PlusEssay

De mythe van het gezin: we houden vol dat ouders niemand nodig hebben voor de opvoeding

Het is vakantie: tijd voor vrolijke kinderfoto’s en gezinsselfies. We creëren een zorgeloos beeld van ouders die het allemaal wel rooien. Waarom blijven we daarin geloven, vraagt schrijver Lynn Berger zich af. Voor de opvoeding heb je ook tantes, vrienden en leerkrachten nodig.

null Beeld Agnes Loonstra
Beeld Agnes Loonstra

Op mijn telefoon bewaar ik een foto van mijn kinderen die op een gigantische boomstronk zijn geklommen. Ze zitten naast elkaar, hun voeten bungelen een flink eind boven de grond: mijn dochter draagt een Mega Mindy-pak onder een donkerblauwe houtje-touwtjejas, mijn zoon houdt zijn kikkerknuffel stevig tegen zich aan. Zijn haar is nog blond van de zomerzon, maar de winter is in aantocht en de grond ligt vol met rode en bruine bladeren.

Ik maakte de foto in het najaar van 2018: mijn dochter was bijna vijf, mijn zoon net drie, en we waren gaan wandelen op de Utrechtse Heuvelrug. Vanwege de korte beentjes van onze kinderen beperkte de wandeling zich tot een gebied van een paar vierkante kilometer, zodat we de bewuste boomstronk meerdere keren passeerden. Elke keer dat we erlangs liepen, zagen we andere kinderen erop klimmen, en andere ouders die een foto maakten van het resultaat.

Mijn vriend keek ernaar en schudde zijn hoofd. “We zijn ook allemaal hetzelfde,” zei hij.

Veel veranderd

Eén flinke scroll op mijn telefoon en ik beland in augustus 2020, een jaar geleden. Het is de eerste schooldag van mijn zoon: even trots als verlegen staat hij in zijn nieuwe vest op het plein. Een lange haal en het is weer winter, de tweede lockdown is net begonnen. Daar zit mijn dochter aan de keukentafel met haar huiswerk. Haar broertje zit naast haar met een Lego-auto waar ze later, nadat ik deze foto heb gemaakt, om zullen ruziën: “Ík had hem het eerst!” “Nee, ík!”

Ik scroll nog verder, voorzichtiger nu, tot ik bij een foto kom die ik op de eerste dag van deze zomervakantie maakte. Mijn zoon en dochter zitten aan tafel, allebei een met appelsap gevuld champagneglas in de hand, we proosten op de zomer. Dat het aantal besmettingen exponentieel aan het groeien is, en het nog maar de vraag is of we deze zomer weg kunnen gaan, dat de pandemie nog steeds niet voorbij is, zie je aan deze foto niet af: die is vrolijk, feestelijk.

En mijn kinderen, die zijn zo groot ineens.

null Beeld Agnes Loonstra
Beeld Agnes Loonstra

Een foto laat je een vluchtig ogenblik bevriezen en bevrijden uit de klauwen van de tijd. De ogenblikken die ik vastlegde met mijn telefoon leken op het moment zelf helemaal niet zo vluchtig, ingebed als ze waren in een herfst die de tijd nam, tergend trage dagen vol thuisonderwijs, in een zomer die nog maar net was begonnen. Pas nu ik op mijn telefoon de tijd vooruit kan spoelen, wordt duidelijk hoeveel er is veranderd sinds die foto’s bij die boomstronk, aan die keukentafel, tijdens dat proostmoment.

Mijn zoon veranderde van een pluizig blond peutertje in een lange, donkerharige kleuter met driftbuien. Mijn dochter werd een serieuze 7-jarige met vier grotemensentanden, twee zwemdiploma’s en een hekel aan roze verkleedkleding. Hun relatie werd complexer. Een pandemie kwam en bleef komen. Een gezin is nooit één vast gegeven, maar een voortdurend veranderende, wild spartelende constellatie van personen die ieder in hun eigen tempo groeien, transformeren, meedoen, afzwaaien.

Eenvormig

We zijn ook allemaal hetzelfde. Van een afstand is het inderdaad verpletterend eenvormig, de manier waarop ouders en kinderen samenleven. Kerngezin na kerngezin, in rijtjeshuis na rijtjeshuis, op bospad na bospad, met allemaal hetzelfde idee van een goed bestede zondagmiddag en een mooi fotomoment.

Kijk, dat is een grote boomstronk zeg, willen jullie daar niet even op zitten?

Maar die eenvormigheid is gezichtsbedrog. Niet alleen omdat gezinnen zelf door de tijd heen veranderen, maar ook omdat er tussen gezinnen gigantische verschillen bestaan. Ga wat dichterbij kijken, en je ziet gezinnen met één, twee of drie ouders, samengestelde gezinnen, regenbooggezinnen. Je ziet ouders en kinderen die liefdevol en harmonieus met elkaar samenleven, maar ook vagevuren vol botsende verlangens en verwachtingen – en alles ertussenin.

De werkelijkheid is een stuk bonter en gevarieerder dan de term ‘gezin’ doet vermoeden. Wat die term ook verhult: alle ándere mensen die ervoor zorgen dat kinderen zonder al te veel kleerscheuren volwassen kunnen worden.

Gedeelde broedzorg

Mensenbaby’s worden kwetsbaar geboren en hebben een ongelofelijke hoeveelheid aandacht, tijd, voedsel en bescherming nodig om tot wasdom te komen – veel meer dan één of twee ouders kunnen geven. Daarom doet de mens aan ‘gezamenlijke broedzorg’, zoals primatologen het zo romantisch noemen: niet alleen ouders, maar ook andere mensen – ooms, tantes, grootouders, leerkrachten, vrienden en vriendinnen – brengen kinderen groot.

De coronapandemie maakte dit goed duidelijk: toen scholen en crèches dichtgingen voor iedereen zonder essentieel beroep, grootouders uit voorzorg thuis moesten blijven, en ouders naast het geven van thuisonderwijs ook hun beroep moesten uitoefenen, kon iedereen zien dat de zorg voor kinderen veel meer kost dan de volwassen leden van een gezin kunnen opbrengen.

(Wat ook in één klap duidelijk werd: dat vrouwen nog altijd onevenredig veel van die zorg op zich nemen, en dat dit gevolgen heeft voor hun persoonlijk welzijn en hun carrièrekansen. Aan het begin van de pandemie leek het er nog even op dat zorg- en huishoudelijke taken gelijker verdeeld zouden worden, maar al gauw bleek dat vrouwen vaker dan mannen een stapje terug deden op het werk om de boel thuis te kunnen opvangen.)

Als onze soort al millennia aan gedeelde broedzorg doet, waarom bezet het kerngezin dan nog altijd zo’n prominente plek in ons denken over opvoeden en opgroeien? De marxist zou zeggen dat dit komt door het kapitalisme, dat het kerngezin nodig heeft als een eenheid die goederen consumeert en nieuwe arbeiders produceert en socialiseert.

De feminist zou daar het patriarchaat aan toevoegen, dat baat heeft bij het idee dat de zorg voor die kinderen – en voor het gezin in het algemeen – iets is dat vrouwen zonder een centje pijn gratis, voor niets, vanuit de goedheid van hun hart verstrekken.

null Beeld Agnes Loonstra
Beeld Agnes Loonstra

Maar misschien is er ook gewoon iets inherent aantrekkelijks aan het beeld van het gezin als een beschermde, opzichzelfstaande kern. Een plek waar je je kunt terugtrekken uit de buitenwereld, het privédomein waarop de publieke wereld geen invloed heeft. Een kleine, evenwichtige, wendbare eenheid waarbinnen volwassenen ouders worden en kinderen groot. Het gezin als symbool voor liefde, warmte, geborgenheid en vrijheid: het is een fictie – maar wel een heel verleidelijke.

Zo verleidelijk dat ik er ondanks mezelf voor blijf vallen. Het merendeel van de foto’s op mijn telefoon maakte ik tijdens vakanties en dagjes weg. Kijk, zeggen die foto’s, het gezin betekent vrije tijd – en dat terwijl het in stand houden ervan toch ook gewoon veel werk is.

Ik maakte foto’s op momenten dat mijn kinderen een eensgezind front vormden – naast elkaar in het bos, samen aan de keukentafel, proostend op de vakantie. Ons gezin, zeggen die foto’s, is een vredelievend gebeuren. Zo fotograferen ouders hun kinderen al ruim een eeuw: aan het zwembad in de zomer, bij de kerstboom in de winter – klim eens op die boomstronk, lach eens naar de camera, doe eens lief.

‘Gezinnen zijn zich er doorgaans van bewust dat er ogen op hen gericht zijn’, schrijft Rachel Cusk in haar essay Coventry: ‘Ze spelen zichzelf alsof ze op een reactie, een oordeel, wachten. Ik heb de indruk dat ze hun creatie voorleggen aan een publiek, net als een kunstenaar de drang heeft te doen.’ Maar misschien leggen we die creatie niet zozeer voor aan een publiek, maar aan onszelf. Om te zeggen: “Kijk wat mooi, je hebt het goed gedaan!”

De zomer van 2018

Ik scroll helemaal naar beneden op mijn telefoon, geef het scherm dan een slinger naar boven en wacht tot het raster vanzelf tot stilstand komt. Nu ben ik in Italië: het is de hete zomer van 2018, van corona heeft nog niemand gehoord. Op deze foto liggen we op een kluitje bij elkaar, in een dennenbos naast de duinen. Het is koel daar, in de schaduw van die bomen die allemaal exact even scheef staan: elke boom is op dezelfde manier omgebogen door de wind die onophoudelijk door dit bos naar de zee raast.

We hebben een kleed op het naaldenbed gelegd, mijn vriend is in slaap gevallen met zijn hoofd op mijn blote been. Mijn dochter heeft zich al duimend in zijn schoot genesteld, haar ogen zijn dicht. Ik hou de camera omhoog voor een gezinsselfie en mijn zomerblonde zoon kijkt nieuwsgierig de camera in. We zijn een hoopje lichamen, huid op huid en hoofd op been, vier verschillende zelven die elkaar vormen en in de greep houden, liefhebben en soms verwensen, die zich op elkaar maar ook op de buitenwereld richten, op manieren die even standaard als onvoorstelbaar zijn.

Ik kijk, en kijk, naar dit recente verleden. Naar mijn kinderen, wie ze toen waren. Naar mijn vriend en mijzelf, jonger maar vermoeider dan nu. Ik denk aan de zomer die achter ons ligt en het schooljaar dat weer gaat beginnen: hopelijk zonder lockdowns, en mét alle andere mensen die we nodig hebben om te kunnen blijven veranderen. Ik kijk naar wat er te zien is en denk aan alles wat ik níét fotografeerde, toen, nu, straks. Ja, denk ik: dit waren we. En nu zijn we nog veel meer.

Dit is een bewerkte versie van een verhaal uit De tweede – over de bazige eerste, rebelse tweede en andere mythes rondom het gezin van Lynn Berger. Het boek kwam deze week uit bij De Correspondent (€20,00).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden