null

PlusExclusief

Chirurg-oncoloog Emiel Rutgers: ‘Als je ergens borstkanker moet krijgen, dan maar in Nederland’

Beeld Jitske Schols

Nieuwsgierigheid. Tevredenheid. Alles in dienst van de patiënt. Dat waren de drijfveren van chirurg-oncoloog Emiel Rutgers (66) tijdens zijn lange carrière in het Antoni van Leeuwenhoek. En nu heeft hij zijn laatste borstkankeroperatie gedaan. ‘Ik ben nooit bang geweest empathie te tonen in woord én gebaar.’

Els Quaegebeur

Emiel Rutgers woont voor het eerst echt in Bartlehiem, waar zijn vrouw Karin en hij bijna vijftien jaar geleden een huis kochten, tegenover het iconische Elfstedenbruggetje. Ze hadden sindsdien een latrelatie. Doordeweeks verbleef hij in hun appartement in de Rivierenbuurt, niet te ver van het Antoni van Leeuwenhoek, waar hij werkte als oncologisch chirurg voor met name borstkanker.

Het latten is nu voorbij. Rutgers opereerde twee maanden geleden zijn laatste patiënt, na een carrière in het AVL van 35 jaar. Vandaar dat er tijd is om op een maandagochtend in december op de bank te praten over zijn vak. Hij heeft taart gehaald. Zijn vrouw zit aan de andere kant van de kamer-en-suite aan tafel te ruziën met een eigenwijze laptop. Dochter Sterre, zeven maanden zwanger van hun eerste kleinkind, woont in het huis ernaast.

Rutgers: “Zij is ook arts. Toen ze geneeskunde studeerde, kreeg ze weleens college van mij. Voor de les waarschuwde ze me dan: ‘Pap, als je het maar niet in je hoofd haalt aan het einde te zeggen: ga heen en vermenigvuldigt u’.”

Zijn vrouw kijkt op: “Dat kan ook echt niet.”

Rutgers: “Ik snap dat de wereld tegenwoordig anders in elkaar zit, gelukkig, maar puur bekeken vanuit mijn vak is het goed voor vrouwen. Dé oorzaak van het grote aantal gevallen van borstkanker in rijke, westerse landen, is zo klaar als een klontje. Een meisje van voor de oorlog was op haar zestiende voor het eerst ongesteld, kreeg op haar 21ste haar eerste kind, en hield dat gemiddeld vier, vijf kinderen vol. Bij allemaal een jaar borstvoeding, op haar 46ste, 47ste in de overgang, klaar. Een meisje van nu heeft op haar elfde, twaalfde de eerste menstruatie en krijgt rond haar dertigste het eerste kind. De borstvoeding is nog niet de helft van wat het toen was, twee kinderen, en de meeste vrouwen menstrueren nog vrolijk op hun 52ste. De blootstelling aan oestrogeenschommelingen in haar borsten is, door de menstruatiecycli, vele malen groter dan bij de jarendertigvrouw.”

“Je moet eens een borstklier onder de microscoop leggen op de eerste dag van de menstruatie en twee weken later. De eerste dag zie je een kermis van delende cellen. Twee weken later: alles plat. Twee weken later: zelfde verhaal. En dat gaat al die jaren door. Kanker is nu eenmaal een gevolg van foutjes in de celdeling, en hoe meer cellen delen, bijvoorbeeld in borstweefsel, hoe groter de kans op fouten en dus op kanker.”

Hoe groot is die kans nu voor Nederlandse vrouwen?

“Een op de acht vrouwen krijgt het. Dat cijfer is de laatste drie jaar gestabiliseerd. Westerse vrouwen zijn zoveel jaren vruchtbaar omdat hun levensomstandigheden optimaal zijn geworden – een rijke, gevarieerde voeding, geen kou, geen uitputting, geen gevaarlijke kinderziektes – maar het plafond is nu wel bereikt: meisjes worden niet nóg eerder ongesteld, vrouwen gaan niet nóg later in de overgang. Dat is positief. De kans dat je het niet krijgt is overigens het grootst, dat mag je ook onthouden. Zeven van de acht krijgen het niet.”

Zijn vrouw geeft het gevecht met de laptop op en kondigt aan dat ze deur uitgaat. Het echtpaar overlegt of ze vanavond of morgen naar Bartlehiem zullen rijden.

Als ze weg is, zegt hij: “Er is een aantal dingen die mij altijd hebben gedreven als chirurg, oncoloog, en als wetenschapper. Nieuwsgierigheid. Mijn vrouw vindt mij vreselijk nieuwsgierig, maar ik wil nu eenmaal graag alles weten. Hoe zit het, waarom gebeurt dit bij de ene patiënt wel en bij de andere niet? Ontevredenheid. Maakt van mij eerder een tobdokter dan een topdokter. Heb je verdikkeme zoveel tegen die kanker aangesmeten, je ziet hem nergens meer, en dan steken soms na zes, zeven, zelfs na vijftien jaar toch uitzaaiingen de kop op. Dat kan ik moeilijk verdragen.”

“Alles in dienst van de patiënt, dat is mijn derde drijfveer, samenhangend met de onvrede en mijn nieuwsgierigheid die ik deels heb kunnen stillen met klinisch onderzoek. Lang niet goed genoeg, maar we zijn toch een eind gekomen.”

“En ik had er nog eentje. Humor.”

Veel gelachen met patiënten?

“Elke dag. Nieuwe doktersassistentes achter de balie zijn altijd verbaasd dat vrouwen lachend mijn kamer uitkomen. Kwamen. Ik vind het nog moeilijk, die verleden tijd. Hoe is dat mogelijk? Ze hebben toch kanker? Jawel, zei ik dan, maar we hebben het ook nog even over iets leuks gehad. De blije snijer, zo noem ik mezelf. Het klinkt vreemd, maar ik zit als chirurg-oncoloog natuurlijk aan de vrolijke kant van de borstkankerbehandelingen. Als ik patiënten begeleid, valt er iets te opereren, en opereren doe je meestal niet als genezing er niet in zit, op grond van de diagnose.”

Werd u ook blij ván het snijden?

“De operatiedag is mijn leukste dag. Ik bedoel was. Het is eigenlijk vreemd dat mensen jou toestemming geven in hun lichaam te snijden, daar moet je voor elke operatie aan denken, maar het is ook fijn om te doen. Ik zei altijd: ik vind het naar dat het moet, maar ik hou er erg van.”

Hoe zag uw laatste operatiedag eruit?

“Geweldig. Ik had vijf patiënten. De assistenten die ik al twintig jaar ken, stonden naast me. Ik kreeg een koud bad toen ik de ok uitkwam. Letterlijk. Een haag van verpleegkundigen stond klaar met emmers koud water. Zeiknat. Ik wist dat het ging gebeuren, het is traditie, dus ik had een droge onderbroek bij me.”

“Later, op echt mijn allerlaatste werkdag, heb ik toch nog een jonge vrouw van 27 geopereerd. Ik had de ene kant eerder gedaan, maar ze was erfelijk belast en wilde ook van het borstklierweefsel aan de andere kant af. Dat is goed gelukt. En toen was het klaar. Elfduizend operaties verder, meer nog.”

Wat is het meest veranderd aan uw vak sinds de eerste keer?

“Haast te veel om op te noemen, in positieve zin. Van preventie, screening en het optimaliseren van de diagnostiek in een one-day-clinic tot het optimaliseren van de behandeling, betere genezingskansen, en de-escaleren. Minder doen met dezelfde genezingskans, een zeer belangrijke ontwikkeling. Überhaupt in de geneeskunde, maar zeker in de oncologie, heerst een sterke drang om meer te doen. Meer snijden, meer bestralen, meer chemo. Patiënt blij want die heeft het gevoel dat er iets gebeurt, dokter blij want zij kan meer doen voor de patiënt, ziekenhuis blij want het gebeurt daar, farma blij want er gebeurt meer. Er is niets moeilijker dan minder doen.”

Zoals een borstbesparende behandeling?

“Ik ben er altijd voor geweest, maar wereldwijd duurde het vijftien jaar om het geaccepteerd te krijgen terwijl allang duidelijk was dat het even goed of misschien wel beter is dan amputeren.”

Komt dat door angst? Laten we alles maar wegsnijden, better safe than sorry, en neem die andere ook maar meteen mee.

“We krijgen dat verzoek meer en meer, ook zonder erfelijke belasting en ook als specialisten, die als ze hun vak verstaan precies weten bij welke tumoren ze wel moeten amputeren, zeggen dat amputatie niets toevoegt. Dan kan ik het nooit meer krijgen, is het idee. Hoe niet waar, want levensverwachting wordt bepaald door de biologie van de eerste borstkanker, en diens neiging tot uitzaaien. Amputatie doet daar niets tegen. We beschikken zelfs over statistieken, uit Nederland en internationaal, waaruit blijkt dat bij hetzelfde ziektebeeld vrouwen die sparend zijn behandeld het nét iets beter doen dan vrouwen die een amputatie kregen.”

Waar ligt dat aan?

“Het kan zijn dat bestraling, onderdeel van de borstbesparende behandeling, een effect heeft op de afweer in het hele lichaam, zodat eventuele cellen lang of misschien wel voor altijd slapend blijven. We noemen dat het abscopal effect: gevolgen van een lokale behandeling op het geheel. Het nieuwe speeltje van de radiotherapeut, zeg ik altijd. Ook mogelijk is dat het lichamelijke trauma van een amputatie, de wond, zoveel groeifactoren teweegbrengt dat er een negatieve invloed ontstaat op uitgezaaide cellen.”

‘Soms dacht ik: holy guacamole, woorden volstaan niet’ Beeld Jitske Schols
‘Soms dacht ik: holy guacamole, woorden volstaan niet’Beeld Jitske Schols

Die worden dan juist wakker?

“Zoiets, ja. Het zijn allebei hypothesen. Ik zou ze dolgraag willen bewijzen, maar dat is niet meer aan mij, anderen moeten dat doen.”

Slaagde u er in uw patiënten te overtuigen dat minder doen beter voor ze was?

“Het hielp wel als ik het uitlegde. Ik heb zo veel brieven gekregen van vrouwen die schreven: zes jaar geleden wilde ik ze eraf hebben, u zei: doe het niet en nu ben ik zo blij. Ik zei ook altijd: een borstamputatie is not a free lunch. Je kan het zo netjes mogelijk hechten, maar ze zijn gewoon weg. Eén op de vier à vijf vrouwen krijgt bovendien na een borstamputatie langdurig fantoompijn, omdat je door gebieden snijdt waar gevoelszenuwen lopen. Ook daarom moeten we borstamputaties behandelen als goede wijn: alleen opentrekken bij speciale gelegenheden.”

Hoe vindt u de borstkankerzorg in Nederland in vergelijking met elders?

“Als je ergens in de wereld borstkanker moet krijgen, kun je dat het beste in Nederland doen. Of in Zweden. In de Verenigde Staten is het ook fantastisch als je wit en rijk bent, maar voor de rest niet. De ongelijkheden in de zorg zijn daar zo schrikbarend. Als je je daarin verdiept, word je acuut dankbaar voor hoe het hier gaat.”

In Nederland wordt de kloof tussen rijk en arm ook steeds groter. Maar niet in de borstkankerzorg, zegt u?

“Als je hier borstkanker krijgt, maakt het niet of je uit Wassenaar komt of uit de Vogelbuurt, voor wat betreft de zorg die je krijgt. Echt niet. Up-to-date behandelingen, reconstructies, het zit allemaal in het basispakket. Het zou wel zomaar kunnen dat die Wassenaarse, Bilthovense en Grachtengordelse het per saldo ietsje minder goed doen. Door een kritische houding en al hun kennis – schrijf je mijn aanhalingstekens in de lucht op? – weigeren ze nogal eens behandelingen waarvan ik me afvraag of dat wel zo verstandig is. Het zijn geen enorme aantallen natuurlijk, maar het is een trendje.”

“Aan de andere kant van het spectrum zie je dan weer meer angst, uit onwetendheid. De verbindende factor is angst voor controleverlies. En dat begrijp ik. Het ergste van kanker is de onzekerheid. Door als arts je kennis te delen en op angsten en zorgen in te gaan, ook die over thuis en de kinderen en het werk, kun je patiënten helpen weer wat meer grip te krijgen op de situatie, zicht te bieden op een nieuw evenwicht. Dat kost tijd, maar het is de moeite waard. Goed begrip door stil te staan bij de complexe situatie is de halve verwerking.”

Wat heeft uw vak u geleerd over vrouwen?

“Gelukkig is Karin weg, want die zou me een reprimande geven, maar ik denk wel zeker te weten dat controleverlies voor bijna iedereen moeilijk is, maar dat de angst ervoor bij vrouwen iets dominanter aanwezig is dan bij mannen. Gelukkig hebben ze hun gevoel voor humor. Vrouwen zijn er goed in hun angst en onzekerheid het hoofd te bieden met het vermogen te lachen om zichzelf en hun situatie. Relativeren. Kunnen ze goed. Beter dan mannen, denk ik. Moedig zijn vrouwen ook. En niet bang om vragen te stellen over hun persoonlijke leven. Ga ik het mijn kind vertellen? Die vraag kreeg ik vaak van vrouwen.”

Altijd vertellen, toch?

“Altijd vertellen. Ook als ze vier of vijf zijn. Kinderen hebben alles in de gaten en hoe je meer achterhoudt, hoe meer zij gaan confabuleren. Open zijn, begrijpelijke taal. Gaat mama dood? Nee. Ja, altijd, het leven is een dodelijke aandoening, maar die grap maak je dan even niet. Pubers. Kreeg ik ook veel vragen over.”

En wat zei u dan?

“Hou je vast. Kutmama krijgt nou ook nog kutkanker. Hoe krijgt ze het voor elkaar. Die zin heb ik niet van mezelf trouwens. De dochter van een patiënt reageerde letterlijk zo toen zij haar vertelde wat er aan de hand was. Boos, want pubers kunnen kutmama niet missen, maar dat zeggen gaat niet. Goed zo, mooie openingszin, zei ik tegen die moeder, daar kunnen jullie mee verder.”

Hij is even stil, kijkt naar zijn handen. “Ik heb zoveel gepraat met mijn patiënten. Als ik terugdenk aan die duizenden gesprekken kan ik emotioneel worden.”

‘Stevig zijn, je mond open durven doen, daar hou ik van’ Beeld Jitske Schols
‘Stevig zijn, je mond open durven doen, daar hou ik van’Beeld Jitske Schols

Zei u ook weleens iets stoms?

“Ik had ooit een patiënt die een verstandige behandeling niet wilde. Later kwam ze bij me terug, met uitzaaiingen. Toen zei ik: we hebben diezelfde behandeling met antihormoontabletten, maar we zijn er vrijwel zeker van dat het geen genezing zal brengen nu de ziekte is uitgezaaid. Later, na haar overlijden, hoorde ik van haar man dat ze me die opmerking erg kwalijk had genomen, want ik had daarmee haar hoop de bodem ingeslagen.”

Vond u daar iets in zitten, vanuit het oogpunt van kwaliteit van leven, verbonden met hoop?

“Dat weet ik niet. Het zat me wel dwars. Maar ja, ik kan toch niet tegen iemand zeggen dat we haar beter gaan maken als ik zeker weet dat dat niet zo is? Dat zou onethisch zijn, en een onderschatting van de patiënt. Het leerde me wel weer dat je als arts zorgvuldig moet zijn in het kiezen van je woorden omdat patiënten er veel aan ontlenen. En terecht.”

“Ik herinner me nu een gesprek dat ik vaak heb overgedragen aan jonge dokters. Het geval: een jonge vrouw, begin veertig, met een nog jongere dokter – ik – die bij haar een borstamputatie deed, nu dertig jaar geleden. Toen lagen patiënten nog twee, drie weken in het ziekenhuis. Nu nog geen dag, als er geen complicaties zijn.”

Ook na zo’n ingrijpende ingreep?

“Volgende dag naar huis. Wegwezen, thuis is het schoner, leuker en gezonder, zeg ik altijd. Minder infecties, minder complicaties zoals trombose of blaasontsteking. Drain eruit, geen verband erop. Is allemaal vies. Gewoon open, lekker douchen en bewegen.”

Zoals Voltaire zei: geneeskunde is het vermaak terwijl het lichaam zelf het probleem oplost.

“Eigen verantwoordelijkheid, heb ik altijd op gehamerd. Daarbij past ook dat patiënten zo snel mogelijk naar huis gaan. Maar ik drijf af. Die mevrouw. Zij kwam een paar weken na de amputatie – die we nu niet meer zouden doen in haar geval – op de poli voor controle. Ik zei, als arts kijkend naar een wond: dat ziet er mooi uit. Ze keek me ontzet aan. Wil je dit nooit meer zeggen? Ik vind het afgrijselijk. Zat ik dan als broekie. Ze had helemaal gelijk natuurlijk. Wij kunnen wel vinden dat de wond goed geneest, maar voor de patiënt is het een verminking waar ze lang aan zal moet wennen, if ever.”

“Er bestaat werkelijk afkeer van het verminkte lichaamsdeel, ook als het goed gelukt is. Raak je het weleens aan, vraag ik ze geregeld. Nee, doen ze niet. Het is eigenlijk niet meer van jou? Nee, het voelt niet meer als van mij, ik wil ook niet dat het van mij is. Soms pak ik hun hand en leg die op het litteken. Met mijn hand daarop. Zonder iets te zeggen. Nou, dan gaan de sluizen open, hoor.”

En dan dacht u nooit: het is ongepast iemand zo aan te raken?

“Nee. Ik ben nooit bang geweest empathie te tonen in woord én gebaar. Een psychoanalytica zei een keer tegen me: jij moet afstand houden, je emoties beteugelen. Verder dan een hand geven mag fysiek contact met de patiënt niet gaan. Daar ben ik het zo niet mee eens. Het waren geen trucjes. Het is gewoon dat ik soms dacht: holy guacemoly, hier volstaan woorden niet. Dan pakte ik mijn stoel, achter dat stomme bureau vandaan en ging ik naast haar zitten, arm om haar heen. En dan na een tijdje: je zit in de verkeerde film, hè? Door tranen heen half lachend knikken: zeg dat wel. Maar je zit wel in die film. Onthoud voor nu maar dat je niet doodgaat aan deze kanker. Over tien jaar drinken we samen thee, hebben we het er nog eens over.”

Want het toekomstperspectief van borstkankerpatiënten is echt verbeterd, in de loop van die duizenden operaties?

“Enorm verbeterd. Meer adequate medicijnen om het tevoorschijn komen van uitzaaiingen tegen te gaan, vroegere diagnose omdat vrouwen alerter zijn en sneller naar de dokter gaan...”

En het bevolkingsonderzoek?

“Doet best wel wat. Niet zoveel als je zou willen. Het leidt ook tot tamelijk veel overdiagnostiek. Maar per saldo vind ik dat in een rijke maatschappij, waar borstkanker veel voorkomt, screening een belangrijk onderdeel is van het borstkankerhuis. Er zijn veel antiscreeners, maar als je stopt met screenen, en het dus niet meer wordt vergoed, krijg je een tweedeling tussen vrouwen die tegen betaling mammografieën blijven doen en vrouwen die zich dat niet kunnen veroorloven. Het moet er gewoon zijn, van overheidswege.”

“We doen het wel relatief dom, iedereen met die borsten in de klem. Ik zou veel liever zien dat iedere vrouw vanaf 45, misschien al jonger, met een algoritme haar borstkankerrisico zelf finetunet. Op grond van de uitkomst kun je dan zeggen: jij hebt 0,7 procent kans op borstkanker, doe maar vanaf je vijftigste één keer in de drie jaar een mammografie. Jij hebt 1,5, begin jij maar vanaf je 45ste met elk jaar voor de komende tien jaar. Op die manier ben je veel selectiever bezig en je betrekt vrouwen er zelf bij: eigen verantwoordelijkheid. Binnenkort komt er gelukkig al een bloedtest bij. Dat wordt nu onderzocht, over een jaar of wat kunnen we erover adviseren.”

Dan hoeven vrouwen niet met meer met hun borsten tussen die klemmen?

“Een deel niet, maar voorlopig is en blijft digitale mammografie met optimale beoordeling het minst slechte wat we hebben.”

Speelt preventie een rol bij borstkanker?

“Ja en nee. Ik kan geen dieet voor jou bedenken waardoor jouw levenslange kans op borstkanker significant kleiner wordt. Niet te veel drinken, dat helpt echt wel. Ook voldoende aangetoond is dat flink bewegen geassocieerd is met een kleinere kans op borstkanker. Lichaamsbeweging heeft invloed op de oestrogeenwerking. Niet voor niets stoppen topatleten regelmatig met menstrueren. Nu doen de meeste vrouwen niet aan topsport, maar ook regelmatig sporten op een gewone manier helpt.”

“Maar ja, de kans wordt nooit nul. Ik krijg, kreeg, zoveel vrouwen binnen die gezond leven, zich een ongeluk sporten en toch borstkanker krijgen. Kom ik weer even terug op die alleswetende vrouwen. Die komen bij mij met hun diëten die hen zullen genezen. Ik vraag dan: leefde je daarvoor zo slecht? Nee, dat niet natuurlijk, ze pasten al heel goed op.”

Vindt u die vrouwen irritant?

“Helemaal niet. In het begin van mijn carrière deed ik nog veel longen. Longkankerpatiënten zijn zo anders. Ze zijn schuldbewust, door het roken, blij dat ze behandeld mogen worden, klagen nergens over. Borstkankerpatiënten zijn assertief. Mag van mij. Het veelgebruikte ‘vechten tegen kanker’, dát vind ik een verschrikkelijk begrip, maar stevig zijn, je mond open durven doen, daar hou ik van.”

“Ik zeg altijd tegen de alleswetende vrouw: tweesporenbeleid, zullen we dat doen? Eén. Zorg dat je de echte behandeling ook doet, want die cellen zijn voor zichzelf begonnen en met bladgroente alleen redden we het niet. Twee. Zorg dat je jezelf niet vergiftigt of failliet raakt. Ik weet van mensen die een extra hypotheek op hun huis namen en naar Mexico gingen voor een alternatieve therapie. Het gaat altijd om behoud van controle. Ik ben er nooit heftig tegenin gegaan.”

Mist u het vak al?

“Nee. Ik heb het goed kunnen overdragen aan een team waar ik alle vertrouwen in heb.”

Maar u denkt toch nog wel aan uw laatste patiënten die nu nog herstellende zijn?

“Natuurlijk. Gelukkig kan ik nog in het systeem. Haha. Ik heb ze allemaal al bekeken. Geen enkele complicatie. Over tien jaar drink ik thee met ze.”

null Beeld

Emiel Rutgers

11 juli 1955, Roermond

1967-1973
Hbs B St. Bonifatius College, Utrecht
1973-1980
Geneeskunde, Universiteit Utrecht
1981-1987
Opleiding tot chirurg St. Joseph Ziekenhuis, Eindhoven
1986
Promotie Universiteit van Amsterdam op ‘Nacontrole na borstkanker’
1987-2021
Chirurg-oncoloog Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam
2006-2018
Hoofd afdeling Heelkunde AvL
2006-heden
Bijzonder hoogleraar chirurgische oncologie Universiteit van Amsterdam
2017
Life time achievement award European Cancer Organization
2019
Life time achievement award European Society Surgical Oncology
2021
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw

Rutgers is getrouwd met Karin Gaillard. Ze hebben samen dochter Sterre en zoon Pim.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden