PlusInterview

Boksen was een uitweg voor Radmilo Soda: ‘Mijn moeder was er niet, of ze was dronken’

Radmilo Soda.Beeld Ernst Coppejans

Na zijn moeders overlijden vlucht Radmilo Soda (48) in drank en drugs, totdat hij het boksen ontdekt. In mei bestaat zijn sportschool, waar hij vooral ceo’s en ondernemers traint, tien jaar. ‘Op de bokszak kon ik al mijn frustratie eruit stompen.’

Zijn klanten bellen hem nu op. Kom, ­Radmilo, ga mee naar buiten, gaan we sporten, zeggen ze. “Ze hebben medelijden met me. En je ziet ze overal, de personal trainers die nu op straat en in de ­parken bezig zijn. Maar ik doe het niet. Ik vind het onverantwoord.”

Radmilo Soda zit aan zijn keukentafel in Uithoorn, we spreken elkaar via Skype. Met de sluiting van de horeca, scholen en sportclubs en de invoering van de anderhalvemeterregel zag hij zijn omzet als personal trainer kelderen naar vrijwel nul.

“Bij mij betaal je alleen als je komt sporten. Ik doe niet aan abonnementen. Als je niet traint, betaal je niet. Bij mij werkt het zoals bij de kapper. Als die jou goed knipt, ga je terug. Als ik je goed train, kom je heel graag terug.” Maar nu blijft zijn studio, Soda Bodyfit in de Falckstraat, noodgedwongen leeg. In mei zou hij het tienjarig bestaan vieren, met al zijn vaste klanten. Maar dat komt later wel. Eerst de komende tijd maar eens door zien te komen. Hij heeft zeven man in dienst, onder wie zijn vrouw – en de huur loopt ook gewoon door. “Ik heb mijn huurbaas net gemaild, maar die zegt alleen maar: voor mij is er ook geen regeling. Nou ja, ik ben blij dat de overheid bijspringt. Ik ben niet de enige in deze situatie.”

U bent uw sportschool juist begonnen in de vorige crisis.

“De mensen verklaarden me voor gek. Het was 2010, midden in de economische crisis. Mijn vrouw was ook heel zenuwachtig: wat ga je nou doen, zei ze, al je geld hierin stoppen? Maar ik had zó veel werk, steeds meer mensen zochten een personal trainer. Ik reisde door het hele land. Toen ik een mooie locatie kon huren in het centrum van Amsterdam, vlak bij het Frederiksplein, heb ik het gedaan. Ik trainde veel managers, veel ondernemers, ceo’s. Die mensen verloren tijdens die ­crisis hun baan niet, die moesten zelf mensen ontslaan. Voor hen was de stress heel hoog, sport was hun uitlaatklep, en ze wilden weerbaarheid opbouwen om goed te blijven presteren.”

Met wie trainde u zoal?

“Ik heb bijvoorbeeld met Wopke ­Hoekstra gewerkt. Veertien jaar lang. Een ­bijzondere kerel, heel slim. Die heb ik getraind tot hij minister werd. Hij kwam binnen als rechtenstudent, zijn leven was een en al lol, maar hij werkte aan een topcarrière, kreeg een gezin, dus hij moest zichzelf aanleren om goed voor zijn lichaam te zorgen. Goed slapen, goed eten. Bij dat soort jongens is het altijd de uitdaging om de balans tussen lichaam en geest goed te krijgen.”

“Soms komen ze ­binnen, hebben ze weinig geslapen, een stressvolle dag gehad en weinig gegeten, en dan zeggen ze: ik wil heel veel sporten! Dan denk ik: gozer, laten we eerst even kijken wat voor jou het beste is. Als je niet genoeg energie hebt, heeft nog meer stress geen zin. Want sporten is ook stress.”

“Soms heb je genoeg energie en ga je er als een hamer doorheen, en soms moet je rustiger aan doen. Je moet elke keer ­zoeken naar de juiste training voor dat moment. Dat maatwerk vind ik interessant. Dat merkte ik al toen ik profbokser was. Ik probeer nu iedereen die ik train te behandelen als topsporter.”

Radmilo Soda kwam als zestienjarige jongen uit Kroatië naar Nederland. Op zijn achttiende begon hij met kickboksen. Bij Thom Harinck, bij Chakuriki in de ­Jordaan, maar zijn smalle enkels konden de druk niet aan. Hij stapte over op gewoon boksen, bij het Albert Cuyp-team. Daar werd hij jaren achtereen Nederlands kampioen bij de amateurs. Toen hij zich net niet kwalificeerde voor de Olympische Spelen, stapte hij eruit en werd hij nachtportier. Maar het bleef kriebelen.

Een jaar later begon hij een profcarrière bij Michel van Halderen in Purmerend. Tot zijn wereldtitelgevecht in 2004, in Praag. “Ik had gezegd: als ik verlies, hou ik ermee op. Ik wilde stoppen op mijn hoogtepunt. Mijn trainer geloofde me niet, maar ik was wel klaar. Ik was inmiddels getrouwd, we hadden drie kinderen. Er waren geen opa’s en oma’s, mijn vrouw werkte overdag, ik was fulltime vader. Als mijn vrouw ’s avonds thuiskwam, ging ik trainen. Dat was niet vol te houden.”

‘Tot de laatste uitzending van Obese heb ik gevochten voor nazorg.’Beeld Ernst Coppejans

In 2012 werd u personal trainer bij Obese, een afvalprogramma met Wendy van Dijk. Hoe kwam u daar terecht?

“Ik was na mijn profcarrière mensen één op één gaan trainen. Twee jaar nadat ik mijn eigen sportschool had geopend, werd ik getipt: RTL zocht voor een nieuw tv-programma personal trainers die ervaring hadden met het laten afvallen van mensen. Ik heb me aangemeld, en na zeven rondes was ik erdoor. Het was best heftig. Ik had mensen getraind van 150 kilo, maar toen kreeg ik opeens mensen van 280 kilo voor mijn neus. De allereerste kandidaat, Danny Bouman, woog op zijn zwaarst 295 kilo.”

Dan weet je toch niet waar je moet beginnen?

“Ik wel. Danny was heel uitdagend. De zwaarste mens die ik ooit in mijn leven had gezien. Een slimme vent, maar zo kwetsbaar, zo verslaafd aan eten. Dat was een hele strijd. Aan het eind van het programma sloeg hij door: toen wilde hij niets meer eten, en vijf uur per dag trainen. Ik moest hem afremmen. Dat was vreselijk.”

Hoe komt het dat mensen zo verslaafd kunnen raken aan eten?

“Het is een combinatie van psychologie en genen. Als je zo dik bent, heeft je lichaam heel veel vetcellen opgebouwd. Die blijven vragen om eten. Zolang je ze een goede omgeving geeft, en alleen langzame koolhydraten – vezelrijk voedsel dat langzaam wordt afgebroken zodat je niet zo’n snelle piek in de bloedsuikerspiegel krijgt – is er niks aan de hand. Maar als ze één snoepje pakken, één pizza, raakt het lichaam weer vol in de stress door de suikers. Dan vliegen de kilo’s eraan. Dus zolang je toezicht op de deelnemers hebt, werkt het. Maar je merkte hoe moeilijk mensen het vonden om het vol te houden zodra we ze hadden losgelaten. Als je verslaafden behandelt in een kliniek, in een isolement, kicken ze wel af, maar als je ze daarna terugbrengt in hun vertrouwde omgeving, vallen ze terug.”

“Halverwege het programma heb ik tegen Wendy van Dijk en Erland Galjaard, de programmadirecteur, gezegd: jongens, als jullie dit zo doorzetten, hebben we een probleem als we deze mensen straks loslaten. Tot de laatste dag van de uitzending heb ik gevochten voor nazorg. Er was niks geregeld. Aan het einde ben ik eruit gestapt, ik hield het niet meer vol. Toen zeiden ze: oké, zes jaar nazorg in een obesitaskliniek, en ze konden een jaar lang eens per week een personal trainer zien. Dat was een opluchting, maar ik wist dat het nog steeds moeilijk zou worden.”

Hoeveel weegt Danny nu?

“Danny was 150 kilo afgevallen, maar had er een jaar na de uitzending weer 90 kilo bij. Toen heeft hij een maagverkleining genomen. Die heeft best wel een stukje geholpen, maar hij heeft erdoorheen gegeten. De maag rekt uit hè, het is een orgaan.”

Wat heeft zo’n programma dan voor zin?

“Je kunt mensen laten zien: doordat je gezond eet, beweegt, je psychologie aanpakt en je lifestyle verandert, dat er hoop voor je is.”

Je houdt ze eigenlijk een worst voor.

“Je moet bij dit soort programma’s de tijd nemen. Dan is de kans op terugval veel kleiner. En je moet niet filmen op de kilo’s die ze afvallen, maar kijken naar psychologie en de lifestyle die je verandert. Dan zul je zien dat mensen langzamer, maar wel duurzamer afvallen.”

“Toen Obese bij mij kwam, was mijn eerste vraag: hoe lang gaan we erover doen? Tien maanden, zeiden ze, daarom heb ik ja gezegd. De meeste programma’s worden in vijf, zes weken gemaakt. Dit was lifechanging.”

Wat heeft Obese u gebracht?

“Ik kreeg allemaal mailtjes van mensen: en ik dan? Toen ben ik mijn kennis gaan delen en boeken gaan schrijven. Echt ­Radmilo, in 2014, Moms, voor zwangere vrouwen, en vorig jaar Seniority. Ik heb daar allemaal wetenschappers voor geïnterviewd en verouderingsprocessen in kaart gebracht. Je kunt iemand van 65, 70 niet trainen zoals ik jou zou trainen. Dat gaat gewoon niet, het lichaam werkt anders bij ouderen, of bij zwangere vrouwen, of bij pubers. Die hypes zijn leuk en aardig, maar je moet je afvragen: waar bevind ik me in mijn leven? Is dit de beste work-out, het beste voedingspatroon voor mij?”

Wat is het grootste misverstand over sporten?

“Mensen willen te graag trainen met te weinig energie. Ze eten te weinig koolhydraten en willen dan superintensieve trainingen doen. Dat houden ze niet vol, dan krijgen ze blessures of worden ze ziek. En dan gaan ze weer alles naar binnen proppen en komt het gewicht weer terug. Dan denk ik: vergroot eerst je kennis, kijk hoe je lichaam in elkaar zit.”

Werkt u nu aan een boek?

“Mijn volgende boek moet gaan over werken. Hoe zorg je voor jezelf als je moet presteren? De mensen die bij mij komen, hebben vaak veel te veel hooi op hun vork genomen, hun lichaam kan dat niet aan. Dan hebben ze een carrière en een gezin, en stort hun wereld in. Terwijl: dat is het mooiste punt van je leven! Mijn moeder stierf toen ze 42 was. Ik ben nu 48 en heb het gevoel dat het leven pas net begint.”

‘Mijn opa ving ons vaak op, maar eigenlijk waren we vrije vogels.’Beeld Ernst Coppejans

Uw moeder heeft u niet opgevoed.

“Mijn moeder was chronisch alcoholist. Zij kon niet voor mij en mijn oudere zus zorgen. Ze was kok en elke avond weg. Mijn vader kende ik niet. Aan de ene kant van ons huis in Kroatië woonde opa. Hij ving ons vaak op, maar eigenlijk waren we vrije vogels. Jeugdzorg zag dat niemand echt voor ons zorgde. Dus toen ik zes was, zijn we in een internaat geplaatst.”

Wat vond u daarvan?

“Dat was een ramp. Ik kon het helemaal niet hebben. We zaten in een huis met driehonderd kinderen. Ik was altijd op de vlucht, op zoek naar mijn moeder. Maar ze was er niet, of ze was dronken. Maar voor mij maakte het niet uit hoe ze was, ze was mijn moeder, mijn thuis. In het internaat moest ik vechten voor mijn bestaan. Dat was 30 kilometer van ons huis.”

“Omdat ik steeds wegliep, hebben ze me ergens geplaatst op 300 kilometer van mijn huis. En daarna op een plek op 450 kilometer van mijn huis. Toen wist ik nog te vluchten. Uiteindelijk kwam ik terecht in een pleeggezin. Daar heb ik veel geluk mee gehad. Het waren twee oude mensen op een eiland in Kroatië, hun kinderen waren al uit huis. Ze hadden een stukje land, met beesten. Ik was twaalf en had het daar helemaal naar mijn zin. Die mensen hebben me structuur van leven gegeven, normen en waarden bijgebracht.”

“Maar toen overleed mijn pleegvader, en twee van de zoons. En in Kroatië is het zo: in een rouwperiode gaan een halfjaar de luiken dicht, geen radio en televisie, je kleedt je in het zwart. We gingen elke dag bloemen brengen op de begraafplaats, telkens als je iemand op straat tegenkwam, ging die ander huilen. Ik was veertien, en heb gezegd: ik moet weg hier, ik moet naar mijn moeder. Maar dat ging weer helemaal fout. Ik belandde op straat. Toen de oorlog uitbrak, zei mijn zus, die in Amsterdam woonde: kom hierheen.”

Hoe was dat, om hier aan te komen?

“Het was nogal een cultuurshock. Ik was nog een puber. Eerst werkte ik in het restaurant van mijn zus. Toen dat sloot, ben ik door de stad gaan lopen op zoek naar een baan. Ik liep gewoon naar binnen, met een briefje in mijn hand: heb je misschien werk voor mij? Ik sprak alleen drie woorden Engels en had geen telefoon, alleen het adres van mijn zus, bij wie ik toen woonde. Toen heeft de eigenaar van Het Stuivertje, in de Hazenstraat, me een postkaart gestuurd dat ik kon beginnen. Eerst deed ik de afwas, toen de salades, de voorgerechten, en uiteindelijk ben ik er chef-kok geworden.”

Had u toen nog contact met uw ­moeder?

“Jawel, voor zover dat kon. Ze stierf toen ik achttien was. Dat was heel heftig, zij was alles wat we hadden. Nou ja, opaatje was er, maar we hadden niet zo’n hechte band. Nichtjes en neefjes waren er niet en met de tantes die we hadden, had mijn moeder ruzie. Maar weet je: als mijn moeder niet dronk, was ze de liefste van de wereld. De liefde die ze gaf aan ons, dat was zo bijzonder. Dat blijft altijd bij je. Op het moment dat ze dronken was, was ze alleen met zichzelf bezig. Dat realiseerde ze zich wel als ze nuchter was, maar dan was het te laat. Ze was verslaafd hè.”

“Na haar overlijden ben ik in een dip geraakt. Ik ging aan de drugs – coke, pillen, ik kan overal over meepraten – en zuipen als een gek. Ik woonde samen met een jongen boven het restaurant. Hij zag het gebeuren en zei: Radmilo, kom op man, zo kun je niet doorgaan. Toen ben ik naar de kickboksschool van Thom Harinck gegaan. Bij de eerste klap op de bokszak wist ik: dit is het. Je voelt dat je al je zelfhaat, je frustratie eruit kunt stompen.”

Heeft uw moeder ooit beseft wat ze u heeft aangedaan?

“Elke ouder beseft dat. Maar ik heb er nooit echt met haar over gepraat. Ik was nog jong.”

Leeft uw pleegmoeder nog?

“Nee. Die is drie jaar geleden overleden. Zo is het leven hè. Je leeft, je gaat dood, je maakt van je leven het mooiste wat je kunt maken. Je hebt mooie ervaringen, en sommige zijn minder mooi. Ik heb zulke mooie kinderen die ik mijn ervaringen wil meegeven.”

Uw kinderen zijn nu 16, 18 en 20. Wat zegt u tegen hen als zij drugs gebruiken?

“Doe maar!” Soda lacht, en kijkt opzij, waar zijn achttienjarige dochter al die tijd tijdens ons Skypegesprek stil naast hem blijkt te hebben gezeten – net buiten beeld. “Vraag het haar zelf maar!” Ze verschijnt voor het scherm: “Ach, drugs… Ik slik geen pillen, ik snuif niet. Ik heb weleens een jointje gerookt, en dat vertel ik mijn vader ook gewoon. Hij zegt dan: als je maar niets extreems doet.”

Zoals hij.

“Tja. Zo ben ik niet. En verbieden heeft geen zin, ik moet mijn eigen ervaringen opdoen. En nu kan ik het er met mijn vader over hebben.”

Radmilo Soda neemt het weer over. “Ik denk dat het een kracht is dat ik erover kan praten. Dan zeg ik: jongens, je weet wat je papa was. Je kunt drugs gebruiken, maar dat zijn geen ervaringen waar je iets mee opschiet. Dat draagt niets bij.”

Hoe weet u of u het goede doet?

“Gelukkig is het mijn werk om te trainen en te coachen. Ik train en coach mijn kinderen ook. Ik denk dat ik geluk heb gehad met de mensen die op mijn pad zijn gekomen. Die me waardeerden en een duwtje in de juiste richting hebben gegeven. Ik heb niet gestudeerd, maar ik heb wel een bepaalde intelligentie waardoor ik logisch kan denken. En je moet leergierig blijven. Ik lees heel veel. Ik ga naar cursussen, volg opleidingen. Ook over psychologie, mental coaching. Het is een ontdekkingsreis naar jezelf – en hoe je wat je weet kunt overbrengen op anderen.”

Bent u niet ongelooflijk trots op uzelf?

“Dat ben ik. Elke keer verbaas ik mezelf waar ik de energie vandaan haal. Als je zo veel ellende hebt meegemaakt in je jeugd, is er maar één ding wat je kunt doen: vechten voor een beter bestaan. En dat doe ik.”

Radmilo Soda

8 augustus 1972, Trogir, Kroatië

1989 Aankomst in Amsterdam
1993 Start bokscarrière
2004 Vicewereldkampioen boksen cruiser zwaargewicht, einde bokscarrière
2004-2010 Personal trainer
2010 Opening Soda Bodyfit Studio voor personal training
2011-2013 Hoofdtrainer bij RTL-programma Obese
2014 Schrijft eerste boek Echt Radmilo
2016 Publicatie boek Moms
2019 Publicatie boek Seniority

Radmilo Soda woont met zijn vrouw en drie kinderen in Uithoorn.

Soda als kind met zijn moeder.

Ook als je niet naar zijn studio kunt komen, kun je sporten met Radmilo Soda. Elke dag om 12.00 uur publiceert Soda een work-out op de website van Decathlon. Daarnaast zijn er drie sportapps die je kunt downloaden: Seniority (voor ouderen), Moms (voor zwangere vrouwen en jonge moeders) en sinds kort ook Bandze, een app met work-outs met elastieken. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden