Plus Terugblik

De eerste volledig zwarte school in het compleet witte Zuid

Het zou nu vrijwel ondenkbaar zijn, een Amsterdamse school voor louter Marokkaanse leerlingen. Maar in de jaren tachtig en negentig bestond hij wel degelijk: de Bouschrãschool in Zuid, nu onderwerp van een documentaire. Nog voor de officiële opening werden de ruiten ingegooid.

De Bouschrãschool Beeld Peter Wolters

Als een lopend vuurtje ging het door de buurt in Amsterdam-Zuid: een Arabische school! Er is een Arabische school geopend! Marokkanen blij, buurtbewoners boos. Wat moet dat? Juffen in nikab?

“Ja echt,” zegt Nadia Bouras (37), migratie-onderzoeker aan de Universiteit Leiden en tussen 1985 en 1994 leerling van de Bouschrãschool. “Dat dachten ze. De schok was enorm. Je moet je voorstellen: wij waren een volledig zwarte school in een compleet witte wijk.”

De geschiedenis kent vreemde sluipwegen. Ooit was op de Jekerstraat de Jekerschool gevestigd, in 1937 omgedoopt tot Vondelschool omdat in het hele land geen school meer was vernoemd naar Nederlands grootste dichter: Joost van den Vondel. Tijdens de bezetting stond de school bekend als de Joodsche School 11. En nu zit er de Shoura Moskee. Vrijwel vergeten zijn de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw, toen het pand werd gebruikt door de Bouschrãschool, in zijn hoogtijdagen met driehonderd leerlingen een van de grootste scholen van de stad.

Ruiten ingegooid

Een Arabische school met louter Marokkaanse kinderen geboren uit christelijke naastenliefde. Bij de opening in 1982 stond het Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland voor de deur te protesteren, beducht voor de lange arm van koning Hassan II.

Christelijke organisaties vroegen zich in gemoede af waarom de kinderen niet werden bekeerd tot het christelijk geloof en in de buurt werd gevreesd voor de overname van het aloude speeltuintje. Een jaar eerder, toen de school het nog moest doen met een oud en krakkemikkig gebouwtje van het gemeentelijk vervoersbedrijf in de Vechtstraat, werden in het weekend de ruiten ingegooid.

Op 1 februari 1971 opende de Ecole Arabe d’Amsterdam in de Barndesteeg officieel zijn deuren. Beeld privé foto

En de Nederlandse overheid? Die snapte er al helemaal weinig van en talmde jaren voordat zij over de brug kwam met geld en een fatsoenlijk gebouw. Tot die tijd leefde de school van gulle giften en een beetje subsidie uit Marokko.

Andere tijden

Bouras moet hard lachen. Nee, zelf zou ze haar kinderen nooit naar zo’n school sturen. Andere tijden, andere behoeften. Maar een Marokkaans getto? “Als je in Oud-Zuid op de Montessorischool zit en per jaar vier keer op vakantie gaat zit je ook in een bubbel. Dat vinden we nooit een probleem, maar zodra het om Marokkanen gaat, denken we meteen: als dat maar goed gaat.”

Ze heeft met Hassnae Bouazza een documentaire gemaakt over haar oude basisschool en werkt nu aan een boek. “Vraag het de Marokkaanse ouders van destijds,” zegt ze. “Ze hebben geen idee, maar de school is toch echt gesticht door een christelijk domineesechtpaar van de Wallen. Zelf dachten de ouders alleen: hoera, mijn kind krijgt Arabische les.”

Rolf Boiten en zijn vrouw Georgine du Rieu waren in de jaren vijftig een leefgemeenschap begonnen in een vervallen, door hen gekocht, kraakpand op de Oudezijds Achterburgwal 100, geïnspireerd op hun ervaringen in de arme Parijse arbeidersvoorstad Aubervilliers.

Arabische les in de Barndesteeg, 1971. Beeld privé archief

Tien jaar later verschenen op de Wallen de eerste gastarbeiders. Mannen uit Marokko die zich zonder vrouw en kinderen staande probeerden te houden, onder erbarmelijke omstandigheden verbleven in een van de vele pensions en met hun ziel onder hun arm langs de grachten liepen. Boiten en zijn vrouw vingen ze op.

Leerplicht

Kopje thee drinken, praatje maken, potje dammen. Meer nog: ze kochten aan de overkant van de Oudezijds een pand, waar de mannen om beurten mochten wonen, zodat ze hun familie over konden laten komen. Zo verschenen de eerste Marokkaanse kinderen in de stad.

Bouras: “Niemand die naar ze omkeek. Er was leerplicht, maar wat had het voor zin om ze in het Nederlandse te onderwijzen. Ze zouden toch snel teruggaan naar hun eigen land. Ze zijn toen het eerste klasje begonnen met drie jongens uit hetzelfde gezin. Er was toevallig een Zwitser met een lesbevoegdheid aan komen lopen in het gemeenschapshuis, dus die kon mooi onderwijs in het Frans geven.”

Er kwamen meer kinderen. Om de hoek van de Oudezijds, in de Barndesteeg opende op 1 februari 1971 in een pand van de christelijke hulporganisatie Tot Heil des Volks de École Arabe d’Amsterdam. Een jonge Marokkaan nam de Arabische lessen voor zijn rekening, want zijn vader was onderwijzer in Marokko, dus dat zat ook goed.

Leerlingen van de Vechtstraat. Beeld Peter Wolters

“Boiten en zijn vrouw waren idealisten,” zegt Bouras. Mensen die, na hun ervaringen in de oorlog, rotsvast geloofden in verbinding en ontmoeting. Tegen de hokjesgeest. De nieuwe leerkracht was een Joodse oud-lerares van de Franse school waar de kinderen van de Boitens op zaten. De kinderen zouden ‘verrijkt’ teruggaan naar Marokko.

Ze gingen niet

Alleen: ze gingen niet. En dus verhuisde de school in 1981 met zestig leerlingen naar de Rivierenbuurt waar het twee jaar later de Bouschrã (‘Goed nieuws’) school ging heten. Voortaan was niet het Frans, maar het Nederlands de belangrijkste taal op school, naast het Arabisch.

Want om dat laatste was het immers allemaal begonnen. Behalve de Nederlandse Cito-toets werd bij de leerlingen ook een officiële Arabische toets afgenomen, keurig gebracht, gehaald en nagekeken door een mannetje van het Marokkaanse consulaat.

De onderliggende boodschap: integratie is een tweezijdig proces en slaagt alleen als, zoals Boiten in een boek over de school schrijft, ‘de kinderen hun identiteit ontwikkelen in de veilige beslotenheid van de vertrouwde eigen culturele omgeving’.

Een school voor Marokkanen. “Ik heb heel lang mijn twijfels gehad over waar we mee bezig waren,” zegt Chris van der Neut Kolfshoven (72), onderwijzer van het eerste tot het laatste uur van de school in 1996. “Waren we kansarme kinderen nog kansarmer aan het maken? Ik was pas om toen bleek dat onze kinderen beter scoorden in het vervolgonderwijs dan het landelijk gemiddelde.”

Een avontuur

Jong waren ze, en in voor een avontuur. “Ik was net juf geworden en wilde graag met buitenlandse kinderen werken,” zegt Conny Vos (63). “Ik ben me rot geschrokken: stond je ineens voor een klas met dertig kinderen die zo uit Marokko waren gekomen. Helemaal losgeslagen, omdat ze de vrijheid van Nederland niet kenden. Er vloog van alles door de lucht.”

“Niemand in het Amsterdamse onderwijs wist wat ze aan moesten met de kinderen,” zegt Vos. “Het was pionieren.”

In 1982 verhuisde de Arabische school naar de Jekerstraat 84-86. In 1983 kreeg de school een nieuwe naam: Bouschrã. Beeld R. J. Wilschut

“Er werd snoeihard gewerkt,” zegt Van der Neut Kolfshoven. Met succes. Uiteindelijk kwamen leerlingen uit de hele stad naar de school. Ze werden met busjes van huis gehaald en aan het eind van de dag weer teruggebracht, tot in de Bijlmer aan toe. Op school werden dat ‘De Afrikanen’ genoemd, herinnert Bouras zich.

En de collega’s op scholen elders in de stad? “Die keken of je gek geworden was,” zegt Van der Neut Kolfshoven. “Op onderwijsdagen droop het onbegrip ervan af.”

Ontmoetingsschool

Vos: “De Bouschrãschool was enorm populair onder Marokkanen. Op een gegeven moment waren de scholen in Zuid boos op ons, omdat ze vonden dat wij hun leerlingen pikten.”

Een islamitische school avant la lettre? Boiten schrijft: ‘De school was niet alleen een veilig plekje voor allochtone kinderen en een nostalgische herinnering aan het verre moederland. Het was vooral een ontmoetingsschool.’

Mohamed Benfaddoul, leerkracht Arabisch, in de Vechtstraat. Beeld privé archief

De Nederlandse leerkrachten werden verondersteld een band te hebben met het christelijke geloof, terwijl van hun Marokkaanse collega’s die verantwoordelijk waren voor het Arabische deel van het onderwijs, verwacht werd dat zij de islam zouden representeren. Van de orthodox Joodse Cheider school werd een remedial teacher betrokken.

Maar de school droeg, aldus Boiten, ‘in wezen een moslimkarakter’. Van christelijke zending was geen sprake. ‘Het ontbreken daarvan was gebaseerd op de gedachte dat de kinderen onder geen beding door tegengestelde geloofsovertuigingen in verwarring dienden te worden gebracht.’ Discussiëren over het geloof, dat deden de volwassenen.

Lichtjesfeest

Het was een Arabische school, benadrukt Bouras. Geen islamitische school. “Wij leerden wel over de geschiedenis van de islam, maar waren niet bezig met het stampen van de Koran. We vierden het Suikerfeest, maar ook kerst, al heette dat het lichtjesfeest. Wij waren een school zoals je nu The British School of Amsterdam hebt. Dat zijn alleen kinderen van rijke stinkerds, terwijl wij arme sloebers waren. Wij kwamen uit hetzelfde milieu, in alle opzichten: migrant, Marokkaans, islamitisch en arbeider. Nu zou je denken: niet doen! Maar toen? Wij waren geen witte school die zwart werd, wij waren van meet af aan een zwarte school.”

In het midden Nadia Bouras en tweelingzus Latifa, links de beroemdste oud-leerling: Fatima Elatik. Beeld privé archief

“Gewoon: taal en rekenen. Arabisch van juf Fatima Ben Amor. Een prachtige vrouw uit Casablanca,” zegt de beroemdste leerling van de school: voormalig stadsdeelvoorzitter van Zeeburg Fatima Elatik (46), die de Bouschrãschool tussen 1981 en 1986 bezocht. “Lange haren en mooie nageltjes, terwijl wij thuis van die traditionele moeders hadden zitten.”

Ze heeft altijd moeten lachen om de discussies over zwarte scholen. Elatik: “Bij ons zaten alleen maar Marokkanen en we gingen toch bijna allemaal naar de havo of het vwo. Geïsoleerd? Na school gingen we spelen met de witte kinderen uit de buurt. Dus wat nou geïsoleerd? We zongen, we dansten en we deden aan toneel. Als je echt iets wilt doen aan achterstanden, moet je zorgen voor gemengde wijken.”

Eersteklas onderwijs

Vanuit Marokko zegt ze: “Ik heb eersteklas Arabisch onderwijs gehad. Daardoor kan ik de mensen hier begrijpen en leer ik over de geschiedenis van mijn ouders. Had ik alleen Nederlandse geleerd, wat had ik dan over mijzelf geweten?”

Georgine du Rieu, vrouw van Rolf Boiten, linksvoor (in 1968). Beeld Wubbo de Jong

“Het was een bijzondere school,” zegt Bouras. “Al kon ik destijds niet zo goed mijn vinger erop leggen wat er zo bijzonder was. We hadden geen idee van die dominee. Je ging gewoon naar school. Af en toe kreeg je een tik, ja, maar ik vond het normaal om tussen Marokkaanse leerlingen te zitten. We waren een gemeenschap, moeders werden vriendinnen, een heel hechte school, al moet ik zeggen dat de Berbers, de kinderen zonder Arabische achtergrond, het soms zwaar hadden.”

Geen hoofddoek

“Een school met de rug naar de Nederlandse samenleving was de perceptie,” aldus Bouras. “Maar de werkelijkheid was anders. Een hoofddoek was er niet te bekennen, dat speelde helemaal niet. We hadden gemengd gymles en op mijn eindmusical zongen we Amsterdamse liedjes van Wim Sonneveld. Op school spraken we altijd Nederlands. Dat was onze gemeenschappelijke taal, want de een sprak thuis Berbers en de ander Arabisch.”

“Als ik nu naar mijn oude klasgenoten kijk: er zitten artsen tussen, gepromoveerden, leraren en ondernemers. Bijna iedereen is op zijn pootjes terechtgekomen.”

In 1996 kwam er een einde aan de Bouschrãschool. De grote Marokkaanse families trokken naar ruimere woningen in wijken als IJburg, Slotervaart en Osdorp.

Gemengde omgeving

“De school had zijn tijd gehad,” zegt Bouras. “Ik wil niet zeggen dat onze wereld klein was, maar hij was wel beperkter. Bij ons kwam alles samen, ook de maatschappelijke achterstanden. Inmiddels is Nederland ons thuis. Waarom zouden we ons nog moeten afzonderen in aparte scholen? Ik wil voor mijn kinderen een gemengde omgeving: niet te wit, niet te zwart. Gewoon zoals Amsterdam is.”

En toch. Elatik heeft haar twijfels: “Vrienden van mij zouden het geweldig vinden als er zo’n school bestond voor hun kinderen. Het is helemaal top om Arabisch te leren. Ik ben ontzettend blij dat mijn vader mij die kans heeft gegeven. Het is de reden dat ik ongevoelig ben voor praatjes van salafisten. Doordat ik de taal spreek, heb ik toegang tot de bronnen en vorm ik mijn eigen mening over mijn geschiedenis en mijn identiteit. Dat gun je elk islamitisch kind in Amsterdam.” 

De klas van ’94, woensdag 30 oktober, 22.55 uur, NPO 2

Oprichter Bouschrãschool: Rolf Boiten (rond 1990). Beeld Leo van Breugel
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden