PlusInterview

Bij ons in de Bijlmer: Henno Eggenkamp (76) schreef een boek over de verguisde wijk

Door de woningcrisis is ‘zijn’ Bijlmer plotseling gewild geworden. Henno Eggenkamp (76), al vijftig jaar bewoner, schreef een boek over de geschiedenis van de verguisde wijk. ‘De arme mensen worden weer weggemoffeld.’

Henno Eggenkamp: ‘Het is typisch voor de stad: alles wat naar armoede riekt, moet verdwijnen.’ Beeld Birgit Bijl
Henno Eggenkamp: ‘Het is typisch voor de stad: alles wat naar armoede riekt, moet verdwijnen.’Beeld Birgit Bijl

Eén keer is hij zelf in de verleiding geweest om weg te gaan. Dat was in de jaren tachtig. Een bevriende kunstenaar ­verhuisde naar Weesp en liet een prachtige atelierwoning aan de Leidsegracht achter. Het kwam er niet van. De eigenaar van het pand, een ongelooflijke zak, koos ervoor de sleutels te geven aan zijn zoon, ook een ongelooflijke zak. Dus bleef Henno Eggenkamp zitten waar hij zat, in de ­Bijlmermeer, waar hij in 1969 was begonnen in de flat Groeneveen en in 1974 de overstap had gemaakt naar zijn huidige vierkamerwoning op de tiende verdieping van het nabijgelegen Grubbehoeve.

Als hardnekkige blijver heeft Eggenkamp in die halve eeuw heel veel mensen zien vertrekken met de verhuiswagen, ook veel goede vrienden. “Het verblijf in de Bijlmer was en is typisch een onderdeel van een wooncarrière. ­Uiteindelijk gaan mensen toch verlangen naar een huis met een tuin en een parkeerplaats voor de deur. Het heeft ook met status te maken: hoogbouw heeft iets armoedigs. En af en toe ís het vervelend, met die harde muziek, het ­geschreeuw en het gedoe. Maar vrijwel alle vrienden die nu rustig en comfortabel elders wonen, maken geregeld melding van heimwee naar dat gekke universum van de Bijlmer.”

De bouw van de Bijlmermeer, gedoopt tot ‘stad van de toekomst’, ca. 1968. Beeld Stadsarchief Amsterdam
De bouw van de Bijlmermeer, gedoopt tot ‘stad van de toekomst’, ca. 1968.Beeld Stadsarchief Amsterdam

Over dat gekke universum heeft Eggenkamp nu een boek geschreven: De verguisde stad. De titel is ontleend aan een gedicht van eigen hand – ‘Oh, Bijlmermeer, verguisd en gekwetst, ik vond er slechts geluk en jou.’ Het boek is een vlot leesbare weerslag van de encyclopedische kennis die de schrijver in al die jaren heeft opgebouwd over het baanbrekende ontwerp van de Bijlmermeer en alle stedenbouwkundige reparaties die volgden op de oplevering van de hoogbouw. Interviews met hoofdrolspelers worden afgewisseld met smakelijke anekdotes over het leven in de stad van de toekomst, zoals de Bijlmer nog voor de geboorte was gedoopt.

Betonnen blokkendozen

In die torenhoge ambities zat de teleurstelling verstopt. De gewenste bewoners lieten de woningen links liggen, journalisten schreven hun vingers blauw over de onmenselijke schaal van de honingraatflats en bestuurders verloren al snel hun belangstelling. Maar juist die mislukking maakte de wijk, vindt Eggenkamp. “De Bijlmer is gebouwd op dromen. De flats wáren fascistoïde, in die zin dat alle bewoners van die betonnen blokkendozen precies dezelfde woning kregen. In mijn ogen is dat juist een voordeel geweest. Het ontwerp daagde de mensen uit. Je móest er iets mee. Het zorgde ervoor dat veel bewoners actief werden, om er samen toch iets van te maken.”

Het werkte mee dat veel bewoners in die beginjaren jong waren en creatief: architecten, ontwerpers, radiomakers, schrijvers, journalisten. “De Bijlmer is altijd een vrijhaven geweest. Homoseksuelen konden er samen een woning krijgen, dat was elders in de stad niet mogelijk. In de jaren zeventig kwamen de Surinamers. Ik werkte als journalist voor de lokale omroep en ging een ­Surinaamse mevrouw interviewen in de flat Grunder. Ik kwam daar en de hele tafel was afgeladen met heerlijke ­Surinaamse gerechten. Er ging van alles mis in de Bijlmer, maar het was ook een prettige wereld. Het was nieuw en heel anders dan de rest van Nederland.”

Betonvlechters werken aan een ­Bijlmerflat in aanbouw, ca. 1967. 
 Beeld Nationaal Archief/Ron Kroon
Betonvlechters werken aan een ­Bijlmerflat in aanbouw, ca. 1967.Beeld Nationaal Archief/Ron Kroon

Ook Eggenkamp was op veel fronten actief. Hij opende een galerie in de flat en was betrokken bij de oprichting van een filmhuis. In 1983 nam hij het initiatief voor het festival Blij met de Bijlmer, dat tot 1999 jaarlijks werd gehouden in de zomer. “Aanleiding was een symposium met voornamelijk sombere deelnemers. Wij wilden iets doen en organiseerden een festival, als oppepper voor alle ­bewoners. De Grubbezee werd omgedoopt tot Colakreek en op het eiland kwam het beeld van Mama Aisa. We boekten een band uit Castricum om te komen spelen op het dak. Bij vertrek bleken alle banden van hun auto lek gestoken, maar dat mocht de pret niet drukken.”

Gentrificatiespook

Anno 2021 is Eggenkamp de oprichter en beheerder van het Bijlmer Museum in de vroegere gemeenschappelijke ruimte van Grubbehoeve. In een kleine tien jaar wist hij de kale catacombe met niet veel meer dan een nota van uitgangspunten op een oude tafel om te toveren tot een plezierige uitvalsbasis voor een bezoek aan de Bijlmer, met een omvangrijk archief, goede koffie en prachtige foto’s aan de muur. De beheerder is steeds bereid zijn kennis te delen, waarbij al snel duidelijk wordt dat zijn diepe liefde voor de wijk hand in hand gaat met een tamelijk sombere inschatting van de medemens in het algemeen, en de ­besturende medemens in het bijzonder.

Want: de lang verguisde stad is als gevolg van de woningnood plotseling gewild geworden. De verhuiswagens rijden tegenwoordig richting de Bijlmer en op bijeenkomsten wordt niet meer gesproken over de dreiging van sloop, maar over het spook van de gentrificatie.

Luchtfoto van de Bijlmermeer, ca. 1971. Beeld Stadsarchief Amsterdam
Luchtfoto van de Bijlmermeer, ca. 1971.Beeld Stadsarchief Amsterdam

“De Bijlmer heeft plots weer een glorieuze toekomst,” roept ­Eggenkamp met gedragen stem uit. “Die wordt opgehangen aan de nieuwe ideologie van de multiculturele samenleving. Ook dat is een pr-sprookje. Het is waar dat hier nooit rassenrellen zijn geweest, maar het is ook weer niet zo dat alle groepen in grote harmonie met elkaar leven. Het blijft toch vooral naast elkaar.”

Ook Eggenkamp maakt zich zorgen over de gevolgen van de populariteit van de Bijlmer, met name voor de bewoners met weinig geld. In de flats Geldershoofd en Gravestein worden nu de woningen die leeg komen te staan tijdelijk opgevuld met antikraakwachten. Er zijn plannen om huurwoningen samen te voegen en te verkopen als ­appartementen. “Het zijn toch weer de arme mensen die worden weggemoffeld,” zegt de museumbeheerder. “Het is typisch voor de stad: alles wat naar armoede riekt, moet verdwijnen. Het mag niet bestaan. Ik vind het een schande. Als de plannen doorgaan, ga ik demonstreren. Desnoods in mijn eentje.”

null Beeld Stadsarchief Amsterdam/H. Panhuysen
Beeld Stadsarchief Amsterdam/H. Panhuysen

Memorabele momenten

- Blootfilm in de H-buurt: Op 16 juli 1971 gaat Blue Movie in première. In de geruchtmakende Nederlandse speelfilm, ­opgenomen in de H-buurt, voert ­Eggenkamp een blote dans op. “Ik maakte deel uit van het Erotisch Syndicaat, een artistiek ­gezelschap. Het was de tijd van de seksuele revolutie. We trokken bloot door het land. Ik herinner me dat ik naakt op een step door Paradiso ging: de menigte week vol ontzag uiteen. Blue Movie was één ochtend werk. Het stond er in één of twee takes op. Ik kreeg 250 ­gulden voor mijn bijdrage. Daar kon ik weer een week van feesten.”

- Suriname onafhankelijk: Op 25 november 1975 wordt Suriname onafhankelijk. Op het Bijlmerplein wordt om middernacht de ­Nederlandse vlag ­gestreken en de Surinaamse vlag gehesen. Dat laatste lukte niet in één keer. “Ik ben in een boom geklommen om de vlag vast te maken. Daarna was het feest. De komst van de Surinamers heeft in heel ­Nederland het beeld van de Bijlmer voor lange tijd bepaald. Met name de krakers en de junks in de flat Gliphoeve. Het was een schrikbeeld. In de rest van het land stond zwart gelijk aan getto.”

- De Bijlmerramp: Op 4 oktober 1992 stort een Israëlische Boeing neer op de flats Groeneveen en Klein-Kruitberg, niet ver van Grubbehoeve. “We zaten te klaverjassen in de ontmoetingsruimte in de flat. Ik herinner me een oranje-paarse wolk die voorbij kwam drijven. We zijn gaan kijken wat het was en zagen toen pas de ravage. In reportages werd later geschreven over gillende mensen, maar wat mij juist is bijgebleven is de stilte van het moment. We zijn teruggegaan, hebben de deuren opengegooid en drank en sigaretten op tafel gezet. Het café is de hele week opengebleven.”

Henno Eggenkamp – De verguisde stad, Uitgeverij Bijlmer ­Museum, €25

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden