PlusAchtergrond

De popster kan niet zonder film, toont Eye Filmmuseum

Het programma POP! In Eye Filmmuseum belicht deze hele maand de innige band tussen film en popmuziek.

David Bowie in The Man Who Fell to Earth, 1976.Beeld Studiocanal/Shutterstock

De band tussen film en populaire muziek begint al ver voordat de term ‘popmuziek’ in de late jaren veertig in zwang raakt. Hij strekt zich minstens zo ver terug als de eerste geluidsfilm, die niet voor niets The Jazz Singer heet. Hoofdrolspeler en grote trekker was vaudeville-artiest Al Jolson, die destijds bekend stond als ‘The World’s Greatest Entertainer’.

Jolson was de stamvader van een lange lijn van populaire muzikanten in de film, toont het programma Eye on Sound: POP! deze hele maand in Eye Filmmuseum. De band tussen film en popmuziek is in feite de band tussen film en popsterren, toont het programma van vijftien films en diverse talks en specials. Want het programma telt wel een paar films met markante soundtracks (Dirty Dancing), maar bestaat vooral uit films gemaakt over, met en/of door filmsterren. Een taxonomie.

De popster als onderwerp

Met hun vaak flamboyante voorkomen en levens vol drama is de popster natuurlijk het ideale onderwerp voor een biopic. En laten we wel wezen, zo’n ingebakken schare fans is in Hollywood ook mooi meegenomen.

Zelfs als films eigen, fictieve popsterren creëren, zijn dat vaak dunverhulde versies van bestaande helden – ­zoals de net-niet-David-Bowie die centraal staat in Todd Haynes’ Velvet Goldmine (1998). Maar talrijker zijn de films over ­bestaande sterren. Opvallend genoeg kiest Eye voor twee films die beide spelen in het Manchester van de jaren tachtig, maar geheel tegengesteld zijn in stijl en sfeer: het zwart-witte, zwaarmoedige Control portretteert Joy Divisionzanger Ian Curtis terwijl het energieke 24 Hour Party People opgaat in de ravecultuur rond Factory Records.

De popster als componist

Hier maakt de muzikant een eerste stap naar inhoudelijke inmenging. Sterker nog: bij vijf films in het Eyeprogramma is de muziek van bepalende invloed op de sfeer en toon van de film. Van de funky tonen van Curtis Mayfield bij ­Super Fly (1972) tot de gemoedelijke elektropop van Air in The Virgin Suicides (1999), en van de oldskool hiphop van Wu Tang Clan-lid RZA in Ghost Dog: The Way of the Samurai (1999) tot de melancholische grondtoon die Arcade ­Fire legt voor Her (2013).

Speciale vermelding in deze categorie is er voor Bob ­Dylans bijdrage aan Pat Garrett & Billy the Kid (1973). Hij ­leverde namelijk niet alleen de folky muziek – waaronder successingle Knockin’ on Heaven’s Door – maar speelde ook een bijrol in de film, naast collega-muzikanten Rita Coolidge en Kris Kristofferson in één van de titelrollen. Zo staat de film ook met één been in de volgende categorie.

De popster als acteur

Hoe sneller de rise to fame van een muziekster is, hoe groter de kans dat een gehaaide filmproducent er een slaatje uit wil slaan. Dat begint zo’n beetje bij Elvis in de jaren vijftig. Vaak is het een recept voor middelmatige of ronduit lachwekkende films – zie bijvoorbeeld het volstrekt belachelijke Cool as Ice (1991) rond onehitwonder Vanilla Ice, of het alom verguisde Glitter (2001) met Mariah Carey.

Eye vist de krenten uit deze pap en toont films met popsterren die wél kunnen acteren. Soms belanden ze dan in rollen die dicht bij hun eigen levens liggen, zoals rapper Tupac Shakur in grotestadsdrama Juice (1992), waar één van de vier specials van het programma omheen is ­gebouwd. Soms belanden ze op zulke gespannen filmsets dat ze daarna decennia niet meer acteren, zoals Björk bij het maken van Dancer in the Dark (2000).

Soms hangen ze gewoon wat rond met hun vrienden, ­zoals Tom Waits in Down by Law (1986), te zien in het kader van de special The Sound of Jarmusch. En heel soms zetten ze de hele film naar hun hand, en wordt die een uitlaatklep voor hun zoveelste artistieke persona – zoals David Bowie doet in vrijwel al zijn filmwerk, en zeker in het door Eye vertoonde The Man Who Fell to Earth (1976).

De popster als maker

De meest zeldzame variant van de pop-filmcombo: de muzikant die filmmaker wordt. Maar al te vaak levert het flops op die hooguit voor de fans interessant zijn – van Bob Dylans Renaldo and Clara (1978), een surrealistische mengelmoes van fictie en tourverslag, tot Madonna’s door critici neergesabelde komedie Filth and Wisdom (2008).

Eye is zo verstandig om geen van die films te vertonen. Wel te zien is True Stories (1986) van en met Talking Heads-voorman David Byrne, die ons persoonlijk gidst langs een rariteitenkabinet van kleinstedelijke americana dat tegelijk dienstdoet als verzameling videoclips voor het gelijknamige album van zijn band.

Eye on Sound: POP! 4 t/m 27 september, Eye Filmmuseum. Het programma krijgt in 2021 een vervolg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden