het zijn rare tijden,” zal vast iemand, ergens in de stad, op dit moment zeggen.

Niet dat er veel fietsers zijn. Maar het zijn er ook niet weinig. Het is stil, maar niet zo stil. Eerder stil als een zondagochtend, of misschien stil als een pinksterdag. Als ook veel mensen vrij zijn, geen familieverplichtingen hebben, en veel winkels gesloten. Het voelt alleen anders. Mensen schuiven snel over de straat, de blik naar beneden of in de verte gericht. Alsof sociale onthouding ook betekent dat je elkaar niet meer mag aankijken. Bovendien is ook Artis dicht. De Hortus kwam ik ook niet in. Daardoor moest ik zojuist, door een dichtbegroeid hek op de Plantage Park­laan, het bordje proberen te lezen dat bij de grote Turkse hazelaar staat. Ik wist dat het een van de oudste bomen van de stad is, maar niet precies hoe oud. Uiteindelijk googelde ik het antwoord: 225 jaar.

Ik weet het, er zijn panden die honderden jaren ouder zijn, maar deze boom maakt altijd meer indruk. Misschien is het omdat er nog steeds elke herfst eetbare hazelnootjes uit vallen. Alsof de boom daardoor de grote gebeurtenissen uit de Amsterdamse geschiedenis echt heeft meegemaakt.

Niet de stormvloeden, het tolprivilege, de stadsrechten, het ontstaan van het handelscentrum, de godsdiensttwisten, de Tachtigjarige Oorlog, het ontstaan van de republiek, de Gouden Eeuw en het ontstaan van de grachtengordel. Niet Bredero, Vondel, P.C. Hooft, Rembrandt, Spinoza en Descartes. Maar vanaf 1800 wel de industrialisatie, de miserabele woonomstandigheden van rond 1900 en de stadsuitbreiding. De oorlog, uiteraard, en hoe de stad met vallen en opstaan een moderne stad werd. Deze boom heeft het hier vaak genoeg stil gezien.

“Ik zit eraan te denken om Skyradio te gaan luisteren, in plaats van Radio 1,” zegt Henk Tjallinks even later, handelaar in prentbriefkaarten, munten en postzegels op het Waterlooplein. Nog geen derde van de marktplekken is bezet, en het is zo rustig dat iedereen twijfelt of ze morgen hun kraam nog wel gaan opbouwen. En Tjallinks is wel klaar met het non-stopnieuws op de radio.

Het Singel.Beeld Martin Dijkstra

Hij vertelt dat hij op zijn achtste begon met verzamelen en op zijn twaalfde ontdekte hij dat hij erin kon handelen. Nu is hij 62 en doet hij het nog steeds. Nooit een baas gehad, en hij is van plan dat zo te houden. Hoewel de grote bankbiljettenbeurs in Valkenburg dit weekend, waar mensen vanuit de hele wereld naartoe komen, ook niet doorgaat.

Het gesprek gaat over een andere grote gebeurtenis. De uitbraak van de Spaanse griep, die kort na de Eerste Wereldoorlog uitbrak. “Dat was 1918. Toen stopte het in mei geloof ik, maar kwam de grote explosie in de winter daarna. Toen zijn de meeste doden gevallen, tussen de twintig en honderd miljoen, geloof ik.”

In zijn kaartenbakken zoekt hij naar een prentbriefkaart uit die tijd. 1918 heeft hij niet, maar wel een uit 1919. Ik hoef er niet voor te betalen. “Het is toch al crisis.”

Ik vervolg mijn weg met in mijn hand een meer dan honderd jaar oude afbeelding van het Rijksmuseum, gezien vanaf de Weteringschans. Op de voorgrond lopen zeven mensen en op de achtergrond, bij het tunneltje, zijn er misschien nog een stuk of zes.

Even later sta ik voor het Rijks en maak ik dezelfde foto. Het heeft iets geruststellends: over nog eens honderd jaar zal dit er waarschijnlijk nog steeds zijn, ook al ben ik er dan niet meer. Net zoals de persoon die in 1919 in keurig handschrift ‘gegroet, Pietje’ achterop de kaart schreef, en hem naar een echtpaar in ’s-Gravendeel stuurde.

Op mijn foto tel ik ongeveer hetzelfde aantal mensen (plus een auto) als op de kaart en concludeer: het is in het Centrum niet zo stil als een zon- of pinksterdag, maar eerder als een dag in 1919.

De zon begint door te breken, en ik wandel naar de grachtengordel. Op de brug bij de Herengracht en Leidsegracht staan drie met bloemen versierde fietsen. Ze zijn van de man in een Pink Floyd-shirt die zichzelf de Flower Bike Man noemt, en sinds een jaar of twee de stad probeert op te vrolijken door dag in, dag uit bezig te zijn met het maken, plaatsen en verplaatsen van bloemfietsen. En verdomd, het heeft effect. Mijn jas rits ik open, en met een tevreden glimlach loop ik verder, denkend aan alle creativiteit die op dit moment in de stad aan het broeien is, en soms al losbarst.

Op de hoek van het Singel is Frank Rutten in de weer met een doek, potten verf en grote kwast. Eerst de L in een vloeiende beweging, en daarna met meerdere vegen de E. Uiteindelijk staat er LEES-TIJD! op het spandoek dat hij aan de gevel van Antiquariaat Brinkman wil hangen. Maar welk boek moeten we dan nu lezen? “Ik ben zelf bezig met In Quarantaine van Vladimir Maksimov, echt fantastisch,” zegt hij. Hij heeft het alleen niet in zijn winkel. De Pest van Albert Camus zou een optie zijn, maar Rutten stelt voor om het – juist nu – niet te zwaar te maken. Hij suggereert De consolatione philosophiae van de middeleeuwse filosoof Boethius. Voor dertig euro koop ik een exemplaar met de Middelnederlandse vertalingen van Over de vertroosting der wijsbegeerte, waarvan ik me niet kan voorstellen dat ik het ooit echt ga lezen. Maarja: #supportyourlocals.

Bovendien moet ik zelf vooral aan een ander boek denken: Jaarboek Amsterdam in cijfers van de gemeente. En dik boek vol tabellen en cijfers, waaruit blijkt dat er elk uur 9 mensen naar de stad verhuizen, elke minuut 214 passagiers in een van de 200 trams stappen en er elke seconde 3 kubieke meter water wordt verbruikt. Het is de dynamiek van de stad – en van het leven – op indrukwekkende, gortdroge wijze vastgelegd in honderden feitjes.

Dagelijks worden 8 huwelijken gesloten en scheiden 2 stellen. Er zijn dagelijks 9 woninginbraken, 18 geweldsmisdrijven en 1 keer per week raakt een dier ter water.

Zo kun je je blijven verwonderen, maar de meeste cijfers gaan niet meer op, nu alles is stilgelegd. De Kalverpassage heeft zelfs iets onheilspellends. Het is er helemaal leeg, maar door de speakers klinkt hard het geluid van een singer-songwriter. ‘Closed for obvious reasons,’ staat er op een wit A4’tje – de stad hangt vol met dit soort witte A4’tjes – op het raam van een café. Voor andere obvious reasons staan er drie mensen verkleed als Magere Hein op de Dam, te strijden voor het kleingeld van de paar toeristen die er rondlopen. De Hein met een grote nepjoint in zijn hand lijkt marktleider te zijn.

Eikels, denk je eerst. Volgens OIS sterft er elke 98 minuten een Amsterdammer, en dat de stad tot stilstand is gekomen om ervoor te zorgen dat dit cijfer niet omhoogschiet. Hoewel dat zeker zal zorgen dat, bijvoorbeeld, het aantal faillissementen per dag zal stijgen. En fors ook. Daar sta je dan met je stomme zeis.

Tegelijkertijd, de levende standbeelden hebben ook een inkomen nodig. Net zoals de mannen in overhemd, die je vanaf de Warmoesstraat op de beurs kunt zien werken. Sommigen doen hun werk achter vijf schermen, vol met cijfers en grafieken. Als ik oogcontact krijg, steek ik mijn duim eerst omlaag, dan omhoog en probeer ik een vragende blik te toen. De man doet zijn duim omhoog, en steekt hem vervolgens nog hoger in de lucht, alsof de zaken nog nooit zo goed gingen.

Misschien maakt hij een grapje, misschien ook niet. Op de beurs valt altijd geld te verdienen. Ook als dit het begin is van een echte economische crisis, die de verdeling van banen, functies en geld volledig zal opschudden. Zoals in 2008 gebeurde.

“Ik werkte toen in de horeca, maar ik was te duur. Voor mijn salaris konden ze vijf mensen uit het Oostblok inhuren,” zegt Arno. Ik zag zijn naam op een lijstje met 06-nummers van ‘managers’ staan, dat op een raam in de Oudekennissteeg was geplakt, waar de lichten gedoofd waren en de rode gordijnen open. Ik had ook Son, Jaap, To of Faraz kunnen bellen, maar op goed geluk besloot ik Arno te vragen of hij het hier ooit zo rustig had gezien. Arno bleek op de bank in de ruimte boven de ramen te liggen, een beetje uit te rusten, en kon me via de camera in de steeg bekijken. “Jongen met rugzak toch? Ik kom wel even beneden, dat praat makkelijker,” zei hij.

Nu sta ik met hem in de steeg. “Don’t touch my windows,” schreeuwt hij tegen een toerist, die naar binnen probeert te kijken. Zijn ramen zijn die ochtend gewassen, zoals alle bedrijven in de stad nu aan het schoonmaken, opruimen en klussen zijn geslagen. Arno vertelt dat hij de contracten regelt voor de sekswerkers die de ramen huren, zich naar een kamer spoedt (‘deze oude man met sigaar in de mond zie je harder rennen dan de politie’) als er op de noodknop wordt gedrukt en dat hij vervelende klanten weghoudt. “Dan ga ik ernaast staan, steek ik een sigaartje op, blaas ik de rook in het gezicht van de jongen en zeg ik: ga nou even ergens anders hangen.”

Arno steekt een sigaartje op, maar de rook waait de andere kant op. Daarna beantwoordt hij mijn vragen. Alleen als er een stroomstoring is, is het zo rustig in de steeg. Hij kreeg dit baantje toen hij in 2008 op zoek moest naar werk, en zijn zwager is eigenaar van het bedrijf. Het bevalt hem uitstekend. En hij gelooft niet dat de ramen ooit echt zullen verplaatsen naar een erotisch centrum buiten het Centrum, zoals de burgemeester wil.

Ik weet dat nog niet zo, bedenk ik, als ik even later over de Zeedijk loop. In de jaren tachtig zat het hier vol met junks, nu zou je het aangeharkt kunnen noemen. Nog net niet gegentrificeerd, zoals zo veel andere plekken in de stad. De voormalige havens zijn moderne woonwijken geworden.

De afgelopen jaren gaat de stad de lucht in, met tal van hoge woontorens in de planning. De invulling van de plinten verandert sneller dan je kunt bijhouden, net zoals de bevolkingssamenstelling. En als ik de metro richting Noord stap, besef ik dat na jaren van gedoe, het nu opeens normaal is dat ik onder CS instap en vijf minuten later al naar het Buikslotermeerplein wandel. Tegenover de vier jaar geleden gekraakte bowlingbaan zit plots een gloednieuwe bioscoop. Gesloten, uiteraard.

Voor de rest is het Buikslotermeerplein gewoon het Buikslotermeerplein. Café La Rosa is dan dicht, maar er lopen tientallen mensen over de markt en door het winkelcentrum. Bakker Bart is open, en de Febo. Rondom twee politieagenten scholen mensen samen, om mee te luisteren hoe twee kinderen vertellen dat iemand met een mes de band van hun fiets leeg heeft gestoken.

Dit is het tegenovergestelde van overdrijven. Dat heeft iets geruststellend en verontrustends tegelijk. Een week geleden kon niemand zich voorstellen hoe het zou zijn als de scholen dicht zijn. Wat als over nog een week niemand zich nog kan voorstellen dat je nog gewoon aan het winkelen bent.

Ik stap weer in de metro. Mensen met sjalen dekken hun mond af, gaan zo veel mogelijk van elkaar vandaan zitten. Aan de andere kant van de stad, op de Zuidas, is het stil, maar dat is het altijd als er niet in de kantoren gewerkt wordt. Toch even checken: ook bij de chique Albert Heijn, waar vier Birò’s voor de deur zijn geparkeerd, is al het toiletpapier nog steeds uitverkocht. Maar zou dit echt een levendige woonwijk worden, zoals in de plannen van de stad staat?

De Wallen liggen er verlaten bij.Beeld Martin Dijkstra

Dan naar West, naar het strookje winkels op de Osdorper Ban. Hoewel je bij Perfecto Grill alleen kunt afhalen en kapper Liselot is gesloten, lijkt het ook hier een dag zoals alle anderen. Behalve dat er in de lucht bijna geen vliegtuigen zijn. “Het is wel echt rustiger hoor,” zegt Ibo Canbolat, van de slijterij en avondwinkel. “Vooral ouderen blijven binnen.”

Ik kijk op Google Maps. Mensen zeggen dat Amsterdam soms een dorp is, maar ik ben zeker tweeënhalf uur lopen van huis.

In flinke pas loop ik door. Langs de Sloterplas. Mensen zijn aan het zonnen, sporten, frisbeeën en een man is zelfs aan het golfen. Het is echt warm, de jas kan uit. Dit had zo’n dag kunnen zijn dat iemand rokjesdag zegt, iemand anders roept dat het daarvoor echt te koud is, en weer iemand anders zegt dat het 2020 is.

In ieder geval: het is vier uur. Amsterdammers zouden nu massaal het terras opzoeken, blijven zitten tot de zon rond zeven uur ondergaat, en een verkoudheidje op de koop toenemen.

De nieuwsapp herinnert eraan dat het vandaag toch echt niet zo’n dag is: 19 nieuwe doden, 292 nieuwe gevallen.

Ik zet koers richting de Dam, die vanaf de Sloterplas eigenlijk bijna in een rechte lijn is verbonden via de Jan Evertsenstraat, Admiraal de Ruijterweg, De Clercqstraat, Rozengracht en Raadhuisstraat. En wat opvalt: aan de randen van de stad is het dan allesbehalve stil, maar richting het Centrum lijkt het steeds iets rustiger te worden. Voorbij de Westertoren valt het zelfs helemaal stil.

Als je de toeristen, dagjesmensen en werknemers weghaalt blijft er, behalve het prachtige decor, niet veel over van de binnenstad. Opeens vallen vooral de daklozen op. Er zijn alleen wat plukjes verdwaalde toeristen over, die door de gesloten horeca in de rij moeten staan bij de plaskrullen. Op de Dam is nog één Magere Hein over.

Sociale onthouding is in de binnenstad niet moeilijk. Heel even lijkt het een aanlokkelijk idee: een paar uur zitten langs de kade. Benen boven het water, gezicht in de zon. Over de vertroosting der wijsbegeerte misschien toch een kans geven. Nadenken over wat voor een stad we willen zijn, als dit alles over weken, maanden, ooit achter de rug is. Of, misschien, weten we dat al.

Als ik door mijn notitieboek blader, bleek me van alles te ontroeren vandaag:

Het kleine protest van iemand die met zwarte stift ‘Mussenparadijs’ heeft geschreven op een bordje van de aannemer, die aan de slag gaat met het woonblok op de Panamalaan.

Dat er met grote gele letters op het aankondigingsbord van De Kleine Komedie ‘Lieve stad, even geduld aub’ stond.

Dat de twee zussen van de Febo in de Ferdinand Bolstraat boven de frituur al drie jaar lang, elke dag, een kaarsje voor hun overleden moeder aansteken.

Een verloren fietssleuteltje dat iemand in het zicht op de brugleuning bij de Sloterplas heeft gelegd.

Het idee dat vanavond iedereen weer thuis blijft, en dat de straten daardoor zo fel verlicht worden dat het wel volle maan lijkt.

De gedachte dat het zo vaak voelt alsof de stad je overkomt, maar dat nu alles stil is gevallen duidelijk is: we maken hem toch echt zelf.

Maar ik wil hier niet blijven. Ik wil naar Walter. Het is drie weken geleden dat hij geboren is, en sindsdien ben ik niet zo lang van hem verwijderd geweest. Drie weken slechts, maar het voelt alsof het altijd al zo is geweest. Zo snel wen je aan grote veranderingen.

Als ik thuiskom en hem knuffel, lijkt hij alweer iets groter te zijn. Zelfs als alles stil lijkt, is het in deze stad nooit écht stil.

Beeld Martin Dijkstra
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden