PlusAchtergrond

De oorlogsherinneringen komen altijd terug bij Gerard van Straten

Als 16-jarige zag Gerard van Straten in 1945 hoe lichamen van doodgeschoten Amsterdammers in open vrachtwagens werden gegooid. Hij ziet het nog altijd.

Gerard van Straten. Beeld Rineke Dijkstra
Gerard van Straten.Beeld Rineke Dijkstra

Hiernaast zien we de ogen van Gerard van Straten, gefotografeerd door Rineke Dijkstra. Kunnen we zien wat zijn ogen zagen? Twee geleerden hebben ooit geprobeerd dat te destilleren uit de pupillen van gefotografeerde mensen, waarin de reflectie van hun omgeving was vastgelegd. Zo konden we opeens het atelier zien van een negentiende-eeuwse fotograaf, die zelf ook zichtbaar is. Maar als dat met Gerard van Stratens foto kon, dan zouden we nu alleen Rineke Dijkstra zien, niet wat Van Straten eerder heeft bekeken. Kun je dat in zijn ogen zien? Wat zag hij 76 jaar geleden?

We moeten het doen met herinneringen. Met woorden. Het is maandag 12 maart 1945 als Gerard van Straten naar zijn werk gaat. Hij moet er om half acht zijn. Hij weet niet meer wat hij ontbeten heeft. En of hij ontbeten heeft. Het zal niet veel zijn geweest. Het is Hongerwinter. Van Straten herinnert zich dat zijn moeder pannenkoekjes van suikerbieten maakte op een wonderkacheltje. Dat waren heerlijkheden. De wonderkacheltjes maakte hij op zijn werk, net als carbidlantaarns.

Van Straten is nu 93. Toen was hij 16, en bezig met zijn eerste baan na de ambachtsschool. Hij liep van de Saenredamstraat in De Pijp naar de Weteringstraat in het centrum. Hij weet niet of het nog donker was. Als het nog donker was, was het in ieder geval heel donker. Van Straten herinnert zich de verduistering, het zwarte papier dat voor de ramen moest worden geplakt, en de felle lichtbundels van het afweergeschut dat een geallieerde bommenwerper op weg naar Duitsland probeerde neer te halen.

Als het lukte, ging hij de volgende dag met een paar jongens uit zijn straat scherven rapen. Dat waren venijnig uitziende dingen, die hoorde je op de daken en op straat ­kletteren. Soms moest hij naar de schuilkelder in het Sarphatipark.

Boodschappen doen

Van Straten zag, net als Anne Frank, in april 1943 een ­Engels vliegtuig neer­komen bij de Munt, met een enorme brand tot gevolg. Natuurlijk ging hij kijken. Anne Frank schrijft erover in haar dagboek: ‘Het Carlton is kapot, twee Engelse vliegers met een grote lading brandbommen aan boord zijn precies op het ‘Offiziersheim’ gevallen. De hele hoek Vijzelstraat-Singel is afgebrand. De luchtaanvallen op de Duitse steden worden van dag tot dag sterker. We hebben geen nacht rust meer, ik heb zwarte kringen onder mijn ogen door tekort aan slaap.’

Ook bij het bombardement op de Euterpestraat in 1944 zag Van Straten de bommenwerpers komen aanvliegen.

Naarmate de jaren verstrijken denkt hij vaker aan de oorlog, zeker begin mei. Het blijft je bij. Het komt altijd weer terug. Terwijl hij helemaal niet veel heeft meegemaakt, als je het vergelijkt. Op 7 mei 1945 was hij net vijf minuten weg van de Dam toen de Duitsers begonnen te schieten.

Van Straten werkt in die tijd bij Louis Jonker’s Lasbedrijf, Weteringstraat 21. Hij moet, als een gietijzeren motorblok gelast is, de lasnaad afslijpen. Hij is er zo goed in dat hij opslag krijgt: vijf gulden in plaats van vier gulden tachtig per week. Het bedrijf werkt voor de Wehrmacht, al beseft hij dat op dat moment niet. Het is een H.K.P. Werkstatt. H.K.P. staat voor Heeres Kraftwagen Park.

Als jongste bediende moet Van Straten boodschappen doen op een transportfiets, met een motorrijwiel aan de voorkant gemonteerd, want een normale fiets is niet meer te krijgen. Zo kan hij nog rijden, bijvoorbeeld naar de gaarkeuken op de Haarlemmerweg, waar hij eten voor het bedrijf moet halen – op maandag is het vaak kool met aardappelen. Van Straten schept een beetje van het voedsel in een leeg conservenblikje en proeft het voor.

Bij Jonker krijgt hij ook brood, waarvan hij het meeste mee naar huis neemt. Soms snijdt hij er voor zichzelf twee sneetjes af, waarover hij niets tegen zijn ouders zegt. Veel heeft het waarschijnlijk niet geholpen. Van Straten is na de oorlog zo mager dat hij naar Schotland wordt gestuurd om aan te sterken.

Oorlogsdoden

Maar nu is het nog maandag 12 maart en hij moet een boodschap doen. Op het bedrijf gaat het gerucht dat er vlakbij mensen zijn doodgeschoten, wel twintig of dertig mensen. Waarom, dat weet hij niet. In het Eerste Weteringplantsoen, voor de schuilkelder. Eén minuut fietsen van Jonker’s Lasbedrijf, zegt Google Maps nu. Misschien iets langer op een fiets met een motorrijwiel. Van Straten heeft de geweerschoten niet gehoord. Zou het echt waar zijn? Hij doet wat je dan als jongen doet: je gaat even kijken. Van Straten fietst erheen. Hij ziet in het plantsoen een stuk of 20, 25 mensen voor een schuilkelder liggen.

Het zijn niet de eerste oorlogsdoden die hij ziet. Een paar maanden eerder, op Dolle Dinsdag, was hij met een heleboel mensen op straat. Toen was er opeens een vluchtende WA-man, die vanuit de straat zo rechtsaf de Frans Halsstraat in ging. Op de hoek schoot hij een buurman van Van Straten dood. Een oude, dikke man. Philips. Laurens Philips. Ook zag Van Straten dat zijn Joodse buren werden weggehaald. Hij zag razzia’s. En hij zag dat een andere buurman, een schilder, op het spatbord van de fiets van een Duitser de afkorting G.F.P. moest schilderen, Geheime Feldpolizei. Van Straten stond ernaar te kijken en de Duitser vond dat hij weg moest wezen. Maar Van Straten liet zich niet door een of andere klojo wegjagen. Die man pakte een pistool en zette dat tegen Van Stratens hoofd. Toen is hij de schoenmakerij onder zijn huis in gevlucht.

Op 12 maart 1945, het staat hem bij dat het in de middag geweest is, ziet Van Straten in het Weteringplantsoen een open vrachtwagen. Die mensen worden er zo ingegooid. Mannen pakken de lijken op – een bij de armen en een bij de benen – en werpen ze zo in de laadbak. Als zakken aardappelen. Oneerbiedig.

Hij weet niet wie ze zijn. Misschien is het Henk Verwoerd, een jongen van 18 jaar, of diens vader Leo Verwoerd, die ­samen op de Stadhouderskade waren gearresteerd. Of ­Gerard van Tiel (19) en Klaas Wever (20), die in opdracht van de Binnenlandse Strijdkrachten een zwarthandelaar zouden overvallen. De politie hield ze aan bij een controle. Ze bleken twee stenguns bij zich te hebben.

Herdenking

Dat weet Gerard van Straten allemaal niet op 12 maart 1945. Hij kan het ook niet goed zien, want de Duitsers houden met hun geweren voorbijgangers op afstand. Hij treuzelt wel, natuurlijk. Er heerst in de buurt een opgewonden stemming. Hij gaat terug naar het lasbedrijf. Wat hij daar vertelde, weet hij niet meer. Thuis heeft hij het ook verteld, hoewel misschien niet op dezelfde dag.

Hij weet niet meer of zijn ouders thuis waren. Zijn vader verrichtte dwang­arbeid. Zijn moeder was misschien wel op hongertocht naar West-Friesland. Ze kwam terug met tarwe. Hij ging er zelf ook wel op uit om eten te halen, met het trammetje vanaf het Haarlemmermeerstation naar de boeren. Toen heeft hij zijn plusfour aan de binnenkant vol met sperziebonen gestopt.

Naar de herdenking bij het monument op de fusilladeplaats is hij nooit geweest. Wel naar de herdenking dichter bij zijn latere huis, op Plein ’40-’45. Maar 12 maart 1945 ziet hij nog steeds. Hoe die mannen in die vrachtwagens worden gegooid. Aan armen en benen. Hup. Oneerbiedig.

 In het Eerste Weteringplantsoen wordt door de illegaliteit een Nederlandse vlag gelegd op de plek waar de bezetter een aantal dagen eerder dertig gevangenen heeft gefusilleerd. Beeld  Cas Oorthuys / Nederlands Fotomuseum
In het Eerste Weteringplantsoen wordt door de illegaliteit een Nederlandse vlag gelegd op de plek waar de bezetter een aantal dagen eerder dertig gevangenen heeft gefusilleerd.Beeld Cas Oorthuys / Nederlands Fotomuseum

Die dag in maart

Op 12 maart 1945 werden in het Eerste Weteringplantsoen dertig gevangenen uit het Huis van Bewaring aan de Weteringsschans geëxe­cuteerd, als represaille voor de dood van Sicherheitsdienst-medewerker Ernst Wehner. Die kwam om bij een inval van het SD-hoofdkwartier door verzetsleden van Groep 2000. De Ordnungspolizei hield voorbijgangers aan, haalde omwonenden uit hun huizen en dwong hen de fusillade bij te wonen. Er was nog een slachtoffer: Jan Koopmans, een voorman van het kerkelijk verzet, keek naar de executies vanaf zijn ­onderduikadres aan de Stadhouderskade en werd getroffen door een verdwaalde kogel.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden