PlusKort verhaal

De ezel en de puntmutsgeest

Beeld Julian Stips

De kerstgedachte verpakt in een 1001-achtig sprookje, met een knipoog naar Multatuli’s parabel over de Japanse steenhouwer. Een leesverhaal van schrijver Mohammed Benzakour.

Op een snikhete dag stond de ezel te grazen naast een mimosastruik. Hij was niet alleen; hij werd vergezeld door een troep heethoofdige steekvliegen die uit zijn ooghoeken dronken en in zijn vacht prikten. Schuddend met de kop en zwiepend met de staart probeerde de ezel het ongedierte te verjagen, maar even sprongen ze op om daarna weer terug te strijken.

De hele dag ging dat zo. En juist dat de ezel een lange, wanhopige kreet uitbracht, steeg daar uit het gras een mistige gedaante omhoog. Het droeg een gele puntmuts en zei: “Ha ezeltje, ik ben de Wensgeest, ik kan je omtoveren in wat je wilt. Wat blieft u?”

De ezel schrok van deze merkwaardige gestalte, herpakte zich, snoof diep, zwiepte nogmaals met de staart, en zei: “O ja? Nou Wensgeest, als je eens wist hoe ondraaglijk mijn lijden is onder die vermaledijde dazen, mijn wraakgevoelens zijn groter dan de berg van Toubkal! Je zou me een groot plezier verschaffen als je mij zou veranderen in een gulzige, hongerige spin.”

De geest had niks te veel gezegd, want jawel, pardoes verscheen daar een dikke, glimmende, zwarte spin. En hij weefde twaalf webben in alle hoeken en gaten van de mimosastruik en verbond de webben met zijn lijf via een twaalftal ragfijne draden zodat hij de ganse dag de ene steekvlieg na de andere verschalkte. Hij danste van genot. “Jullie verdiende loon! Hahaha!”

De spin was zo handig en succesvol dat hij alras de aandacht trok van de wijfjes en binnen een mum van tijd waren daar een twintigtal babyspinnetjes geboren die allen het voorbeeld van hun vader volgden en hun buikjes rond aten van de steekvliegen.

Dat ging een lange poos goed tot op een ochtend papa uit zijn holletje kroop. Tot zijn afgrijzen ontdekte hij dat al z’n kindjes waren opgepeuzeld, waarschijnlijk door een horde zwaluwstaartwouwen die smakkend en boerend toekeken vanuit een boom, en hij wist dat het waarschijnlijk niet lang meer zou duren eer hij en zijn vrouw aan de beurt waren. De spin griende en vloekte en ontstak in woede en plots verscheen daar de Wensgeest.

“Ha die spin! Hier ben ik weer, je vriend met de puntmuts, vraag alles wat je wilt en ik vervul je wens.”

“O kameraad, die vervloekte zwaluwstaartwouwen hebben m’n kroost met huid en haar verschalkt. Ik tel de uren dat hun lot het mijne zal zijn! Maak mij tot een uitmuntende vogeljager. Nu meteen!”

En de spin had zijn woorden nog niet uitgesproken of in het grote bos liep een heerschap die gewapend met katapult de ene zwaluwstaartwouw na de ander uit de boom liet tuimelen. Hij verzamelde ze in een grote zak en bracht ze naar de markt. De jager dreef goede handel, want de bouillon van de zwaluwstaartwouw behoorde tot de krachtigste en heilzaamste van het land.

En al snel tierde de handel in de zwaluwstaartwouw zo welig dat de vogeljager zijn jachtterrein verbreedde en nu ook fazanten, haviken, spechten, tapuiten, dwergijsvogels, en zelfs lepelaars met een welgemikte schot te grazen nam. Zijn ambacht werkte aanstekelijk en zijn handel kreeg een goede naam, zodat al snel ook bij anderen het idee postvatte zich een katapult aan te schaffen en van de vogeljacht hun broodwinning te maken. Zo geschiedde het dat de vogeljacht een populaire inkomstenbron werd voor de ganse streek.

Maar op een dag klopte het noodlot op de deur. Een enorme schare houthakkers streek neer in het bos en begon als dolle stieren bomen te kappen. De gouverneur had ontdekt dat houthandel bijzonder lucratief is en het braakliggende terrein het ideale grondgebied zou zijn om er zijn verzameling villa’s en zwembaden op uit te breiden, zodat de gouverneur de zomers op aangename wijze kon doorbrengen met zijn familie en minnaressen.

De jagers treurden om hun vogels die door al het kapgeweld waren weggevlogen naar andere, verre, bosrijke oorden. Ze huilden dikke tranen om het brood dat hen door deze op pronkbeluste maniak afhandig was gemaakt. En toen onze dappere held de vogeljager met luide stem op het marktplein de mensen opriep ‘in opstand!’ te komen tegen deze ‘inhalige tiran!’ werd hij in de boeien geslagen, geworpen in de diepste kerkers en op een rantsoen gezet van water en brood.

In de duisternis van zijn krap, stinkend krot gaf de jager lucht aan zijn hartzeer, dag na dag, nacht na nacht, tot daar plotseling zijn puntmutsvriend verscheen, ditmaal gekleed in een glimmend paars pakje.

“Hela vriend, ik heb alles gezien en het is een grof schandaal! Maar janken is niet nodig, vraag me wat u wenst, en nu meteen komt het uit!”

“Och,” zei de jager, “wat ben ik blij je te zien! Deze ploertige despoot zal boeten tot hij zal walgen van zijn eigen gore lijf! Maak mij tot koning des lands!”

En jawel, van het ene op het andere moment lag daar naakt op bed, met een diamantenkroon op het hoofd, de koning van het land. Twee dames kronkelden zich om zijn voeten met sterk geurende amandelolie. De koning krabde aan zijn baard en beval aan de kamerknecht de lakei bij zich te roepen. Deze verscheen in een smetteloos wit pak en de koning fluisterde hem in het oor dat hij vannacht droomde dat de gouverneur uit zijn mond stonk en zich niet waste en, nog erger, voor de lol op vogels joeg. Zulke gouverneurs zijn een aanfluiting voor het ambt, laat hem halen!

De lakei draaide zich om en de ochtend erna werd de gouverneur uit zijn bed gelicht (‘Nee, u hoeft uw tanden niet te poetsen want u hebt altijd een slechte adem’) en voor het hof gesleept. Na enig beraad kreeg hij een pak ransel met de spijkerzweep en werd hij in zijn onderbroek de grens over gezet. “Wee je gebeente als je ooit nog voet durft te zetten in mijn land!”

De koning was een gelovig man. Elke morgen liet hij zijn edele delen reinigen door een tweetal concubines waarna hij tot God bad. Hij brak het vasten met de meest exquise wijnen, die hij ‘Gods geschenk’ noemde, en ieder jaar liet hij tien gevangenen vrij. Zijn liefde voor God was zo groot dat hij zich vaak terugtrok in een van zijn gouden badkuipen om er te mediteren terwijl witte, dartele vingers zijn nek masseerden. Maar hoe groot ook zijn liefde voor God, zijn angst voor de hel was groter. Natuurlijk, hij was de machtigste man van het rijk, misschien wel van de aardbol, hij heerste over het luchtruim en over de zeeën, over bergen en dalen, maar wat daar hoog voorbij de hemelen op hem wachtte, dat kon hij met geen raad of daad bevroeden. De koning had alles wat zijn hart begeerde, behalve de garantie van de hemel. Dat Oordeel ligt in handen van God, en niet in de zijne, hetgeen hem met angst en weerzin vervulde. Hoe vaak niet werd hij ’s nachts gillend wakker en dacht dat de vlammen al rondom zijn bed knetterden.

Het was op een van deze woelige nachten dat hij nat van het zweet opstond, met een kandelaar in de hand richting zijn tuin afdaalde, en de hemel aftuurde alsof hij zocht naar een troostend aanblik. De sterren hingen er stil en vredig bij en uit zijn oog rolde een traan. Hij viel op zijn knieën en een onbedaarlijk gehuil galmde door de tuin, toen daar plots een stem opklonk. “Zeg zijne hoogheid, wat is dat voor gejank. Dat past u niet!”

De koning schrok zich rot. “Vervloek de satan, wie bent u!?”

“Ach kom! Herinnert u zich mij niet meer? De Wensgeest! Uw wens is mijn bevel.”

“Och ja! Ik ben oud en vergeetachtig, maar wat ben ik verheugd u hier te zien!”

“Zeg op, waar ontbreekt het u aan?”

“Ach mijn dagen zijn geteld, ik voel mij slap en zwak, ik versteen van angst als ik denk aan wat mij opwacht na mijn sterven. Ik ben als de dood voor de Schepper, zijn macht, zijn toorn, de vlammen die mijn buik zullen roosteren tot een klompje kool! O lieve geest, God is mij dierbaar, dat weet u, maar wat vrees ik toch zijn Oordeel..”

“Ah! U vreest de Dood!”

“Nee, nee, de dood kan mij gestolen worden! Ik ben bevreesd voor de vlammen die daar onstuimig knapperen. Ik weet niet wat ik moet doen, ik weet het niet...” Een traan welde op in zijn ooghoek.

De geest krabde aan zijn muts, stak een duim in de mond, peinsde voor zich uit… “Hmmm…wel, zijne hoogheid, eenvoudig is uw vraag niet. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, maar als u zozeer het hellevuur vreest, zit er maar één ding op.”

“Zeg op! zeg op!” riep de koning opgetogen.

“De enige manier om de pijnen van het helse vuur te trotseren, is om zélf een vuur worden!”

“Wat zegt u daar?”

“Jawel. De enige die niets te vrezen heeft van vuur is het vuur zelf, waar of niet?”

“Allemachtig U hebt gelijk!” riep de koning uit. “Wat een genie bent u toch!”

En het volgende moment flakkerde daar in de tuin een prachtig vuur van vijf dikke oranje vlammen. De vlammen lachten uitbundig en maakten rondedansjes van plezier en klauterden de trappen omhoog en zoefden door de galerijen en gangen: “Ik ben gered! Ik ben gered!”

De dienstboden en knechten werden wakker uit hun slaap en kwamen nieuwsgierig kijken. Het vuur bleef alsmaar roepen ‘Ik ben gered! Ik ben gered!’ Als een vuurpijl raasde het vuur door de portalen en lokalen, en alle donkere hoeken en ruimten lichtten op als getroffen door een bliksemschicht zodat de doorgaans kalme lakeien zich een hoedje schrokken.

“De hel kan me niets meer maken! Hahahaha!” riep het vuur. De hofdames stoven als angstige konijnen uiteen en riepen ‘hekserij! hekserij!’, waarop de vuurbol gierend van het lachen achter ze aan joeg, hier en daar een zoom van een rokje in de fik zettend zodat het juffertje gillend in een badkuip dook. Het vuur schuddebuikte van plezier en riep ‘Niets kan mij nog schrik aanjagen! Ik ben de machtigste op hemel en aarde, hahahaha!’

En zo, omdat de vorige koning spoorloos was verdwenen, kroonde de bolide zichzelf tot de nieuwe paleisvorst. De nieuwe koning beloofde geen van de paleisdienaren kwaad te zullen doen als zij zich maar ijverig en gedienstig naar zijn bevelen schikken. Maar alle hovelingen, van kok tot lakei, van knecht tot loper, vertrouwden dit vreemde sujet voor geen cent en beraadden zich al op een list. In het diepste geheim kwamen de slimste raadsheren bij elkaar om op fluistertoon te delibereren hoe van deze ‘heetgebakerde bullebak’ af te komen. Gevangenschap, executie, vergiftiging?

En zo geschiedde het dat op een warme zomerdag, toen de vlammenkoning zich juist neervlijde voor zijn gebruikelijke siësta onder de perenboom, pardoes een grote plons water over zijn kop werd gesodemieterd. De koning sprong gillend opzij, maar het was al te laat: de eens zo flamboyante vijfvlammerige bolide verschrompelde tot één pietepeuterig pitje. Zo pietepeuterig dat het moest oppassen dat het niet door het geringste briesje zou worden uitgedoofd.

Zo snel het kon vluchtte het pitje de tuin uit en wist zich te verschuilen in een muizenhol, bevend en rillend voor de dood die nu wel spoedig zou aankloppen. Was het geen windvlaag dan wel een stortbui. Snikkend en snotterend bracht het pitje zijn laatste uren door…langzaam dreef het licht uit zijn aderen... toen daar ineens een vrolijke stem tot hem sprak: “Ha vlammetje, ze hebben je goed te grazen genomen hé!”

“O God jij bent het weer! Wat een stommiteit om te denken dat vuur het machtigste op aarde is! Kijk eens wat er van me terecht is gekomen. Dat valt me vies tegen van je, stomme Wensgeest!”

“Hoho vlammetje, ook wij geesten zijn feilbaar. Maar van fouten moet men leren en wie van zijn noden geen deugd maakt, is geen knip voor de neus waard!”

“Dat mag wel zo zijn maar ik sta verdikkeme op punt van uitsterven en God mag weten wat mij daar in de hemelen te wachten staat!”

“Kom, niet zo bevreesd. Wie niet van zijn fouten leert is een druiloor.”

“Zeg op dan! Wat is de les van deze rampspoed?!”

“Nogal simpel. Water is machtiger dan vuur.”

“Sodeju! Daar zegt u wat!”

“Ik ben er voor uw wensen.”

En de geest maakte een triomfantelijke buiging.

“Waar wacht je dan nog op?! Verander mij in water! Nu! Maak voort!”

“Hoho, haastige spoed is zelden goed. Wat precies is uw wens? Dacht u aan een grote zee vol vis? Of prefereert u een klein meertje midden in een bloemenveld?”

“Hmmm… de zee is me te zout en bovendien lust ik geen vis. Nee, doe mij maar een fijn beekje. Bovendien, na alle grootheidswaanzin is bescheidenheid nu wel op zijn plaats, nietwaar?”

“Dat lijkt me geen malle gedachte. Een beekje dus.”

“Jawel. En snel een beetje, want ik voel een wind opsteken!”

En bij deze woorden ontvouwde zich als bij toverslag een mooi, weelderig heuvellandschap waardoorheen een smal, helderblauw beekje slingerde. Het water voedde het gras en de bloemen, de bijen en libellen nipten hun tongetjes in haar schoot en de zon spiegelde zijn stralen op haar glinsterende huid. En zo verstreken mooie maanden en mooie jaren, jaren van overvloed en vruchtbaarheid.

Tot het Rampjaar zich voordeed; het jaar waarin maanden achtereen geen druppel regen op aarde viel. Oogsten mislukten, struiken droogden uit, vogels lieten hun vleugels zakken en tuimelden op de grond, zelfs de meest kranige haas verschrompelde tot een mottige schim met uitstekende ribbenkasten. Tegen de zon is geen kruid gewassen. Deze scheen zo fel over de aarde, en zijn stralen kliefden zo diep in de gebarsten grond, dat alle watermoleculen in blad en bloem tot een wuft gasbelletje verdampten.

En het beekje? Ja, dat kromp steeds verder ineen. Van het beekje bleef niet veel meer over dan een miezerig plasje dat vechten moest voor zijn laatste druppels. Het plasje hapte naar adem als een vis in een bootje, zelfs tranen om te wenen ontbraken. Maar toen klonk daar ineens…nee, niet de stem van de puntmutsgeest, maar het ijle, zachte hoefgetrappel van een ezel. Het dier kwam in een sukkeldrafje aangelopen en stopte vlak naast de plas, rekte z’n hals uit en lepelde gretig de laatste druppels op. Zijn lippen bevochtigend vervolgde hij sjokkend z’n weg, dieper en dieper het dal in, wiegend met de heupen en zwiepend met de staart… 

De ogen van Fadil, het nieuwe boek van Mohammed Benzakour, verschijnt in februari bij uitgeverij Ambo|Anthos, €20,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden