PlusInterview

Culinair journalist Janneke Vreugdenhil: ‘We hebben onze eigen keuken herontdekt’

Vier jaar na het grote succes ‘Solo Food’, waarin ze haar scheiding verwerkte, heeft culinair journalist Janneke Vreugdenhil (52) weer geluk gevonden en een nieuw boek uitgebracht. Ze hoopt dat ‘De bijbel van de Nederlandse keuken’ een standaardwerk wordt. ‘Iedereen zei elkaar na: Nederland heeft geen eetcultuur.’

Beeld Oof Verschuren

Wie Janneke Vreugdenhils Haagse bovenhuis binnenkomt, stuit al bij het trapgat op haar bureau. “Hier schrijf ik mijn stukjes voor de krant, en hier heb ik ook mijn laatste kookboek gemaakt.” Twee meter verderop staat, niet te missen, haar kook­eiland. Het vormt het hart van haar woonkamer. Van haar huis, eigenlijk. Een paar jaar woont ze er nu. Dat het kookeiland daar in het midden moest komen, wist ze meteen. Ze wijst op de oude indeling, met de keuken in een hoekje van het huis. Dat ben ik niet, dacht ze.

Vreugdenhil schrijft inmiddels zo’n jaar of twintig over koken. Recepten, interviews met chef-koks, beschouwingen over eettrends. Voor NRC Handelsblad en nrc.next, voor tijdschriften en voor haar eigen kookboeken – heel veel kookboeken inmiddels, waaronder Eten enzo, We love groente en Solo Food. Deze week komt daar De bijbel van de Nederlandse keuken bij.

Het liefst schrijft Vreugdenhil troostrijke, verwarmende, niet al te ingewikkelde recepten die, zoals ze zelf zegt, niet alleen je maag moeten vullen, maar ook je hart.

Ze serveert boterkoek. Zelfgemaakt. “Staat ook in het nieuwe boek.” Geen werk, zegt ze. “Supersimpel en zo lekker.” Heel even sluit ze haar ogen. “Als ik dit eet, denk ik aan mijn oma. Ik kan haar uittekenen met een blauw Royal Albert-schoteltje in haar hand met daarop zo’n stuk koek.’’

U schrijft meestal een persoonlijk ­verhaal bij uw recepten.

“Toen ik begon, was schrijven over eten een buitengewoon elitaire aangelegenheid. Koken was iets wat chefs deden in dure restaurants, en daar hoorde een ondoordringbaar jargon bij. Ik dacht ­meteen: dat wil ik niet. Ik ben geen chef, ik ben iemand die van koken en lekker eten houdt. Ik wil laagdrempelig schrijven, ­toegankelijk, herkenbaar. Niet alleen over foie gras, ook over de groentesoep van mijn tante, en over hoe lekker het huis ruikt als er een pan hachee in de oven staat te stoven. Als ik schrijf over de on­verbiddelijk pittige keuken van Sichuan, wil ik uitleggen hoe die zit ingebed in de ­Chinese cultuur, hoe het klimaat er is en hoe die dingen met elkaar te maken hebben. Ik hoef mijn kennis niet te etaleren, daar gaat het niet om. Ik vertel mijn lezers juist ook heel graag dat er iets is mislukt.”

Als u bij een recept voor linzensoep schrijft dat het lekker is om er uien met een pepertje, kaneel en bruine basterdsuiker bij te bakken, maar dat het ook prima zonder kunt als je daar geen tijd voor hebt, dan denk ik: Janneke begrijpt me.

“Ah, da’s mooi. Eten moet in mijn beleving niet al te moeilijkdoenerig zijn en koken mag niet al te veel tijd kosten. Ja, in het weekend, maar doordeweeks zijn we allemaal druk. Dan moet er gewoon goed, lekker eten op tafel komen waar je niet te lang mee bezig bent. Als ik ergens een hekel aan heb, zijn het recepten waarvoor je een halve dag boodschappen moet doen omdat er allemaal van die moeilijke ingrediënten in zitten. Ik hou van simpel. Als in een van mijn recepten bier moet, schrijf ik hooguit ‘licht bier’ of ‘donker bier’ en niet iets heel specifieks.”

Beeld Oof Verschuren

“Had ik al gezegd dat je je sowieso niet aan mijn recepten hoeft te houden? Koken is geen exacte wetenschap, het is een creatief proces waarbij je als kok helemaal zelf mag bepalen wat de uitkomst wordt. Dat maakt het zo leuk. Hou je niet van nootmuskaat? Dan maak jij die chocolade-nootmuskaattruffels gewoon zonder, want dan zijn ze evengoed zalig. Heb je een lactose-intolerantie? Dan klop jij dat pannenkoekenbeslag met een alternatieve melk. Bak je liever in plantaardige olie dan in boter? Lekker doen!”

“Ik hou niet van kookboekschrijvers die hun recepten presenteren als ware het wetten. Zo vind ik het altijd lastig inschatten voor hoeveel personen een gerecht is. Dat hangt ervan af voor wie je kookt, wanneer je een gerecht op tafel zet en wat je erbij serveert. Eet je een soep als lunch­gerecht met een lekker stuk brood erbij, of als voorgerecht van een hele maaltijd? Ik vraag mijn lezers daarom altijd om zelf te blijven nadenken. Volg niet blind mijn aanwijzingen, maar let ook zelf een beetje op. Mijn moeder houdt erg van frieslander-aardappels. Ik ben nogal gecharmeerd van de bildtstar, een vrij vast­kokende aardappel met een mooi rood ­velletje, ­terwijl ik voor friet het liefst grote bintjes of agria’s gebruik. Maar er worden in Nederland 250 aardappelrassen gekweekt, dus misschien hou jij wel van iets anders. Probeer het uit, zou ik zeggen.”

Ze kijkt naar haar stuk boterkoek. Met een kennersblik: “Nou, die had wel vijf minuten eerder uit de oven gemogen.”

U mag ook graag licht ironisch schrijven over de laatste eetmode.

Glimlachend trekt ze een wenkbrauw omhoog. “Mij wordt natuurlijk ook gevraagd om nieuwe eettrends te bespreken. Zo zou kaasthee het vorig jaar helemaal worden, volgens allerlei trend­bureaus. Ja, sorry hoor, dat kan ik niet helemaal serieus nemen. Dat lijkt me ­ontzettend vies, dus over kaasthee kan ik heel kort zijn. Ik schrijf dan liever een mooi stuk over aardappelen.”

Uw nieuwe boek is een naslagwerk geworden dat veel verder gaat dan ­aardappelen.

“Begin deze eeuw stonden Nederlandse kookrubrieken en kookboeken vol met recepten voor pasta’s en curry’s, maar een goed recept voor erwtensoep? Niks hoor. Boterkoek? Vergeet het maar. Iedereen zei elkaar na: Nederland heeft geen eetcultuur. Dat is gelukkig veranderd. Met een beetje goede wil kun je zelfs beweren dat er een kleine culinaire renaissance heeft plaatsgevonden.”

Jeugdfoto van Janneke Vreugdenhil.

“We hebben onze eigen keuken herontdekt. Dat begon met de chef-koks die met lokale producten gingen koken. Toen ­volgden de thuiskoks als vanzelf. Nu kun je lang vergeten groenten zoals pastinaak gewoon weer kopen bij Albert Heijn. Gerechten uit grootmoeders keuken werden afgestoft, hier en daar voorzien van een kleine make-over en ineens waren ze hartstikke hip. Stiekem hoop ik natuurlijk dat ik een nieuwe Wannée heb geschreven, zo’n standaardwerk met basisrecepten waar mensen nog tientallen jaren op teruggrijpen. Dat ze denken: die old school gehaktballen, hoe maak je die ook alweer? Of spinazie à la crème of witlof met kaas? Even in Jannekes bijbel kijken!”

Ben je er dan wel met stamppot, bitterballen, erwtensoep, bloemkool met een papje en ­pannekoeken als je het over de Nederlandse keuken hebt?

“Vergeet de worstenbroodjes niet, hè. Brabanders noemen die steevast als eerste. En draadjesvlees, griesmeelpudding, speculaas, rode kool met appeltjes. Maar in mijn boek leg ik uit waarom Marokkaanse couscous en Indonesische nasi goreng inmiddels net zo Nederlands zijn als boter en spek. De Nederlandse keuken verandert voortdurend. Mijn zoons eten al hun levenlang Turkse pizza, Franse friet en ­Italiaanse pasta. Inmiddels weten we ­allemaal wat hummus is, maar misschien is over tien jaar een soortgelijke Syrische dip, muhammara, wel ingeburgerd.” Lachend: “Dan zet ik ’m lekker in de tiende herziene druk van de bijbel.”

“In het allereerste gedrukte Nederlandse kookboek, Een notabel boecxken van cokeryen uit 1514, staat al een recept voor ‘roffioelen van mergh’ – deegkussentjes die verdomd veel lijken op wat wij nu kennen als ravioli. Nederland heeft altijd opengestaan voor invloeden van buitenaf, ook als het over eten ging. Zo verwelkomden we de afgelopen eeuwen van alles en nog wat uit de Franse keuken. Van kroketten tot ossenstaartsoep en van poffertjes tot tompoezen. Nederlanders zijn bepaald niet navelstaarderig als het aankomt op hun prakkie. We adopteren eigenlijk alles wat we lekker vinden. Andijviestamppot bijvoorbeeld lijkt heel Nederlands, maar dat recept verscheen pas in 1929 voor het eerst in een krant. Nieuwe eetgewoonten raken hier snel ingeburgerd en worden al gauw gezien als eigen. Die open geest hebben we nog steeds. In de kassen in het Westland worden allang niet meer alleen tomaten en komkommers geteeld, maar ook aubergines, chilipepers en kousenband.”

Welke keuken zouden we nog meer moeten omarmen?

“Ik klaag al een paar jaar dat we Afrika vergeten en hoe onterecht dat is. We ­moeten allemaal aan de jollof, een soort West-Afrikaanse paella. En als ik verder nog iets mag wensen: in Spanje eet je drie gangen voor een tientje. Daar krijg je dan nog water bij en koffie toe. Zo’n laag­drempelige lunchcultuur zou ik hier ook wel willen.”

Uw missie is, zegt u, mensen meer van eten laten genieten. Maar eten lijkt de afgelopen tien jaar steeds problematischer geworden. Dan mogen we weer geen koolhydraten, dan is suiker weer het nieuwe gif.

“Er zijn jonge vrouwen die bijna alleen nog avocado’s, zoete aardappel en quinoa eten, en zich al schuldig – o nee, guilty – voelen als ze een keer een doodgewoon aardappeltje verorberen, of chocolade die niet raw is en gezoet met gewone suiker. Een stuk appeltaart heet dan ineens een guilty pleasure; dat vind ik echt zorgelijk. Het betreft slechts een kleine, vooral ­stedelijke groep, maar toch.”

“Eigenlijk zijn we allemaal een beetje in de war, omdat niemand precies weet wat gezond eten is. Die onzekerheid over wat wel of niet kan doet afbreuk aan ons plezier in eten. En dat is naar mijn idee nog veel erger dan elke dag een stuk appeltaart eten. Vandaar ook mijn afkeer van de term guilty pleasure. Eet met mate, maar geniet van wat je eet.”

Janneke Vreugdenhil

25 september 1968, Maasland

1981-1988 Vwo in Vlaardingen
1988-1989 Au pair in Brussel
1989-1994 Studie rechten in Leiden
2000-heden Schrijft voor tijdschriften als ­Allerhande, Zin, Vrij Nederland, ­Elsevier en Sla
2006-heden Schrijft kookcolumns en culinaire artikelen voor nrc.next en NRC Handelsblad
2000-heden Publiceert kookboeken, onder meer voor Albert Heijn, en schrijft eigen kookboeken: Hoge hakken in de keuken, Eten enzo, Carnivoria, Comfort Food, I love groente, Solo Food, Altijd feest, We love groente en De bijbel van de Nederlandse keuken

Janneke Vreugdenhil heeft een ­latrelatie met journalist Edwin ­Winkels. Ze heeft twee zonen (20 en 17 jaar) en woont in Den Haag.

“Vroeger zat je met het hele gezin of een groep vrienden aan tafel, daar zette je een grote schaal lekkers op en daar smulde je dan met z’n allen van. Zet vandaag de dag zes mensen bij elkaar en je hebt er eentje die niet tegen gluten kan, de tweede is veganist, de derde heeft weliswaar geen lactose-intolerantie maar eet voor de zekerheid toch maar liever geen zuivel, een vierde wil best vlees eten maar alleen als er een compleet cv bij wordt geleverd. Begrijp me goed, ik neem iedereens voedselintoleranties en voedseltaboes serieus. Maar al die individuele dieetjes doen wel een beetje afbreuk aan de essentie van die pan hachee die de hele middag zachtjes heeft staan pruttelen en z’n zalige geuren door het huis heeft verspreid, in afwachting van het moment dat hij zijn verbroederende, gelukkigmakende werk aan tafel mag doen.”

Over geluk gesproken: hoe gaat het daarmee? In januari 2015 vertelde uw man dat hij verliefd was op iemand anders. Na de scheiding woonde u twee jaar in Amsterdam. In Solo Food schrijft u dat u op een dakterras staat en denkt: als ik nu naar beneden val, ben ik ervan af.

“Gelukkig wel ja. We zijn nu zes jaar verder, hè. Ik heb destijds een paar maanden in een heel diep dal gezeten – toen kon ik zulke gedachten weleens hebben. ’s Ochtends huilend wakker worden en ’s avonds snikkend in slaap vallen, tussendoor alleen maar roken, met een zak chips in bed belanden en zeker weten dat je leven nooit meer leuk wordt. Het was niet mijn idee om te scheiden, en ik vond alles verschrikkelijk. Dat ik mijn kinderen nog maar de helft van de tijd zag, dat ik was afgewezen, dat ik niet in mijn huis kon blijven – alles, alles, alles.”

“In die tijd woonde ik week op, week af in Amsterdam. Ik werd stamgast bij Oosterling. Die lage krukjes aan de bar, en af en toe een bemoedigende hoofdknik van de kastelein, dat zijn toch ook mooie herinneringen. In de restaurants waar ik toen kwam, kom ik nog altijd graag. Niet de nieuwste – dat lukt het afgelopen halfjaar amper – maar gouwe ouwe als Rijsel, Le Hollandais, De Klepel en As. Ik heb nog altijd een soort pied-à-terre in de stad, een etage in het huis van een vriend op het Singel, waar ik altijd terechtkan als ik voor werk in Amsterdam moet zijn. En dat is nogal eens het geval.”

“Inmiddels ben ik weer gelukkig. In de liefde misschien wel gelukkiger dan ooit. Ik heb erg mijn best gedaan om een goed nahuwelijk te hebben met mijn ex. Toen ik mezelf weer een beetje bij elkaar had geraapt, heb ik zijn vriendin uitgenodigd om samen te lunchen. Ik heb haar gefeli­citeerd met de baby die op komst was en haar aangeboden dat ze het wiegje van de jongens kon gebruiken. Hun dochtertje is bijna 4 jaar en ik ben dol op dat kind. Ze is het zusje van mijn zoons, dus familie.”

“Dat neemt niet weg dat ik bij vlagen nog altijd intens verdrietig kan zijn om mijn verloren gezin. Dat blijft ook na al die jaren een gevoelige plek. Deze zomer stond ik met mijn nieuwe liefde Edwin in Spanje voor zo’n Chinese meukwinkel. Ineens moest ik heel hard huilen. Tot mijn eigen verbazing, eigenlijk. Het leek of mijn lichaam mijn verdriet eerder voelde dan dat mijn hoofd begreep wat er aan de hand was. Als ik vroeger met Roel en de kinderen op vakantie ging – echt een van de heerlijkste momenten van het jaar vond ik dat – lieten we de kinderen in zo’n winkel altijd voor een euro of vijftien plastic troep kopen. Emmertjes, schepjes, zwembanden, wat ze maar wilden. Die herinnering overrompelde me volkomen. Dat de vanzelfsprekendheid van dat gezin niet meer bestaat, grijpt me nog steeds af en toe bij de keel.”

U schreef kort na uw scheiding Solo Food, met 72 recepten om te maken voor jezelf.

“Ja, dat sloeg aan. Niet alleen onder gescheiden mensen, maar ook bij mensen die ervoor kiezen alleen te leven en mensen wier partner is overleden. Het is een heel persoonlijk, eerlijk boek over rouw. Het is vertaald, ik werd geïnterviewd door Britse kranten. Ik heb nog altijd contact met oudere, alleenstaande Londense kunstenaar die me destijds mailde hoe blij hij met het boek was.”

“Er staan vooral troostrecepten in die je onder een dekentje op de bank kunt eten als je het gevoel hebt dat je leven een grote mislukking is, maar je besloten hebt dat je er heel voorzichtig toch weer iets van wilt maken. Voor mij was het destijds therapeutisch om dat boek te schrijven. Ik at niet meer, ik voelde me op allerlei manieren waardeloos. Ik ging kippensoep koken, aardappelgratin met een shitload kaas; opbeurende, helende recepten. In het boek staan ook oesters met champagne voor als het weer beter gaat.”

Beeld Oof Verschuren

“Veel van die recepten zijn ook toepasselijk nu het buiten niet zo pluis is door dat nare virus. En ook de Nederlandse keuken kan erg troostrijk zijn in tijden van corona. Nu we zo veel thuiswerken hebben we eindelijk weer eens de tijd om ouderwetse stoofgerechten te maken. Je zet een pan hachee of draadjesvlees op en je kunt al de hele middag genieten van de veel­belovende geur. Dan wordt het binnen vanzelf gezellig en verzoen je je net wat gemakkelijker met de wetenschap dat je de deur amper uit kunt. Anticiperend genot, noem ik dat. En dan heb je nog niet eens een hap genomen.”

Eet u sinds uw scheiding nog weleens met uw gezin, of noemt u dat niet meer zo?

“Ik had gehoopt dat we ons oude gezin op de een of andere manier in stand ­konden houden, maar als je ex een nieuw gezin begint, wordt dat toch lastig. Hij heeft er eigenlijk geen tijd voor, en dat snap ik. Maar we doen wat we kunnen. Afgelopen zomer barbecueden we voor de verjaardag van een van de kinderen met mijn twee zonen, mijn ex-man, zijn nieuwe vriendin, hun dochtertje en Edwin. We zaten in mijn oude achtertuin. Dat blijft raar; voor mij is het nog altijd gewoon mijn huis. Het staat tegenover de school waar onze kinderen zaten en het was er altijd de zoete inval. Vriendjes van de jongens, ouders, Jan en alleman die bleef eten. Onze deur stond altijd open. Letterlijk. We zijn hem ’s nachts weleens vergeten dicht te doen. Ik heb levendige, gelukkige herinneringen aan dat huis. Als ik het geld had gehad, had ik het gekocht.”

Maar nu is er die nieuwe liefde.

“Ja! Zal ik vertellen hoe het ging?” Ze lacht. “Ik ontmoette Edwin voor het eerst bij opnames van De wereld draait door in 2014. Hij is journalist en woont al heel lang in Spanje. Ik was op dat moment nog gewoon gelukkig getrouwd. Of nou ja, dat dacht ik. Achteraf blijkt dat mijn ex precies op dat moment verliefd werd. Ik op mijn beurt besteedde behalve een kort praatje geen enkele aandacht aan die aardige man in de studio.”

“Drie jaar later was ik op doorreis in Barcelona. Ik kwam net van een meditatieretraite en had 24 uur voor mijn vliegtuig vertrok. Ik dacht: ik app die Edwin even om te vragen waar ik moet eten. Ik zei nog wel: ‘Doe maar wat adressen waar ik een beetje aanspraak heb.’ Kennelijk wilde ik hem laten weten dat ik alleen was. Hij appte een paar ideeën en zei dat hij zelf die avond bezet was. Even daarna haakte hij toch aan. Later vertelde hij dat hij eigenlijk met zijn kinderen zou eten maar ineens dacht: dat kan morgen ook wel. Toen ik hem zag, omhelsde ik hem tot twee keer toe heel enthousiast – dat deden we namelijk op die retraite waar ik net vandaan kwam ook steeds. Dat maakte wel indruk, geloof ik.”

“We aten bij Jai-Ca, een van de oudste kroegen in de voormalige visserswijk La Barceloneta, we dronken bier en vino tinto en aten scheermessen van de plancha. En gefrituurde ansjovisgraten, die ik nog nooit had gezien en nog nooit had geproefd. Intussen raakten we niet uit­gekletst, ook al hadden we elkaar jaren daarvoor dus maar één keer ontmoet. ­Uiteindelijk hebben we zeven kroegen gezien. Elke keer moesten we weg omdat ze sloten, maar we wilden gewoon niet dat er een einde aan de avond kwam. Ik dacht de hele tijd: wat ben jij leuk!”

En zo kwam van het een het ander.

“Ja, mooi hoor. Over tien dagen komt hij weer. Inmiddels kan ik ook heel blij zijn dat ik de helft van de tijd alleen woon.”

Ze wijst op een stapel grote opberg­dozen. “Daarin zitten lappen stof waar ik mijn gerechten op zet om te fotograferen. Soms staat het hier afgeladen vol: kratten met groenten op het balkon, overal servies. Dat ik niet het gevoel heb dat ik voor iemand moet opruimen, dat is ook geluk.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden