Plus Interview

De kostuumobjecten van Rien Bekkers zijn niet om aan te trekken

Beeld Rien Bekkers

Rien Bekkers (68), kostuumontwerper voor theater en opera, verlegt zijn aandacht naar kunstobjecten. ‘Ik maak van mijn werk nu weer mijn hobby.’

“Nee, nee.” Rien Bekkers schudt met het hoofd alsof hem iets ondenkbaars is voorgesteld. Het woord ‘pensioen’ is zojuist gevallen en dat is niet wat de gevierde kostuum­ontwerper voor ogen heeft. Met de hand wuift hij het idee weg. “Nee, voor een kunstenaar bestaat er niet zoiets als een pensioen.”

Bekkers zit in de monumentale Gallery 238 aan de Brouwersgracht, te midden van zijn nieuwste ontwerpen: een serie kostuums op paspoppen ter grootte van een kind. Ja, die zouden theoretisch gedragen kunnen worden, maar zijn bedoeld als kunstobject. Museaal gestut op zwarte sokkels vormen de kostuums net de dracht van een futuristisch koningshuis: enerzijds majesteitelijk en gestoeld op historische patronen, anderzijds fantasievol en kleurrijk, met grote ‘hoeden’.

Bekkers: “Personages uit stukken van Shakespeare vormen de basis, maar soms heb ik een tijd niks gemaakt met zo’n hoofdtooi.” Wijzend op een van zijn ontwerpen: “Nou, dan moet er dus een tooi komen.”

De afgelopen vier decennia ontwierp Bekkers honderden kostuums voor opera, toneel en ballet. Ruim 150 producties voorzag hij van eigenzinnige kledij. Zocht een ­gerenommeerd theatergezelschap kostuums die een voorstelling naar een hoger niveau konden tillen, dan kwamen ze bij Bekkers uit.

Zijn specialiteit: ontwerpen die acteurs transformeren, om zo tot beter spel te komen. Of dat nou ging om een Shakespeareaans epos in de Stadsschouwburg of de verfilming van Erik of het klein insectenboek (2004), waarvoor hij de iconische insectenpakken van onder anderen Georgina Verbaan (mug) en Jörgen Raymann (hommel) creëerde.

Met gepaste trots: “Ja, ik heb lang veel mooie dingen ­mogen maken.”

Beeld Rien Bekkers

Daar is Bekkers niet mee gestopt, al richt hij zich nu voornamelijk op zijn kostuumobjecten, zoals hij de werken noemt. Dat heeft één groot voordeel ten opzichte van theaterkostuums: Bekkers wordt door regisseur noch acteur beperkt. “Een zanger moet goed kunnen horen. Zo’n tooi zou dus de oren niet kunnen bedekken. En bij een kraag moet je rekening houden met iemands bewegende strottenhoofd. Daar heb ik geen last meer van.”

Door de grofweg 25 kostuums in de serie te presenteren op paspoppen zonder hoofd of ledematen, gaat de aandacht volledig naar de kledij, zo hoopt de ontwerper. Dat is het tegenovergestelde van wat Bekkers beoogde in het theater. “Theater is geen modeshow. Daar moet de kleding een acteur ondersteunen. Zelfs de grootse, monumentale kostuums. Nu ben ik vrij en mag alle aandacht juist gaan naar mijn ontwerpen als object.”

Dat lukt: voor Bekkers’ kunstwerken is wereldwijd interesse. Ze waren eerder te zien tijdens World Stage Design in Seoel, Noord-Brabant én in het Bachroesjina, ’s werelds grootste theatermuseum, in Moskou. Begin volgend jaar heeft Bekkers een plek op de International Art Fair in ­Miami, maar tot die tijd zijn de kostuums te zien in ­Amsterdam.

Jeukende vingers

De ontwerper maakt zijn objecten in Indonesië. In 2007, twee jaar nadat het Rijksmuseum Twente het 25-jarig ­jubileum van Bekkers’ carrière met een overzichtstentoonstelling had gevierd, besloot hij met zijn partner voortaan te overwinteren in warmere oorden. Dat werd ­Bali, ‘een heerlijke plek’.

Daar vindt Bekkers dagelijks nieuwe inspiratie: in lokale ambachten, exotisch textiel en bijzondere materialen, ­zoals been en schelpjes. Dan gaan de raderen draaien, de vingers jeuken en moet er worden gecreëerd.

“Als je ziet wat de mensen op Bali kunnen maken… Laatst deed ik weer een ontdekking: ik vond iemand die kleine, platte schelpjes stanst en daarvan knoopjes maakt. Dan bedenk ik direct een ontwerp met een lijfje vol knoopjes voor me. Ontzettend leuk. Of ik ontmoet iemand die met kleine machines koeienbotten platdrukt en daarvan driehoekjes kan zagen. Die zie ik dan voor me op zo’n tooi.”

Bekkers loopt door de galerie om elk ontwerp van context te voorzien. Bekkers brak onlangs een been – “Ik ben gestruikeld over de tuinsproeier” – en loopt nog met een stok, maar zelfs nu is het werken om hem bij te houden. Over een gekleurd ontwerp vol minuscule spiegeltjes: “Kijk, dit is de nar uit King Lear. Dat hele lijfje is met de hand geborduurd op een bodystocking. En die kraag? ­Geverfd buffelhaar, dat normaal wordt gebruikt voor grote pruiken.”

Beeld Rien Bekkers

Bij het kostuumontwerp met de glanzende pailletten blijft hij staan. “Daar zit een half jaar borduurwerk in.” Dat kan haast niet anders: elk lovertje is minutieus op zijn plek gezet door iemand met engelengeduld. Het lijfje zit loeistrak, het pofbroekje poft en het geheel glanst in perfecte paillettenpracht.

Die aandacht zit in elk ontwerp. Geen kraaltje zit scheef en geen centimeter Indiaas band krult waar dat niet de ­bedoeling is. Om Bekkers’ kritisch oog voor detail te ­illustreren: de veren in zijn blauwpaarse ontwerp waren hem aanvankelijk toch nét te breed en krullerig. “Dus heb ik ze een voor een laten omwikkelen met een draadje. Ja, dat kan allemaal op Bali.”

Dat gaat niet zonder investeringen. Bovendien heeft Bekkers een oog voor luxe en kostbare stoffen, zoals Indiase zijde. “Die verzamel ik op mijn reizen en ja, dat loopt ­aardig in de papieren.”

Bekkers ontwerpt alles en maakt ‘proefjes’, maar zit niet zelf in een Indonesische strandtent eindeloos kraaltjes te rijgen. Dat laat hij door lokale experts doen. “Ik hou van ambachten, van mensen die iets bijzonders kunnen ­maken. Ik ben de ontwerper, maar het handwerk laat ik over aan iemand met routine.”

Hij wijst naar het blauwe ontwerp met de omwikkelde veertjes: “Dat kralenwerk is gedaan door iemand die voor toeristen armbandjes met hun naam erop borduurt. Dan denk ik: jij kunt vast ook wel een kraag met kralen maken, of twee gekko’s borduren. En inderdaad: moet je kijken.”

Een vorstelijk patroon

Bekkers loopt verder, naar een ontwerp met geborduurde bloemen op tule. De bloemen vond de ontwerper beeldschoon, maar de gaasachtige stof ertussen kon zijn goedkeuring niet wegdragen. Dus liet hij de ruimte opvullen met glimmende kraaltjes, met een vorstelijk patroon als resultaat. “En die kraag? Gemaakt door iemand die placemats maakt. Nou, wat is een placemat met een gat erin? Een kraag.”

Bekkers is zichtbaar thuis in zijn rol als uitvinder van ­onconventionele materialen voor zijn kostuums. Hij heeft dan ook niet geschroomd uit te pakken met humoristisch absurdisme. “Ja, sommige delen van de kostuums zijn groots of buitenproportioneel, maar dat is het mooie eraan. Ik haal zo veel voldoening uit ontwerpen. Ik heb van mijn hobby mijn werk gemaakt en maak nu weer van mijn werk mijn hobby”.

Dan, gespeeld bescheiden: “En ik moet ook iets te doen hebben, hè?”

De kostuumobjecten van Rien Bekkers zijn tot en met december te zien en te koop in Gallery 238, op de Brouwersgracht.

Ontwerper Rien Bekkers: ‘Ik hou van mensen die iets bijzonders kunnen maken.’ Beeld Lin Woldendorp

Wekelijks een overzicht van de nieuwste hotspots, uitgaanstips, films en restaurants in je mailbox? Schrijf je dan nu in voor de Uit-nieuwsbrief van Het Parool.

Ook leuk: volg @hetparool op Instagram.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden