Tata Steel.

Plus Reportage

De mannen van staalfabriek Tata: niet meer zo trots als vroeger

Tata Steel. Beeld Maarten Boswijk

Eerder konden de mannen en vrouwen van Tata op verjaardagen trots vertellen dat ze bij de staalfabriek werkten. Nu gaat het vooral over CO2-uitstoot, grafietregens en asbestkanker.

Wesley Posthumus (32) stond jarenlang om vier uur ’s ochtends bij de halte in Den Helder te wachten op de Hoogovenbus. Hij was de eerste op de route. Bij Alkmaar zag hij andere bussen aansluiten en vanaf Beverwijk reden ze in een colonne het terrein van Tata Steel op.

Overal was activiteit in de fabrieken. Een machtig gevoel gaf het hem. Waar in andere bedrijven de boel om vijf uur stilvalt, draaien zij altijd door. Hier komen de zeeschepen aan met ijzererts uit Brazilië en Australië. Gaan wagonladingen bewerkt staal naar de Renault- en Volkswagenfabrieken in Frankrijk en Duitsland.

Eerder kon hij trots vertellen dat hij bij Tata werkte, waar de mensen met ontzag op reageerden. Vorig jaar hadden ze het 100-jarig bestaan van de Hoogovens gevierd. En dat van het soms moeizame, maar niettemin welwillende nabuurschap van Tata Steel en de omliggende gemeenten. 

De laatste tijd willen Wesleys opa, vader en broer alleen nog maar praten over de grafietregens, asbestkanker en de CO2-uitstoot. Want, hoe zit dat nou precies?

Tata-werknemer Wesley Posthumus. Beeld Maarten Boswijk

Het badlokaal

Zo vroeg in de ochtend zie je samen de zon opkomen boven de fabrieken. Allemaal kijken ze er even naar voordat ze het badlokaal ingaan om zich om te kleden voor de ochtenddienst. De kleding hangen ze aan haken, die ze aan kabels naar boven takelen. Als ze klaar zijn, hangen er driehonderd goed gevulde kledinghaken aan het plafond.

Na deze dienst draait Wesleys ploeg twee middagdiensten, dan twee nachtdiensten en daarna zijn ze drie dagen vrij. Bij de koffie horen ze hoeveel ton staal de vorige ploeg heeft verwerkt. Er is onderlinge concurrentie. Wesleys ploeg doet het goed. 

Ze maken grappen over andere ploegen, die schuine plakken maken waar veel schrot aan blijft zitten. “Die kunnen beter verderop in het productieproces aan de slag, met krijtjes de staalplakken gaan merken.” Hoogovenshumor.

Nu is hij teamleider, maar eerder stond Wesley langs de branderbanen met een snijbrander met een vlam van een halve meter, de oneffenheden uit lange plakken te branden. Een keer was hij over een stuk gestold staal gestruikeld en op een plak gevallen.

Hij had zich weten om te draaien en zijn gezicht kunnen beschermen, maar verbrandde wel zijn hand en rug. Hij was eraf gerold en meteen onder de nooddouche gaan staan. De kraanmachinist had hem zien vallen en stond meteen bij hem. Samen waren ze naar de eerste hulp gegaan. Gelukkig had hij er niks aan overgehouden.

Na de dienst komen ze met een zwart pak naar buiten en lopen ze direct door naar het badlokaal om zich te douchen. Hun ploegmakkers zien ze vaker dan hun eigen vrouw. Soms gaat er eentje naar een andere fabriek omdat ie wat anders wil, maar echt weg gaan de meesten pas bij hun pensioen. 

Ze kennen elkaar door en door. Delen vervelend nieuws met elkaar, als er bijvoorbeeld iets met een familielid is, en zijn blij als een geboorte wordt aangekondigd. En in hun vrije tijd zien ze elkaar op feestjes of een barbecue.

“Je moet hier erg goed op jezelf letten,” zegt Gerrit Boer (64). “Je hebt te maken met steeds andere grondstoffen. Rode grond uit Brazilië, zwarte uit Noorwegen, en blauwe uit Australië. Er zit ijzererts in, maar ook allerlei andere stoffen. Je weet nooit precies wat. En dat gaat allemaal de ovens in.”

“Dit is geen koekjesfabriek. Je moet altijd bedacht zijn op verrassingen. Op het kantelmechanisme van een smeltpan dat gaat schokken, waardoor 5000 liter gloeiend ijzer over de vloer stroomt. Kijk naar die pannen met een diameter van vijf meter, vol gloeiendhete ijzersoep. Kijk in die grote ovens: 2000 graden Celsius. ‘Zo ziet de hel eruit,’ zeggen we tegen elkaar.”

Tata-werknemer Gerrit Boer. Beeld Maarten Boswijk

Gerrit is hier in 1971 komen werken. “Ken je die foto van die arbeiders op een stalen balk, die hoog boven de grond zitten te lunchen? Zo was het zo’n beetje in die dagen.”

“Toen werd er nog niet zo nagedacht over veiligheid en gezondheid en was asbest nog een topproduct. Mijn moeder had een asbestplaatje waar ze het vlees op liet sudderen. Uit de schoorsteenpijpen kwamen gassen en vlammen in alle kleuren van de regenboog. En werkte elke fabriek volgens de eigen opvattingen. 

‘Bij ons heb je geen haarnetje nodig,’ werd er gezegd. Tot die maat met zijn lange haren in de boormachine verstrikt raakte en een hele pluk uit zijn hoofd werd gerukt.”

Wat Gerrit maar wil zeggen: de opvattingen over veiligheid en gezondheid zijn gigantisch veranderd.

Potloodschraapsel

De omwonenden waren lange tijd heel coulant. Die wisten dat ze naast de hoogovens woonden. Een enkele keer stof op je huis of auto was wel te verdragen voor de meesten. Dan kregen ze een bon en kwam het schoonmaakbedrijf, dat er een dikke boterham aan verdiende, de boel opknappen. 

Maar dat was eerder, toen ze nog dachten dat grafiet gewoon een soort potloodschraapsel was dat niemand echt inhaleerde. Dat was voor dat rapport van het RIVM, waaruit bleek dat er in het grafiet gevaarlijke metalen zijn gevonden, die de ontwikkeling van kinderhersenen kunnen beïnvloeden.

Zodra het k-woord valt, verandert alles. En dat was voelbaar die avond in juni in de sporthal, toen Hans van den Berg, directeur Tata, het plan voor goed nabuurschap tot 2030 zou presenteren. Met daarin 25 maatregelen om de overlast drastisch in te perken. De actualiteit had hem alweer ingehaald. Een moeder zei dat ze niet wist of ze over vijf jaar spijt moest hebben dat ze haar jonge kinderen buiten liet spelen. 

De cafébaas zag zijn klandizie kelderen, omdat de mensen zo slecht over Wijk aan Zee spraken. Een vader riep dat hij geweldig trots was op zijn zoon die bij Tata werkte. De natuurliefhebber foeterde tegen de Tata-directeur dat zíjn fabriek hem alle plezier dat hij aan de natuur beleefde, kapot maakte.

Niemand wist hoe het verder moest. De burgemeesters van Velsen en Beverwijk niet. De directeur van Tata ook niet. Na weer een geëmotioneerde bewoner te hebben aangehoord, keek hij naar zijn voorlichters op de eerst rij. Wisten zij wat ze hiermee moesten? “We zullen het oppakken,” riepen die.

Zware industrie

Het gaat Johan van Boggelen (44), ingenieur bij Tata, aan het hart. Liever zou hij vertellen dat ze het hebben opgelost met die grafiet en CO2-uitstoot, en dat er niemand bij Tata ooit nog asbestkanker zal oplopen. “Het is en blijft zware industrie, en dat is lastig in een dichtbevolkt land.”

Wenckebach, Stork en Fentener van Vlissingen hadden in 1917 bedacht dat een vooruitstrevend land een eigen staalindustrie nodig had. In de IJmond hadden ze de ideale locatie gevonden.

Eerder werkte Johan bij Tata in Engeland. Daar ging de een na de andere staalfabriek op de fles. Door de crisis, maar ook omdat ze niet op tijd specialiseerden. Veel van die fabrieken waren alleen nog maar plakgieters. Tijdens de crisis stapelden ze de plakken tot aan de hemel.

“Maar van plakken kun je geen auto’s of deurklinken maken,” zegt Johan. “De kosten voor staalproductie in Europa zijn door de loonkosten en milieuregels veel hoger dan in de rest in de wereld. Je moet je specialiseren aan de achterkant van het proces. Daar valt het geld te verdienen. Verzinkte staalrollen maken voor de auto-industrie. Verpakkingsstaal voor Coca-Colablikjes.”

Johan van Boggelen, ingenieur bij Tata: ‘Het is en blijft zware industrie.’ Beeld Maarten Boswijk

“Op de wereldmarkt is de concurrentie enorm. In China bouwen ze staalfabrieken die vijf keer zo groot zijn als de hoogovens hier. Alles wat makkelijk te winnen was, is wel zo’n beetje uit de aarde gehaald. Wat ze nu krijgen aan ijzerhoudende grond, is moeilijker te verwerken. Alles wat op je kade belandt, daar zal je iets mee moeten.”

“Je kunt wel vergunningen hebben voor de uitstoot van bepaalde stoffen, maar de omgeving denkt er steeds vaker anders over. Zeker na die grafietregens. Als mensen vinden dat de ruimte voor uitstoot te groot is, moeten ze op partijen gaan stemmen die dat willen veranderen.”

Johans ouders zien Tata op het nieuws en bellen hem. “Doen jullie wel echt het beste wat je kan?” Hij heeft niet overal een antwoord op. Er staan zeventien fabrieken op het terrein en er zijn tientallen processen gaande. Hij kan niet bij elke schoorsteenpijp zeggen wat er precies uitkomt en hoe schadelijk dat is.

Zijn ouders wonen in Groningen, dus die hebben zo hun eigen zorgen met een ander soort industrie. Ze zijn van net na de oorlog en hebben de hele ontwikkeling van de samenleving meegemaakt. Die begrijpen wel dat je een bepaalde prijs betaalt voor alle vooruitgang. Dat de samenleving niet zonder staal kan. Tenminste, niet als je geen afscheid wilt nemen van auto’s, bruggen en vliegtuigen.

Te zeggen dat staalproductie niet thuishoort in Nederland, is volgens Johan struisvogelpolitiek. “Zo van, laat anderen de vervuiling hebben, maar wel de eindproducten willen ontvangen.”

“Net als de staalhandel, is het klimaat een mondiaal gebeuren. De CO2 die staalfabrieken in de Oekraïne en China uitstoten, hebben dezelfde grote gevolgen voor ons klimaat. En hier bij Tata produceren ze veel minder CO2 per ton staal,” zegt hij.

Gerrit Boer heeft gehoord van de asbestkanker bij oud-medewerkers. “Voor die families is het verschrikkelijk. De vraag is: hoe groot de kans is dat je het krijgt?” Zelf is hij ook al eens met asbest in aanraking gekomen. Sindsdien is hij geregistreerd. Dat doen ze bij Tata sinds begin jaren negentig.

Toen ze met al die asbestproblemen in aanraking kwamen, kreeg Gerrit een opleiding, zodat hij en een paar anderen die asbestrapporten konden lezen. Gerrit gaat ervan uit dat als hij asbestkanker ontwikkelt, hij een schadevergoeding zal krijgen. Of zijn vrouw en kinderen, mocht hij eraan overlijden.

Mensen van buiten vragen hem altijd of hij er zijn kinderen zou laten werken. De ultieme test. Dan vertelt hij dat zijn dochter twaalf en zijn zoon veertien jaar bij Tata werken. Zelf vindt hij het niet gevaarlijk om over het terrein te lopen. De hele dag is hij tussen de machines in de staalfabriek. Een mondkapje gebruikt hij alleen als hij naar de ijzerertsopslag moet.

Ziel en zaligheid

Kom bij Martijn Boer (35) niet aan het Tata van zijn vader Gerrit en zijn beide opa’s. Die hebben hun ziel en zaligheid in het bedrijf gelegd. Als er crisis was en de boel was vastgelopen, belden ze Gerrit. Die bleef rustig en zou het wel oplossen.

Nu is zijn vader een nieuwe gietmachine aan het bouwen. Dat moet gebeuren terwijl de twee andere gietmachines doordraaien. De boel stilleggen kan niet. Elke minuut dat er geen plakken over de warmband rollen, kost dat 5000 euro. Dus had Martijns vader bedacht dat ze een wand van containers moesten bouwen: 25 meter breed, 10 meter hoog, zodat er geen vloeibaar staal over de bouwers zou sproeien als er iets misging.

Tata-werknemer Martijn Boer. Beeld Maarten Boswijk

Bij de poort staat een groot elektronisch bord, waarop het aantal ongelukken wordt bijgehouden. Je moet het zien als een piramide. Met onderaan de onbenullige ongelukken met trappen en losliggende draden. Iets daarboven de gloeiende ijzerspetters op een arm, die snel kunnen worden verbonden. Helemaal bovenin heb je de dood.

Dat ongeluk was alweer een tijd geleden, maar Gerrit en de anderen weten nog precies wat er met Kars (fictieve naam, red.) gebeurde. Die oude rot had de veiligheidsregels zo vaak gehoord, dat hij ze zelfs kon opdreunen als je hem wakker zou maken. Maar die noodlottige keer was hij het vergeten: de regel dat je met vier ogen naar binnen gaat.

De grote band was stilgevallen. Kars was gaan kijken en had de deur dicht laten vallen. Zijn collega was het stuurhuis binnen gekomen, zag de band stilstaan en schakelde hem weer in. Kars was door de machine tegen de wand gedrukt. Daar was geen redden aan. De hele ploeg was er kapot van.

Wanden jekkeren

Zelf heeft Gerrit ook een ongeluk hoog in de piramide meegemaakt. Met twee jongens die voor hem aan het werk waren bovenop een hoogoven. Die stond al een paar uur uit en was gelucht, want er mag niemand in de buurt van de koolmonoxide zijn.

“Die jongens moesten met drilboren de wanden schoon jekkeren,” vertelt Gerrit. “Op honderd meter hoogte. Het was een samenloop van omstandigheden. Beneden hadden ze het luik opengezet en achter de kalk had gas gezeten. Dat jekkeren is zwaar werk, met veel herrie en die jongens hadden het alarm op hun gasmeter niet gehoord. Toen de koolmonoxide vrijkwam zijn ze meteen neergegaan.”

Anderen hadden ze zien liggen en hen met het gezicht in de wind gelegd. In de ambulance waren ze aan de zuurstof gelegd en naar het ziekenhuis vervoerd. Achteraf besefte Gerrit pas dat het heel anders had kunnen aflopen.

Niet alle gevaar is uit te sluiten op een terrein van 750 hectare (1500 voetbalvelden) met levensgrote machines, waar gloeiend hete metalen van hot naar her worden vervoerd, met gevaarlijke processen, stoffen en gassen.

Met 5000 man die dag en nacht de grote gulzige vuurhaarden draaiende moeten houden. Elk proces kan net even anders lopen dan je verwacht. Smeltpannen zo groot als de Montelbaanstoren, gevuld met 350 ton staal die kunnen knappen. En uiteindelijk is het allemaal mensenwerk. Mensen die de pannen laten draaien, die de wagons met vloeibaar ijzer over het terrein sturen.

Vroeger moest Wesley de grote staalpannen met speciaal schuurzand bewerken. Dat was geen lekker spul. Hij had het onder het vergrootglas zien liggen. Op een kaart in het stuurhuis stond beschreven wat voor metalen er in zaten. Lood, mangaan. Dat moest je niet in je lichaam krijgen. Daarom had hij een mondkapje gebruikt.

Wesley vindt het fijn dat zijn werkgever hem erop attent maakt met welke stoffen hij in aanraking kan komen. Dat ze middelen aanbieden om zijn gezondheid te beschermen: stofkapjes, brillen, zuurstofmaskers, brandwerende kleding. Elke drie jaar wordt hij medisch onderzocht. Worden zijn bloedwaarden bekeken, een hartfilmpje gemaakt en zijn longen getest. Alle waarden kan hij teruglezen in de computer. Hij vertrouwt erop dat Tata het beste met zijn gezondheid voorheeft.

Ze worden defensief als het over de overlast van Tata gaat. Het voelt alsof hun familie wordt aangevallen. Als je vraagt waar Tata over twintig jaar zal zijn, zeggen ze: “Hier in de IJmond!”

“Waar moeten die gezinnen anders naartoe, die er een goede boterham mee verdienen?” In totaal zijn dat 9000 werknemers, en nog eens 15.000 die via de vervoerders, bakkers, kledingwasserij en onderhoudsdiensten voor Tata werken. “Moeten ze allemaal in de toeristenindustrie gaan werken?” voegt Gerrit toe.

Hoeveel horloges ze wel niet uitdelen aan werknemers die na veertig jaar trouwe dienst afscheid nemen. En ze hebben voor 100 miljoen een doekfilter bij de sinterfabriek gebouwd, die fijnstof moet tegenhouden en de uitstoot van zware metalen moet verminderen.

“Met de kosten ervan zou je een heel fabriekencomplex in Polen een stuk milieuvriendelijker kunnen maken,” zeggen ze tegen elkaar.

Er werken rond de 9000 mannen en vrouwen bij Tata Steel in IJmond. Beeld Maarten Boswijk

Miljoenen investeren

En nu komt er een hal over de Harsco-fabriek, die voor de grafietoverlast zorgt. Weer miljoenen die ze investeren, zonder dat de metaalindustrie er beter van wordt. “Gooi overal maar een hal over,” wordt er buiten geroepen.

“Dat kan, maar op zeker moment ben je zoveel kosten aan het maken, dat je niet zult overleven in de wereldmarkt,” zegt Johan. Hier is het grafiet en fijnstof, maar fijnstof heeft Gerrit bij zijn huis naast de A9 ook. En die willen ze nu verbinden met de A8. Nog meer auto’s, nog meer fijnstof. Uit de uitlaat van auto’s komt ook koolmonoxide. En in Hoorn waar zijn boot ligt, daalt de overbodige kerosine van de vliegtuigen op weg naar Schiphol, op hem neer. Van dat vettige spul, dat aan zijn boot plakt.

Boven Hoorn gaan ze zestig windmolens bouwen. Er is veel protest. Gerrit: “Iedereen wil windenergie, maar niemand wil zo’n ding in zijn tuin. Iedereen wil staal, maar niemand wil de vervuiling.”

Hij maakt zich zorgen over die negatieve stemming. Kijk wat ze laatst deden bij die grote varkensboer. De groep activisten die het bedrijf bestormde en de hele boel platlegde. “Zoiets komt hier ook dichterbij.”

Johan zou liever nieuwe technologie uitvinden om de vervuiling tegen te gaan. Tata werkt aan een proeffabriek, HIsarna, waar ze via een nieuw proces met veel minder CO2-uitstoot toekunnen. De techniek hebben ze hier bedacht. Het is revolutionair, denken ze. Hij vergelijkt het met de overgang van brandstof naar elektrisch rijden. Vooral als ze straks ook CO2 kunnen opslaan.

Uit de hele wereld willen ze komen kijken. Johan kan wel bij de poort gaan staan om kaartjes verkopen, zegt hij. Maar allemaal willen ze het ook eerst zien en dan pas geloven. Met een ploeg van tachtig man werken ze dag en nacht om het te ontwikkelen, maar het duurt nog wel een jaar of tien voor ze echt in productie kunnen gaan.

Tien jaar is in klimaaturgente tijden een eeuwigheid. Als het lukt, zullen ze geweldig trots zijn. Komt hun model straks in alle staalfabrieken over de hele wereld te staan. Met daarop de tekst: Invented by Hoogovens Nederland.

Goede buren

Gerrit, Johan en de anderen willen dat het bedrijf milieuvriendelijker gaat werken. Zij zijn dag en nacht op dat terrein. De meesten wonen in de buurt. De mening over wat wel en niet kan is in beweging.

De strijd gaat over de toekomstige inrichting van Nederland. Wat vinden we belangrijker? Welvaart of milieu? Gemak of gezondheid? Allebei gaat niet. Het gaat over de grenzen van onze welvaart.

Het dorp strijdt tegen de staalreus. Je moet in gesprek blijven, vinden de mannen van Tata. “We zijn buren. Mensen hebben staal nodig. Mensen hebben werk nodig.”

Tata Steel onder vuur

Tata Steel is zwaar onder vuur komen te liggen door de grafiet-regens die sinds vorig jaar zomer neerdalen boven Wijk aan Zee.

Dit jaar bleek dat er zware metalen in zitten die schadelijk zijn voor jonge kinderen. Vorig jaar was de bezorgdheid al groot in het dorp dat letterlijk onder de rook ligt van het vroegere Hoogovens. Maar toen werd vanuit de autoriteiten en Tata Steel nog gezegd dat de gevolgen te overzien zijn omdat het gaat om ‘grof stof’ dat niet diep doordringt tot de luchtwegen.

Maar uit onderzoek van RIVM bleek dit voorjaar dat tussen het grof stof ook zeer zorgwekkende stoffen zitten, zoals lood, mangaan en vanadium.

De blootstelling in Wijk aan Zee is volgens RIVM dusdanig dat die ‘ongewenst’ wordt genoemd. RIVM ging daarbij uit van een scenario waarbij jonge kinderen stof via hun handen en mond binnenkrijgen.

Tata Steel heeft maatregelen aangekondigd om de grafietuitstoot te voorkomen, maar die gaan pas echt tot het verleden behoren als volgend jaar een nieuwe hal is gebouwd. 

Productie van het eerste ijzer na het aansteken van Hoogoven nummer 1, 1924. Beeld ANP

Tijdlijn

1918 Oprichting Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken NV
1924 Productie van het eerste ijzer na het aansteken van Hoogoven nummer 1
1938 Ingebruikname plaatwalserij
1938 Eerste Hoogovens Schaaktoernooi. Dat bestaat nog steeds
1939 Begin van de productie van staal
1939 Eerste aandelen aan de Amsterdamse effectenbeurs
1951 Opening van het karakteristieke hoofdgebouw van Dudok
1953 Eerste Warmband- en koudbandwalserij
1958 Opening Oxystaalfabriek 1
1972 Sluiting drie oudste hoogovens
1972 Fusie met het Duitse Hoesch tot Estel
1981 Eerste continugietmachine
1982 Estel wordt ontbonden, de fusie met de Duitsers teruggedraaid
1989 Opening dompelverzinklijn
1999 Fusie met British Steel tot Corus
2000 Opening Gietwalsinstallatie
2007 Overname van Corus door Tata Steel
2009 Opening Hoogovensmuseum
2018 Joint venture Tata Steel Europe en Thyssenkrupp
2019 De Europese staalonderdelen van Tata Steel en Thyssenkrupp gaan weer uiteen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden