PlusInterview

Bijna 100: de Amsterdamse eeuw van Tiel Wibaut

Tiel Wibaut is een kleindochter van wethouder Floor Wibaut ‘de Machtige’. Haar oom, ingenieur Vincent van Gogh had De aardappeleters aan de muur (‘ik was er bang van’). En Heinekenontvoerder Cor van Hout ontstopte de afvoer bij haar thuis. Op kerstavond wordt ze 99. Haar leven in een eeuw.

Beeld Adrie Mouthaan.

De jaren twintig

“Toen werd ik geboren, 24 december 1920. We woonden we in een mooi grachtenpand op de Prinsengracht, tussen de Leidsestraat en de Spiegelstraat – een paar huizen af van het Prinsengrachtziekenhuis. Vlak naast ons huis stond een melkfabriek, de Verenigde Amsterdamse Melkinrichtingen, de VAMI. Daar gingen karren met grote bussen heen, en die moesten van de Spiegelstraat de met kinderhoofdjes geplaveide gracht op en dat gaf een ontzettend lawaai. Maar niet voor het ziekenhuis, want daar lagen houten blokken zodat dat gerammel werd gedempt. Voor ons huis begon dat gebulder weer.”

“Naast ons was ook een groothandel in spuitwater en bieren, en daar kwamen van die grote Zeeuwse paarden biervaten uitladen. Dan stonden die paarden precies voor ons huis. Een van die paarden heette Brutus en als Brutus er was, mochten we die een boterham geven. De Prinsengracht is nooit zo chic geweest als de Herengracht en de Keizersgracht, er zaten erg veel bedrijven.”

“Ik herinner me nog ontzettend goed een paar schilderijen. Die hingen bij tante Jos en oom Vincent van Gogh, ingenieur, in Laren. Daar gingen we logeren en hielden we kussengevechten. In het aangebouwde stuk van hun huis was het eerste wat je zag een prachtig schilderij, dat Oogst heet of zo (De oogst, thans in het Van Goghmuseum, red.), een Frans landschap met daarin een kar. Meteen daarnaast was een schouw en daarboven hing De aardappeleters, en dat vond ik afschuwelijk.

Al die lelijke mensen! Ik was er bang van. En ik herinner me een korenveld met kraaien, maar volgens oom Johan van Gogh, de vader van de vermoorde Theo (Ze maakt een halsafsnijdende beweging, red.) was dat niet zo, en Johan had altijd gelijk.”

Hoe is het om familie te zijn van een wereldberoemdheid als Vincent van Gogh?

“De nazaten, die zijn familie van me. Kijk, mijn grootvader Wibaut, beroemd en wel, en Van Gogh is, ja, ook familie van me, en mijn moeder komt uit een gezin van Roland Holst, maar so what? Dat heeft toch verder niets met mij te maken? Ja, ik heb ze gekend.”

De jaren dertig

“In 1929 zijn we verhuisd naar de P.C. Hooftstraat, tussen de Van Baerlestraat en het Vondelpark. Mijn vader was oogarts met een praktijk aan huis, en hij kon de praktijk overnemen van een dierbare vriend. Dat was een heel groot huis, met vijftien kamers en dienstbodekamertjes op zolder. Heel bijzonder was dat daar centrale verwarming was, geweldig, en er was een huistelefoon. Dat vonden we heel leuk, op elke verdieping een toestel, met knopjes. Maar voor het eten ging er een bel. Om kwart over zes gingen we eten, verder waren er niet zo veel regels in huis.”

Tiel Wibaut tussen 1930 en 1940.Beeld Adrie Mouthaan.

“In de P.C. Hooftstraat speelden we op straat, er stonden daar nog helemaal geen huizen. Als er eens een paal in de grond werd geslagen voor nieuwe bebouwing, gingen we voor het raam staan kijken.”

“Wij kwamen niet echt in de buurten, maar ik herinner me wel zo’n rij met mannen die moesten stempelen. Mijn grootmoeder Wibaut had een dienstmeisje dat al tien jaar verloofd was, omdat haar man werkloos was.”

Maar u merkte niet veel van de crisis?

“Eigenlijk moet ik gewoon zeggen: nee.”

De jaren veertig

“Er waren weinig andere gesprekken dan over Hitler en Duitsland. Hij had Polen aangevallen, Tsjecho-Slowakije bezet, was bezig met Denemarken, waarom zou hij aan Nederland voorbijgaan? Mijn ouders waren zeer bevriend met Joden in dat stukje van de P.C. Hooftstraat waar we woonden. Die hebben het niet overleefd.”

“De avond voor de inval kwam ik thuis, er was niemand. Ik had een onbeschrijflijke behoefte aan een lekker taartje. Ik had twee dubbeltjes en een stuiver, maar geen kwartje, en alleen met een kwartje kon ik uit de automatiek om de hoek een slagroomtaartje halen. Op straat hielp een buurman me daarmee. Er hing een enorme spanning en de volgende morgen, heel vroeg, begon het afweergeschut. Allemaal wakker. Mijn zuster zei: ‘Het zijn de Duitsers.’”

“De volgende dag plakten we de ramen vol plakband, zodat als iets explodeerde het glas niet in je ogen kwam. De bel ging. Het was de pianostemmer; het leven ging bij ons gewoon door.”

“Mijn vader had als oogarts in de Jodenbuurt een praktijk voor trachoom, een heel ernstige oogziekte. Hij hield er elke week spreekuur. Na de oorlog wilde hij geen praktijk meer houden.”

“Ik wist echt niet wat ik wilde worden. Toen heeft mijn moeder met de directrice van mijn school iets bedacht. Ik vond alles best. Wij hadden maar een klein beetje keuze op de meisjes-montessori, zonder diploma toen nog. Zo ben ik montessori-kleuterleidster geworden. Eerst heb ik een jaar waargenomen in Zaandam, een particulier kleuterklasje van een Joodse vrouw die geen juf meer mocht zijn.”

“Tot 1942 heb ik in de P.C. Hooftstraat gewoond, toen ben ik verhuisd naar Almelo, ben ik daar een klasje gaan doen. Ik woonde op een kamer bij een vrouw met twee kinderen in een uitstekend huis, leuke tuin met vruchtbomen. In de kamer naast me zaten onderduikers. Dat was vanzelfsprekend, daar heb ik de bevrijding meegemaakt.”

“Na de oorlog ben ik via mijn oudste broer naar Engeland gegaan. Hij begon in Surrey een boardingschool. Daar heb ik drie jaar gezeten. Toen ik terugkwam, had iedereen zich genesteld. Vrienden zochten elkaar weer op, ik stond er totaal buiten. Ik kende niemand meer.”

De jaren vijftig

“De gemeente betaalde voor mijn montessori-akte, daarna moest je dan wel vier jaar op een gemeenteschool lesgeven, in mijn geval op de Admiralengracht. In de tijd van de babyboom werd het heel druk op die school. Na de babyboom kromp het weer wat. Ik heb daar 27 jaar gewerkt.”

In die tijd heeft u uw man ontmoet?

“Gek genoeg weet ik niet meer zo precies hoe dat ging. Ja, mijn zuster had een hele vriendenkring, en daar werd ik een keer uitgenodigd en daar was ook Lou van Oosterom. Toen ik naar huis ging, schudde iemand mijn haar door elkaar, en dat was Lou. Hij had later een karbonkel op zijn voet, hoorde ik, en toen ben ik bij hem op bezoek gegaan. Hij was al getrouwd geweest met een van de bijzonderste vrouwen van Amsterdam, Lida Polak, maar van haar was hij gescheiden. Wij zijn in 1959 getrouwd.”

“Het was de tijd van de wederopbouw, ik herinner me er weinig van. Wat partijtjes, lekker wijntje, stukjes kaas van Kef, in een veel kleinere stad dan nu.”

De jaren zestig

“Nadat Lou mijn moeder had ontmoet, zei hij: ‘Ik kende haar allang, zij loopt altijd te foeteren tegen haar hond.’ Ik zei: ‘Helemaal mijn moeder.’”

“Vroeg trouwen vond ik idioot, ik moest er niets van hebben.”

“In 1963 heb ik mijn rijbewijs gehaald, dat is wat jonge mensen deden. Lou haalde het ook wel, maar die heeft nooit gereden. Ik had een grijze deux-chevaux, met een rood dak.”

Leuk dat u deux-chevaux zegt, veel mensen zeggen Eend.

“Eend, ja. Het was een deux-chevaux. Die automan, hoe heet dat, de instructeur, vroeg me: ‘En, waar denkt u aan?’ Ik zei: ‘Een deux-chevaux natuurlijk.’ Minachting, hij was zo’n Opelman.”

“We gaven les, we gingen heerlijk met vakantie, altijd kamperen, in Frankrijk. De Elzas, Bretagne, Auvergne, de Provence – altijd heel rustig, we hadden die lange schoolvakanties. Het toerisme moest nog komen. Veel lezen, zwemmen. Ik weet nog dat ik lag te drijven en een visarend boven mijn hoofd zag. Nou, dag geslaagd.”

“Lou en ik woonden aanvankelijk op Oosteinde, op een kamer. Geen kinderen, is niet gebeurd. Het is misschien onbegrijpelijk, maar ik heb nooit het idee gehad: oh, wat wil ik graag kinderen hebben.”

U had altijd al kinderen, klassenvol.

“Precies.”

De jaren zeventig

“Hoe het was, om getrouwd te zijn? Daar heb ik nooit zo over nagedacht, het was goed, prettig. We hadden samen een aantal abonnementen op het Concertgebouw, we gingen graag naar galeries. Mijn gevoel was altijd: als je naar een galerie gaat, moet je ook wat kopen. Misschien idioot, maar zo kom ik aan die Alechinsky daar.”

U werd geen hippie?

“Ik was altijd met de klas bezig en moest voor de kindertjes zorgen enzo, leeswerkjes bedenken. Lou kookte graag. Ik speelde dan een uurtje piano.”

“Dat hele hippiegedoe ging aan ons voorbij. Ik kreeg van een vriend wel een langspeelplaat van The Beatles, en toen ik die opzette, dacht ik: wat een geweldig muzikale jongens.”

U ging niet als een dolle lopen blowen?

“Ik heb wel een keer een paar trekjes genomen, maar meer niet. Ik rookte gewoon, iedereen rookte toen.”

“In 1969 hebben we een huisje in Friesland gekocht, met een hypotheek. Daar is geen schrikbarend mooi landschap hoor, gewoon weilanden en hei, maar er is wel schone lucht, geen lichtvervuiling, geen verkeersweg, schone grond. Het huisje is echt saai, niet mooi, uit 1920, een oud turfstekershuisje. We hebben dat nog steeds.”

De jaren tachtig

“Mijn man Lou werd een absolute alcoholist. Hij heeft ontzettend geleden onder de invoering van de Mammoetwet. Ineens moest hij lesgeven aan leerlingen die helemaal geen Frans wilden kiezen voor hun eindexamen. Dat frustreerde hem geweldig. Toen we trouwden was er alleen een glaasje sherry, wijn aan tafel bestond nog niet. Maar het werd steeds meer. Ik heb wel gehad dat hij ladderzat naast me in de auto zat en dan tegen me aanviel, dan duwde ik hem maar weer terug.”

“Dat was wel echt een punt hoor, en hij kreeg reuma. Kijk, ik ben doof, daardoor was ik wat langzamer, uiteindelijk ben ik in 1980 afgekeurd omdat ik geen kinderstemmen meer kon horen.”

Beeld Adrie Mouthaan.

“Lou was inmiddels met pensioen, en toen zijn we gaan reizen, naar Toscane, Zuid-Spanje, en Sicilië, waar de mimosabomen in bloei stonden – enig was het.”

“Toen Heineken werd ontvoerd, in 1983, woonden we in de Courbetstraat in Zuid, en onze huisbaas had Cor van Hout en Frans Meijer als een soort protegés. Die Cor van Hout was voor die ontvoering weleens in mijn keuken geweest om te kijken naar de afvoer. Hij was een beetje stuntelig, een beetje stotterig.”

“Toen Van Hout een paar jaar geleden [begin 2003, red.] werd geschoten, ik dacht: ja verdomme, je bent toch een mens. Al heb je misschien mensen koud gemaakt, toch een mens.”

“Wij hebben uiteindelijk moeten verhuizen naar hier, in Buitenveldert, want die huizen werden verkocht en wij hadden geen centen. Ik zei tegen Lou: ‘Geen probleem, ik hoef niet zo krampachtig in de binnenstad te wonen.’”

De jaren negentig

“Lou was nog heel dapper, ondanks zijn reuma, bijna elke dag wandelden we in het Amsterdamse Bos. Maar per week hield hij het minder lang vol. 1996 was het rampjaar. Het jaar van de dood; goede vrienden gingen dood, mijn broer Frank en zijn vrouw maakten er een einde aan.”

“Lou overleed heel plotseling, in Friesland. Op een avond ging hij iets vroeger naar bed en om vijf uur maakte hij een geluid. Ik zette hem nog rechtop, schudde de kussens een beetje lekker op, maar hij deed zijn ogen dicht, en dat was het.”

De jaren nul

“Theo van Gogh wordt, omdat het vijftien jaar geleden is, erg veel herdacht. Dan zie ik hem op YouTube, en dan denk ik: verdomme, wat ben je au fond een goede man. Een extreem mens, heel warm. Ook al heeft hij de vreemdste en gekste dingen gezegd, in wezen was hij een goede man.”

“Ik moet u iets vertellen dat u nog niet weet. Ik heb nog een heel leven, en daarover heb ik u nog niets gezegd. Ik heb een partner.”

U bedoelt?

“Nou ja, een partner, een vriend, een man, hij is dertig jaar jonger dan ik. Hij is een achterkleinzoon van Floor Wibaut, en ik ben dus een kleindochter van dezelfde Wibaut. We zijn getrouwd, nou ja, geregistreerde partners, sinds juni 2007, dus we vieren deze maand onze koperen bruiloft. Haha, haha, daar dacht ik vanmorgen ineens aan. Verrek, dacht ik. Het allergekste is wel: we zijn getrouwd in Naarden-Bussum, en volgens mij zijn mijn ouders daar ook getrouwd. Hij is overigens van de herenliefde. Zijn vriendje was onze getuige.’

U bent getrouwd met uw neef?

“Nou nee, met mijn achterneef.”

Op uw 86ste?

“Nou ja, jawel. Dat huisje in Friesland, hij is helemaal gek van dat huisje. Ik wil hem dat nalaten en dan is dit een manier.’

De jaren tien

“Hier, wonen. Voor mezelf zorgen.”

Tiel Wibaut wijst om zich heen, in haar lichte flat in Buitenveldert. “Ik ging altijd naar yogales, bij de Droogbak bij het Centraal Station, maar ik werd telkens op weg daarheen haast omver gelopen door mensen met rolkoffertjes. Op een zeker moment werd dat te veel. Nu ga ik naar de fitness hieronder, ook om leuk een praatje te maken. Ik zeg ruiterlijk: zonder hen was ik er niet meer geweest.”

“Hoe ik 99 ben geworden? Ik ben altijd nogal gezond geweest. Ja, ik heb alle kinderziektes gehad, mazelen, de bof, difterie, waterpokken. Daarna ben ik vrijwel nooit meer ziek geweest.”

Volgt u een dieet? Rookt u nog? Drinkt u?

“Ik heb gerookt, daar ben ik zonder veel moeite mee opgehouden, en ik drink graag een glas wijn, of een Noilly Prat, heel moeilijk te krijgen in Frankrijk trouwens, en, lekker, een glaasje port. Ik eet heel gewoon, alles.”

Hoe oud denkt u te worden?

“Ik hoop niet dat ik 100 word, ik bedoel: het hoeft niet. Dan komt de burgemeester op bezoek en zo. Laat mij hier maar rustig sudderen, zeg ik, zonder te gaan luiwammesen.” 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden