PlusExclusief

Casting director Hans Kemna (82): ‘Ik ben direct, dat vindt niet iedereen makkelijk’

null Beeld Jonathan Herman
Beeld Jonathan Herman

Jarenlang prijkte zijn naam op de aftiteling van bijna elke Nederlandse film en serie. Nu werkt casting director Hans Kemna (82) alleen nog voor ITA. Hij had al lang afscheid genomen van zijn bedrijf toen zijn opvolger werd beschuldigd van seksueel wangedrag. ‘Elke ochtend als ik de krant van de mat haalde, zag ik mijn naam in die context.’

Els Quaegebeur

De woonkamer en suite van Hans Kemna op het Singel is een soort dependance van fotografiemuseum Foam. Waar je ook kijkt hangen en staan foto’s, vaak van wereld­beroemde fotografen. “Ik woon hier al veel langer dan Foam bestaat,” zegt hij, met achter zich werk van Anton Corbijn, Ron Galella en Bernd en Hilla Becher. “Mijn Andy Warhol-portret van Mick Jagger hing ook jaren aan deze muur, maar die heb ik verkocht.”

“Ik ben druk bezig met mijn kunst­collectie. Die is zo groot dat ik dacht: wat moet ik ermee aan? Met de hulp van een leuke curator doe ik nu dingen van de hand, zoals een aantal prachtige foto’s van Wolfgang Tillmans, een Duitse fotograaf die ik lang verzamelde. Fantastische man. Ik vond het moeilijk hem daarover te ­bellen, maar het moest. Geef ze aan een museum, suggereerde hij. Tja, dacht ik, dan krijg ik een aardig stukje in de krant en dat is het. Ik wil er toch iets aan verdienen, of is dat egoïstisch?”

Waarom? U heeft er toch zelf voor betaald, misschien ook als investering?

“Zo dacht ik nooit als ik iets kocht. Het ging mij altijd om de schoonheid van het beeld. Wel dacht ik soms: dit werk is zo goed, dat gaat nog eens veel opbrengen. Dat komt nu goed uit. Ik wil zorgeloos kunnen leven, het gevoel hebben dat ik elk moment naar Parijs kan. Gaan eten in Café Amsterdam, dat moet ook altijd kunnen als ik het wil. En de muren hangen nog vol. Ik heb zo ontzettend veel, schat. Veel te veel.”

Bent u ook vrijgevig?

“Tegenwoordig wel. Ik doe donaties aan de kunsten. Gijs Stork, die betrokken is bij de Pride Photo Award, vertelde dat foto’s van zoenende mannen in de tentoonstelling kapot waren gemaakt. Daar stop ik dan meteen wat geld in voor de restauratie. Twee leuke jonge acteurs die een ­P­aradevoorstelling willen maken geef ik ook een bijdrage. Geen duizenden. Kleine beetjes. Prima.”

Maakt u lijstjes van wie wat krijgt als u er niet meer bent, kunstwerken die u wilt weggeven?

“Weggeven doe ik bij leven. Veel leuker. Ik heb Hans Kesting een tijdje geleden een prachtige Jan Fabre gegeven. Als ik die uil zie hangen bij hem thuis, vind ik dat enig.”

Mist u zo’n werk niet?

“Soms, maar ik kan er ook makkelijk afstand van doen, merk ik. De lege plekken vul ik meteen op met dingen die al jaren op de grond staan. Dat vind ik ook leuk aan dat verkopen; het maakt ruimte. Ik heb zelfs werken verkocht die ik al eeuwen heb en waarvan ik altijd dacht dat ik ze mee naar mijn sterfbed zou nemen. Dat ging me evenmin moeilijk af. Als ik eenmaal een beslissing heb genomen, kijk ik niet om en twijfel ik niet. Zo ben ik met alles, eigenlijk.”

We gaan naar de keuken in het souterrain van het achterhuis. Gang door. Chocolaatjes mee, telefoon mee, en een gele post-it waarop dingetjes gekrabbeld staan. Hij steekt een sigaret op en vertelt dat hij later in de week naar Wende Snijders in Carré gaat, en dat hij een week geleden ook al in Carré was voor de voorstelling van Jenny Arean en Brigitte Kaandorp.

“Samen met Berend Boudewijn was Jenny was getuige op mijn huwelijk met Adrian (Brine, Brits-Nederlandse acteur en toneelregisseur, red.) Dat was in 2000, het eerste jaar waarin wij konden trouwen. Toen waren we al 25 jaar samen.”

Altijd bij elkaar gebleven?

“Tot de dood ons scheidde, ja. Het was een superrelatie. A – uitgesproken als E, zo noemde ik hem; alleen als ik boos was, zei ik Adrian – werkte veel in het buitenland, hij was een beroemde regisseur in Frankrijk en België. We waren daardoor niet constant in elkaars nabijheid, maar we wisten altijd van elkaar wat we deden.

Als een van ons weg was, belden we drie keer per dag. Het is alweer zes jaar geleden, zijn dood, maar die telefoontjes mis ik nog erg.”

Eergisteren was de sterfdag, zegt Kemna dan. Hij kreeg tientallen lieve berichten van mensen die eraan dachten. “Meestal ga ik op die dag naar het graf, maar ik was een week ervoor al op Zorgvlied geweest voor de begrafenis van Jeroen van de Noort, de vroegere agent van Renée Soutendijk en een heleboel andere acteurs. Toen ben ik ook nog even langs mijn eigen graf gelopen.”

Uw eigen graf?

“Van mij en A. Een reservering voor een graf op Zorgvlied, dat vroeg ik als cadeau voor mijn 70ste, of mijn 75ste. Iedereen moest er erg om lachen en een paar mensen waren gechoqueerd. Ik vind het vooral verstandig. Jeroen Krabbé raadde het me aan, maar die heeft zijn graf geloof ik daarna aan Ramses Shaffy afgestaan. Edelmoedig van hem, chapeau.”

null Beeld Jonathan Herman
Beeld Jonathan Herman

Hij laat een foto van zijn graf zien op zijn telefoon. ‘Hans Kemna’ staat al in de steen gegraveerd. ‘Kijk hoe mooi die plek is, naast een bloeiende magnoliaboom. En dat is een Romeins jongenshoofdje dat we ooit meesmokkelden uit Turkije – daar hadden we 24 jaar een huis. Prachtig. Het stond hier altijd op de schoorsteenmantel. Nu kijkt het naar A. Ons graf is ook heel goed gelegen. Dat was het eerste wat ik zei toen we het uitkozen: ik wil dicht bij de aula liggen, zodat mensen meteen naar de nazit kunnen.”

Naar de drank.

“Naar de drank en de bitterballen. Dat is gelukt, we hebben echt een goede plek. Het is wel zo dat naarmate ik ouder word het besef dat ik er echt kom te liggen zich wat meer opdringt. Ik wil dat niet voelen, maar het gaat vanzelf, ik kan het niet tegenhouden. Toch ga ik er graag naartoe. Als ik bij A ben geweest geeft dat een ­voldaan gevoel. Dan heb ik mijn plicht gedaan.”

Als echtgenoot?

“Ja. We horen bij elkaar. Dat gaat nooit weg. Ik droom vaak over hem. Leuke dingen, dan is het alsof hij er weer even is.”

Komt u nog weleens iemand tegen met wie u een liefdesrelatie zou zien zitten?

“Niet zoals met A. Dat kan niet. Ik heb wel vriendjes, maar ik moet er niet aan denken om met iemand samen te wonen.”

Kookt u voor uzelf?

“Nooit. Vreselijk. A kookte altijd. Hij kon het goed. Ik heb een hekel aan koken. Koffie en elke dag rond vijf uur een gin-­tonicje, dat is het wel zo ongeveer. Ik ga uit of laat iets bezorgen. Als ik thuis eet, is het functioneel. Tien minuten en het is op, kun je weer iets gaan doen. Ik ga nooit met een bord voor de televisie zitten. Ik kijk heel weinig. Soms de eerste afleveringen van een Nederlandse serie, omdat ik nieuwsgierig ben hoe het is gecast. De talkshows zie ik ook weinig. Het is zo vaak gezwets, met een air van ‘kijk mij eens’ meninkjes verkondigen waarvan je denkt: ja, wat jij zegt, staat ook gewoon in de krant. Vreselijk.”

Hij neemt nog een espresso en nog een sigaret. “Gisteren had ik de lezing van The Damned, een enorme productie van Ivo van Hove die wordt opgevoerd in het Amsterdamse Bos. Ik heb er zes jongens voor gecast, belangrijke bijrollen. Gisteren was de eerste keer sinds corona dat we samen mochten komen voor een lezing. Het was fantastisch.”

Cast u nog veel?

“Niet als je het vergelijkt met wat ik deed toen ik jonger was, maar ik doe nog best wat. Soms moeilijke gevallen, zoals laatst voor De dokter, een geweldig ITA-stuk van Robert Icke. Ik moest er een transgender meisje voor casten. Een halfjaar heb ik daaraan gewerkt. Niemand van de pers merkte op dat ze transgender is. Al die moeite. Goeie god, hoeveel heb ik er niet gesproken voor ik de juiste had. Heel leuk, prachtig meisje trouwens. Waarom ze per se transgender moest zijn weet ik ook niet, het was geen onderwerp in het stuk. Maar dat is juist goed natuurlijk, die veranderingen. Er is godzijdank meer vrijheid om te spelen voor iedereen die anders is.”

Moet je talent hebben voor uw vak?

“Dat weet ik niet, ik doe het al zo lang. Je moet wel een oog ontwikkelen door veel te zien, eindeloos veel voorstellingen. Vooral ook van onbekende mensen, op zoek naar talent. Ik cast nu alleen nog voor ITA. Toneelgroep Amsterdam. Dat is altijd een grote liefde geweest, ik werk daar al 35 jaar en ik vind het nog steeds even leuk. Elke keer dat ik eet bij Ivo en Jan (Versweyveld) denk ik dat Ivo gaat zeggen: ‘Hans, is het geen tijd om op te stappen?’ Maar dat zegt hij nooit. Gelukkig.”

Bent u er ongerust over dat het een soort noblesse oblige-ding wordt voor Ivo van Hove: we mogen Hans niet ­loslaten?

“Nee zeg. Nou ja, die gedachte zal er misschien best eens bij zitten. Of niet? Nee. Dat zou ik in de gaten hebben. Als wat ik doe geen betekenis meer heeft voor ITA, stap ik zelf op. Daar heb ik weleens over nagedacht: als ik weg ben, wie zullen ze dan nemen?”

Wie denkt u?

“Schat, ik heb geen flauw idee. Zo lang heb ik er nu ook weer niet over nagedacht.”

Hij werpt een blik op de post-it.

“Ik zat dit voorjaar in de jury van de Blijvend Applaus Prijs, die wordt jaarlijks uitgereikt aan iemand die zich verdienstelijk heeft gemaakt voor het toneel. Jan Joris Lamers is het geworden. 7500 euro en een beeldje. Hartstikke leuk. Jan Joris ken ik 62 jaar. Zat bij mij in de klas op de toneelschool, moet je je voorstellen. Ik las ook dat Hans Croiset, altijd mijn grote voorbeeld in het acteren, ophoudt met spelen. 86 is hij. Vier jaar ouder dan ik.

null Beeld Jonathan Herman
Beeld Jonathan Herman

Hij speelt nu nog in Eindspel. Ga ik ook naar kijken. Cas Enklaar speelde daar ook een geweldige rol in, maar die moest voor dit seizoen vervangen worden. Belt de regisseur mij: wie moeten we nemen? Gerardjan Rijnders, zei ik. Dat soort klussen doe ik tussendoor ook nog. Mijn lievelingsacteur op film, Jonas Smulders, zegt die naam je iets?”

Nee.

“Ik zal je straks boven een beeldschone foto van hem laten zien, gemaakt door Lara Verheijden, een heel goede fotografe. Voor een kalender fotografeerde ze hem naakt op een gracht middenin Amsterdam. Nu hangt hij boven bij mij. Maar goed, ik vertel dit omdat Jonas voor de VPRO een korte film maakt. Hij vroeg of ik daar een sonnet in wil voordragen. Ga ik ook doen. Leuk toch? Alles wat ik leuk vind, doe ik. Tot die vervelende pandemie opdook, gaf ik workshops aan de regie­opleiding van de Amsterdamse Toneelschool. Dat was ook enig. Die kinderen bellen mij nog voor castingadviezen.”

Lang nadat u de leiding en het eigenaarschap van Kemna Casting had over­gedragen, ging het bedrijf voort onder uw naam. Er kon geen aftiteling langskomen of u stond erop. Toen kwam de ­MeToo-affaire rond de toenmalige directeur Job Gosschalk, waarna Kemna Casting een andere naam kreeg: Post Castelijn Casting.

“In de volksmond is het nog steeds Kemna Casting hè. Gisteren versprak iemand zich nog tegen mij.”

Hoe was die toestand voor u, als naamgever?

“Heel vervelend, natuurlijk. De slachtoffers kwamen allemaal bij Kemna Casting vandaan. Elke ochtend als ik de krant van de mat haalde, zag ik mijn naam in die context terwijl ik al zeventien jaar weg was uit het bedrijf. Ik werd er zo gek van dat toen zelf heb voorgesteld dat een naamsverandering wellicht een goed idee zou zijn. Dat vonden ze daar ook. Nu vind ik het jammer. Het was toch wel leuk dat ik mijn naam nog voorbij zag komen aan het einde van een film. Vaak slechte films, maar goed, dat kunnen de acteurs niet ­helpen.”

Een actrice die ik over u sprak, vertelde dat u na afloop van een voorstelling ­altijd tegen haar zei: het stuk was vreselijk, maar jij was zo goed.

Hij lacht: “Jajaja. Natuurlijk zeg je zoiets. Wat ik ook heel vaak zeg tegen ­j­­onge acteurs is: jullie waren goed, maar de regisseur moet dood. Vinden ze ook heerlijk.”

Hoe ging u zelf om met acteurs die u aantrekkelijk vond toen u de ‘king of casting’ was in Nederland?

“Ik deed ook weleens stoute dingen, maar altijd met wederzijds goedvinden. Dan zei ik tegen zo’n jongen: je moet niet denken dat je nu Hamlet gaat spelen, hè?”

Vanuit bewustzijn over uw machts­positie?

“Dat klinkt te vooropgezet. Ik zei zoiets niet al te serieus, dan zou het ongemak­kelijk worden, maar het verschafte wel duidelijkheid, de grenzen waren helder. ­Simpel, schat, daar hou ik van. Ik heb ook nooit de ambitie gehad om te produceren of te regisseren. Dan gaan dingen al snel door elkaar heen lopen, daar zag ik niets in.”

U dacht aan het begin van het MeTootijdperk niet: o jee, als er maar niets van mij komt bovendrijven?

“Daar heb ik geen seconde wakker van gelegen. Echt niet. Ik ben niet gek. En ik ben een Rotterdammer, hè?”

Wat heeft dat ermee te maken?

“Niet te veel rare dingen doen. Je gezonde verstand gebruiken. Flink doorwerken. Dat cliché van niet lullen, maar poetsen. Ik ben ook goed opgevoed door mijn ouders. Belangrijk, hoor. Daar hou je je hele leven plezier van.”

Kwamen er in uw Kemna Casting-tijd soms actrices of acteurs naar u toe om nare ervaringen met een regisseur, een producent of iemand van een castingbureau aan u toe te vertrouwen?

“Dat heb ik nooit meegemaakt. Mensen durfden dat niet, denk ik. De drempel was daar wellicht te hoog voor. Ik zou nu een geschiktere vertrouwenspersoon zijn: ­minder macht, maar nog steeds goed ingevoerd in het vak. Zachter ook.”

null Beeld Jonathan Herman
Beeld Jonathan Herman

Nog een sigaret. “Iedereen zegt dat het geen zin meer heeft om te stoppen. Het zou me wel lukken als het moet. Ik ben een keer acht jaar gestopt. Maar ja, ik vind het zo gezellig, en lekker ook. Dat is wel prettig aan oud zijn, dat je bij sommige dingen kunt denken: so what? Dan zal ik er wat van krijgen. Ik heb ook geen kinderen voor wie ik iets moet laten. Alleen veel jonge vrienden die zich op een lieve manier om me bekommeren.”

Hebben u en Adrian ooit gedacht aan kinderen?

“Ooit wel. In 1975 was ik een halfjaar in Indonesië voor Max Havelaar, de film. Als regieassistent van Fons Rademakers. Hoog in de bergen bij Kampong ontmoette ik een jonge vrouw die haar zoontje, een ­pasgeboren baby, aan mij overhandigde. Neem hem alsjeblieft mee, zorg voor hem en geef hem een toekomst, zei ze. Dat wilde ik graag. A zei ook meteen: ik vind het goed, doe het. Fons deed er streng over. Hij vond dat ik het niet kon maken en dat ik die baby onmiddellijk moest teruggeven. Huilend deed ik dat. Het had ook niet gekund natuurlijk, een baby als een Turks beeldje de grens over smokkelen, maar jammer was het wel. A was zo’n goede vader geweest.”

Hij gniffelt. “En ik kan ook heel lief zijn.”

Ik zie u geregeld in een restaurant zitten met een jonge speler. Heeft dat iets vaderlijks?

“Nee, ben je mal. Dan ben ik aan het werk. Voor ITA. En het is altijd gezellig met acteurs.”

Wat vindt u van het theater van nu?

“Ik ben kritischer geworden misschien, maar ik vind het peil van na de pandemie lager. Het zal zich hopelijk herstellen, ­misschien moet iedereen weer een beetje inkomen. Voor corona werd toneel juist steeds beter, maar de lange stilstand mist zijn weerslag niet. Cabaretiers winnen nu terrein. Iedereen vindt kleinkunst fantastisch. Ik gun het ze hoor, al ga ik er nooit heen. Ik ga liever naar toneel.”

Loopt u weg bij voorstellingen die u slecht vindt?

“Nee, dat kan ik helemaal niet doen, dat ziet iedereen. Ik zou het ook heel onbeschoft vinden.”

En in slaap vallen?

“Dat gebeurt me tegenwoordig zo nu en dan. Maar kort hoor, tien seconden.”

Welke conclusie verbindt u daaraan?

“Dat ik het stuk kennelijk niet interessant genoeg vind. Met ouderdom heeft het niets te maken, want ik zit er altijd met jongere mensen en die dutten ook weg als het saai is. Meestal op hetzelfde moment als ik. Maar ik durf wel eerlijk te zijn over mijn leeftijd. Iedereen wilde dat ik nu naar de Biënnale in Venetië kwam. Daar pieker ik niet over. Ik zie mezelf niet meer dagen van paviljoen naar paviljoen lopen. Je moet je bewust zijn van je beperkingen en daar niet over zeuren. Waarom zou ik ook?”

Ja, waarom. U lijkt een leuk leven te ­hebben.

“Met A was het nog leuker, maar ik heb het goed, ja. Gisteren zo’n bijeenkomst met al die lieve, leuke mensen op dat ­dakterras van de schouwburg, sigaretje roken met acteurs die ik al zo lang ken. Jonge acteurs kennen me ook. Het is ­heerlijk om nog deel uit te maken van het geheel.”

null Beeld Jonathan Herman
Beeld Jonathan Herman

“Stilzitten zou me niet lukken, dat is het ook. Ik kan het niet. Ook Rotterdams. Mijn hart gaat nog steeds open als ik daar kom. Laatst was ik met mijn vriend Jop de Vries naar het nieuwe kunstdepot van het Boijmans, wat fantastisch is. Dan ben ik zo trots op de stad. Hij ligt er goed bij. Mooi, schoon en overzichtelijk. Niet met al die opbrekingen zoals hier. Onze binnenstad ziet er toch niet uit nu? Elke straat ligt open, overal die afschuwelijke gele verkeersborden die bovendien onbegrijpelijk zijn. Heel chaotisch en ongezellig vind ik het. Amsterdam onwaardig.”

Hij bestudeert de post-it nog een keer. “Ik had een lijstje gemaakt. O, dat moet ik nog vertellen. Er komt een biografie over mij, geschreven door Tjeerd Posthuma, toneelschrijver, dramaturg, erg leuke jongen. Ik zei: schat, wie koopt er een biografie over mij? Dat boek ligt binnen twee weken bij De Slegte. Maar hij is er serieus mee bezig. Elke week komt hij langs. Dan gaan we eten, of naar een voorstelling. Hij voert ook lange gesprekken met mensen die me goed kennen. Met Ivo, met Monique van de Ven, binnenkort heeft hij een afspraak met Paul Verhoeven.”

Bent u zenuwachtig over wat mensen over u zeggen?

“Nee, schat. Er zijn mensen die mij minder leuk vinden, zeker, maar dat heeft iedereen toch? Ik heb geloof ik geen echte vijanden. Maarten Spanjer zegt soms lullige dingen over me, maar ja, Maarten Spanjer zeg, who cares.”

Uiteindelijk weet je zelf het beste wat je hebt uitgespookt en of dat deugt.

“Natuurlijk. Ik heb mijn vak altijd safe, eerlijk en oprecht uitgevoerd. Geen MeToo-affaires of ander gezeik. Alles wat ik heb gedaan, daar sta ik achter. Ja, ik ben heel direct, dat vindt niet iedereen makkelijk.”

Wat staat er nog meer op het lijstje?

“Even kijken. Jonas, van dat sonnet. Biografie. Blijvend applaus. Kunstcollectie. Ja.”

U bent erdoorheen.

“Ik hoop wel dat die biografie verschijnt voordat ik doodga.”

Natuurlijk gebeurt dat.

“Klop je dat wel even af? Je weet het maar nooit. Nou ja, de dood hadden we al afgehandeld, tijd voor een gin-tonicje.”

null Beeld

Hans Kemna

5 maart 1940, Rotterdam

1954-1960 RHBS, Schiedam
1960-1963 Toneelschool Amsterdam
1960-1966 Acteur bij Nieuwe Komedie (Den Haag) en Zuidelijk Toneel Globe (Eindhoven)
1965 Eigen radioprogramma 2x Top Tien, VPRO
1966 Rol in musical Anatevka
1973 Oprichting Toneelgroep The Family
1970-2000 Eigen castingbureau Hans Kemna Casting (later Kemna Casting)
1987-heden Casting director bij Toneelgroep Amsterdam, later ITA

Hans Kemna woont in Amsterdam-­Centrum. Hij was vijftig jaar samen met toneel­regisseur en acteur Adrian Brine (overleden in 2016).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden