Roos SchlikkerBeeld Oof Verschuren

De buurvrouw oogt kwetsbaar. Ze is het ook

PlusRoos Schlikker

Het is stil op straat. Een stilte niet voor, maar midden in de storm. Dat hopen we althans. Volgens doemdenk-twitter hebben we het ergste lang niet gehad.

Ik maak voortdurend de fout er te blijven hangen, scrollend op zoek naar optimisme. In plaats daarvan ruzie, RIVM-achterdocht, de arrogantie het beter te weten dan wetenschappers want twee jaar biologie op school.

Het maakt me somber, dus stap ik naar buiten. Op het bankje van gezondemensenwinkel SLA zit de buurvrouw, met een vriendin. Haar vogelkopje richt zich naar het lentelicht. “Hoe gaat het?” vraag ik. Ze grijnst. “Weet ik veel.” Dat zegt ze altijd, maar nu is het antwoord helemaal accuraat. Wie weet momenteel hoe hij eraan toe is?

Zojuist schoten me de malle plastic sloffen te binnen die wij altijd moesten dragen als we de kindercrèche betraden. Hysterische condoompies, afgezanten van het rubberen tegelparadijs vol ouders die doodsbang waren voor een viesje onder een gymp. “Laat ze goor worden,” riep ik graag. “Goed voor de weerstand.” Diezelfde ik greep net de buitendeurkruk vast met de mouw van haar jas, bang voor een coronakolonie.

“Het café is dicht,” murmelt de buurvrouw. Het café is niet haar tweede, maar haar eerste huiskamer. Gek genoeg schrok ik een paar weken geleden toch toen de ambulance voor de zoveelste keer haar stoep op knalde. Vanuit mijn raam zag ik de routineuze handen rond een eerste hulpkoffer. Schoenen die doelgericht naar binnen stapten. In alle bewegingen zat de bewonderenswaardige combinatie van haast zonder paniek die zorgverleners zo eigen is. Na een tijdje denderden de broeders weer naar buiten. Een piek wit haar stak als een vlaggetje boven de brancard uit.

De buurvrouw valt er vaker bij neer. Aan één tuimeling hield ze een hersenbloeding over, sindsdien doet de afasie haar langer naar woorden zoeken dan ze wil. Ze oogt kwetsbaar. Ze is het ook. Toch was het deze zomer niet zij die overleed, maar haar vrouw. Sindsdien schuifelt ze alleen.

“Pas je op jezelf?” vraag ik, wijzend op het blauw in haar gezicht. “Ik stond een kiwi te schillen,” zegt ze simpel. “Toen viel ik om. Zomaar.” De vriendin maakt een drinkbeweging. “Misschien had dat er iets mee te maken.” Mijn buurvrouw lacht scheef. “Zó’n mes had ik in mijn handen. Nog mazzel gehad.” Even is het stil.

“Een kiwi is wel goed voor de weerstand,” brom ik. De buurvrouw begint te giechelen. “Zometeen koop ik een lekker flesje.” Ik weet dat haar tegenhouden geen zin heeft. “En ik ga gewoon elke dag hier zitten,” roept ze. “Ik ook,” zegt de vriendin. Een jongen uit de buurt die net even is neergeploft knikt geestdriftig.

En plotseling zijn we een clubje. Een clubje buurtbewoners die elkaar zoeken, keurig op twee meter afstand. We gaan lachen. Praten. Koffie drinken. Een enkeling wijn. Doemdenktwitter is ver weg. Wij hebben het houten bankje van de SLA waar we kunnen landen. Heel goed voor de weerstand.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Reageren? r.schlikker@parool.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden