PlusAchtergrond

Badmuts op en gaan: bij deze zwemclub wordt het hele jaar buiten gezwommen

Bij zwemclub ZOZ aan de Gaasperplas wordt het hele jaar buiten gezwommen. Journalist Jelle Brandt Corstius (42) werd vorig jaar lid van de club, waarvan het leden­aantal sinds de corona­-uitbraak steeg van 35 naar 97. ‘Ik dacht: waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen?’

Beeld Kees Rijken

Het was een zondagochtend in november, twee jaar geleden. Met vrienden maakte ik een wandeling rond de Gaasperplas, het kunstmatige meer dat is gegraven bij de bouw van de Bijlmer. Het was koud en guur, we hadden jassen aan en sjaals om. In het water zagen we drie oranje vlekjes dobberen. Toen we dichterbij kwamen, bleken het drie boeien te zijn, en aan die boeien zaten drie zwemmers vast. Rustig crawlden ze door het water, alsof het een warme zomerdag was. Ik stak een hand in het water, ijskoud natuurlijk. Deze mensen zijn gek, dacht ik. Maar ook: ik zou het wel­eens willen proberen.

Thuis googelde ik ‘openwaterzwemmen’ en ‘Gaasperplas’, en kwam uit bij de zwemclub ZOZ. Later begreep ik dat ZOZ staat voor Zeer Oude Zwemmers vanwege de gemiddelde leeftijd van het groepje van elf zwemmers dat er in 2010 mee begon ‘Geen muren, geen geklets aan de kant, geen chloor, maar vrijuit zwemmen in lekker fris water,’ stond op de site. Ja, zeker lekker fris. Ik besloot de winter af te wachten en gewoon mijn trainingen te volgen bij de Swimgym.

In april had ik genoeg moed verzameld om het te proberen. Ik meldde mij bij het hek van Gaasperplas Windsurfing, waarmee ZOZ een gebouwtje deelt. In de kleedkamer waren twee zwemmers, Johan en Mark, bezig zich om te kleden. En dat is best een onderneming met koud water. Een zwembroek, dan een dikke wetsuit, oordopjes – door koud water kan je evenwichtsorgaan ontregeld raken. Een badmuts, nog een badmuts gemaakt van neopreen, vaseline rond de nek en een soort schoentjes om je voeten warm te houden. Terwijl we elkaar dichtritsten, dacht ik: waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen, wat doe ik mezelf aan, waarom probeer ik het niet eens in de zomer, ik wil dit helemaal niet. Maar toen het pak eenmaal dicht was, leek er geen weg meer terug.

Halverwege de plas, na een minuut of veertig, zei Johan: ‘Zo is het wel goed voor een eerste keer, ik steek met je over naar de club.’ Na afloop, bij het haardvuur, werd ik meteen lid. Ik probeer elke zondagochtend te zwemmen en het vol te houden tot sinterklaas, als de watertemperatuur te laag is geworden om langer dan een half­uur te zwemmen (voor mij dan). Het is mijn wekelijkse medicijn voor alle opgebouwde stress en zorgen van de week.

Zwemmen was voor mij al een openbaring. Als je zwemt, gaat je volledige aandacht daarnaartoe. Het is simpelweg niet mogelijk om na te denken over iets anders. Waar je bij andere sporten bijvoorbeeld nog kunt ademen wanneer het je uitkomt, moet je bij zwemmen een vast ritme aanhouden. In mijn geval: elke drie slagen inademen, en langzaam uitademen onder water.

Zwemmen in open water gaat nog een stapje verder. Je hoeft geen rekening te houden met andere zwemmers die tegen je opbotsen, of dat je de rand van het zwembad hebt bereikt. Je hoofd ligt in het water, naar beneden gericht, je ziet alleen maar een glimp van de bovenwereld als je ademt. Je bent op dit moment in de waterwereld, alsof je ineens een ander wezen bent. Vaak is het water troebel, waardoor je nog meer bent afgezonderd van de bovenwereld, en je het gevoel hebt dat je helemaal niet vooruitkomt. Je bent alleen maar bezig met ademen en jezelf voort te bewegen. Voor iedereen die overweegt een cursus mindfulness te gaan doen: koop een zwembril en spring de plas in, veel goedkoper.

Verspreid over de plas zijn witte boeien van de zeilclub, en bij die boeien stop je even om te pauzeren. Dat is het moment om te genieten van de schoonheid van de plas: in het voorjaar, als het water kristalhelder is en je tussen prachtige waterplanten zwemt. Af en toe duikt een karper of een snoek op. In de zomer zijn er de bootjes van de zeilvereniging, en Amsterdammers die langs te kant bar­be­cueën met snoeiharde reggaeton uit de speakers. ­Verderop het naaktstrand waar vaak een man in zijn blootje de krant zit te lezen. In het najaar de yogacursus op de steiger langs het water, en de vissers die beginnen te schelden als je te dichtbij zwemt, in de winter de stilte, de prachtige luchten. En bijna elke zondag een dobberende kajakker die er lol uit haalt door in een soort regenpak te eskimoteren, telkens weer kopje-onder, om aan de andere kant boven te komen. Een fuut die een meter van je vandaan boven komt dobberen en je aankijkt met een blik die lijkt te zeggen: jij bent net zo gek als die man in de kajak.

Gauhar Kassymbek.Beeld Kees Rijken

Gauhar Kassymbek (39), MBA-student

“Ik kom uit Kazachstan. Ik begon vrij laat met zwemmen, ik was 29. Ik kreeg zwemles in Astana (de hoofdstad heet sinds vorig jaar Nur-Sultan, naar de voornaam van de president, red.), de hoofdstad van Kazachstan. Het was in een zwembad in klassieke Sovjet-stijl, met een heel strenge leraar.

Zwemmen is een fantastische sport, omdat de kans op blessures zo klein is. In het water is de impact op je gewrichten veel kleiner dan bijvoorbeeld met hardlopen. Vorig voorjaar heb ik het buiten zwemmen ontdekt. Eerst met een zwemmer bij IJburg, sinds dit voorjaar bij ZOZ. Het is een sociale zwemclub. Zwemmen is een goede manier om Nederlanders te leren kennen. En niet alleen bij de Gaasperplas; overal in Nederland zijn wel zwemmers. Ik ga volgende week op vakantie in Nijkerk, en na een bericht op de Facebookpagina van Open Water Zwemmen Nederland ga ik daar ook met iemand zwemmen. Met een totaal onbekende, maar we delen onze liefde voor open water.

Open water is heel anders dan een zwembad. Je weet nooit precies wat je kunt verwachten. Je bent voortdurend bezig met je angsten te overwinnen. ­Golven, wind, kou, regen: soms is het ook ­beangstigend. En ik weet dat er snoeken en karpers zwemmen in de Gaasperplas, ik ben altijd bang om er eentje tegen te komen. De eerste keer dat ik zwom in de golven vond ik verschrikkelijk. Als je aan de verkeerde kant ademt, krijg je voort­durend water in je mond. Ik wilde meteen omkeren. Maar toen kwam ik erachter dat ik wel degelijk kon zwemmen, als ik maar rustig bleef en nadacht. Nu vind ik golven juist leuk en uitdagend. Zwemmen in open water is voor mij ook een strijd tegen jezelf, voortdurend je grens verleggen in wat je kunt of durft.”

Mark Thies.Beeld Kees Rijken

Mark Thies (50), consultant in de medische industrie

“Tot mijn twintigste deed ik aan waterpolo, daarna is het zwemmen een beetje in de vergetelheid geraakt. Tot vijf jaar geleden, toen mijn vrouw meedeed aan de Amsterdam City Swim. Ik ben toen ook weer gaan zwemmen. Eerst bij de Sloterplas en sinds vier jaar bij ZOZ. Er zwemt hier van alles, van beginner tot gevorderde, maar iedereen zwemt met elkaar. Dat vind ik leuk aan de club. Als je wat sneller zwemt, dan zwem je een beetje om, zodat je tegelijk met de langzamere zwemmers aankomt bij een boei. Je bent vrij in de natuur, je voelt de seizoenen aan je voorbijtrekken, dat heb je niet in een zwembad. Geen dag is hetzelfde, je moet je constant aanpassen aan de natuur.

Vorig jaar heb ik het IJsselmeer overgezwommen, het was mijn derde poging. De eerste twee keer moest ik stoppen vanwege het slechte weer en hoge golven, ik werd zeeziek. De derde keer was het niet per se beter weer, maar ik was er mentaal beter op ingesteld. Ik heb er acht uur en elf minuten over gedaan. Op een gegeven moment kwam ik in een flow waarin ik mijn besef van tijd ben kwijtgeraakt. Er zijn hele stukken waar ik geen enkele herinnering aan heb. Een soort meditatie, eigenlijk.

Sinds een paar jaar doe ik ook aan ijszwemmen, wat nog een jonge sport is in Nederland, maar het wordt steeds populairder. Bij het ijszwemmen mag je niet met een wetsuit zwemmen, en het water mag niet warmer zijn dan vijf graden. Vorig jaar ben ik vijfde geworden op het NK IJszwemmen. Ik ben nu in staat om zo’n 25 minuten in ijswater te zwemmen. Je lichaam schiet dan in een overlevingsmodus. Je bloed gaat alleen nog maar naar je vitale organen, niet meer naar je armen en benen. Op een gegeven moment krijg je het echt koud, en dan hoop je dat je er bijna bent.” 

Jaap Ypenburg (68, links) en Johan van Steen (66).Beeld Kees Rijken

Jaap Ypenburg (68, links) en Johan van Steen (66)

Ypenburg en Van Steen staken vorige zomer – ­zonder wetsuit – het Kanaal over in een zo­genoemde relay-zwemtocht, waarbij ze elkaar elk uur afwisselden. Ze deden er uiteindelijk veertien uur en tien minuten over. Er is ook een redelijk huiveringwekkende documentaire van gemaakt die op YouTube staat, waarbij de mannen ofwel de golven trotseren, ofwel misselijk worden op een klotsend bootje dat bijna stilligt. De tocht begint in het midden van de nacht, als Van Steen uit de boot springt en honderd meter verderop de Engelse kust aan moet tikken, anders is het geen officiële oversteek. Het is pikdonker, een schijnwerper schijnt op de kust zodat Johan weet waar hij heen moet zwemmen.

Van Steen: “Natuurlijk dacht ik op dat moment: welke gek springt er hier nou ’s nachts het water in? Maar ik heb geen ­moment getwijfeld. Ik heb hier twee jaar naartoe geleefd. Als ik iets in mijn hoofd heb, doe ik het gewoon. Ik was hiervoor meer een hardloper, ik liep marathons, en deed aan ultralopen, zoals de zestig kilometer van Texel. Zwemmen deed ik er een beetje erbij. Dat veranderde in 2002, toen ik te veel blessures had om te hardlopen en me richtte op het zwemmen. Eerst in de Sloterplas, later in de Gaasperplas. Het mooie aan zwemmen is dat je je techniek altijd kunt blijven verbeteren, het is nooit af. De sport is veel technischer dan hardlopen. Zwemmen in open water is een heel andere ervaring dan in een zwembad. Er is geen lawaai, geen drukte, je bent helemaal alleen met je gedachten. Soms kom ik in een flow, dan vergeet waar ik ben en ben ik ineens aan de overkant. Als ik niet zwem, word ik onrustig.

Na het Kanaal ben ik nog niet uitgezwommen, hoor. Dit jaar wilde ik de Vecht afzwemmen, 42 kilometer in twee dagen. Maar door corona stel ik het een jaartje uit. Dit voelt niet als het goeie moment.” 

Daphne Rijborz.Beeld Kees Rijken

Daphne Rijborz (51), docent en onderzoeker aan de iPabo

“Ik ben gek op zwemmen, ik ga zelfs op zwemvakanties naar de Middellandse Zee. Elke dag zwem ik dan met een groepje naar een nieuw eiland, vijf of zes kilometer door die prachtige blauwe zee. Ik heb ook van Den Helder naar Texel gezwommen – op zich niet zo’n grote afstand, maar met een hele sterke stroming. We raakten uiteindelijk uit de richting en belandden met z’n achten op de Razende Bol, de zandplaat voor de kust van Texel. Uiteindelijk zijn we doorgezwommen naar Texel. Ik zou nog wel de Bosporus willen oversteken, of van Gibraltar naar Marokko willen zwemmen. Van Europa naar Afrika dus. Naar een ander continent zwemmen, daar droom ik als afgestudeerd geograaf van’.

Ik heb een tijd triatlons gedaan, tot ik in 2014 borstkanker kreeg. Daar ben ik van hersteld, maar nu heb ik chronische leukemie. Hardlopen gaat niet meer, maar zwemmen en fietsen nog wel en daar ben ik erg blij mee. Als ik ga zwemmen in de Gaasperplas, raak ik al mijn zorgen kwijt. Ik vergeet alles en geniet van de natuur om me heen. De vissen, de vogels, het riet.

Vanwege de borstkanker ben ik geopereerd. Aanvankelijk kon ik mijn arm niet goed bewegen, wat natuurlijk essentieel is om te kunnen zwemmen. In het ziekenhuis waren ze tevreden met de operatie, maar ik zei dat ik mijn arm veel verder zou moeten kunnen strekken. Ik heb speciaal gezocht naar een fysiotherapeut die dit probleem heeft verholpen. Tijdens het zwemmen kan ik zo genieten van het nu. Door mijn ziekte heb ik gerealiseerd hoe ­belangrijk dat is.”

Ed Gorter.Beeld Kees Rijken

Ed Gorter (60), interieurarchitect

“We begonnen in 2010 met elf man. Toen hadden we nog geen clubhuis, we sprongen gewoon het water in en kleedden ons om bij de auto. Toen een van de auto’s een keer werd opengebroken, zochten we naar een gebouw waar we onze spullen konden laten. Dat werd uiteindelijk het gebouw van de windsurfers, en zo begon de club. Voor mij is zwemmen vooral onderhoud van mijn lichaam. Als ik een tijdje niet zwem, krijg ik allemaal pijntjes. Mijn lijf heeft die beweging nodig.

Je ziet dat steeds meer mensen in het open water zwemmen. De kwaliteit van het water wordt steeds beter, en meer mensen doen aan triatlons en trainen ook in open water. Door die triatlons zijn wetsuits meer ingeburgerd. Ik zwem het hele jaar door en merk dat het water in het voorjaar steeds sneller warm wordt, door de opwarming van de aarde. In het ­najaar kun je ook steeds langer zonder wetsuit doorzwemmen. In de winter gaat de zon natuurlijk eerder onder, maar die zwemboeien zie je nog wel als het gaat schemeren. Soms doen we lampjes in de zwemboei, dan kun je zelfs in het donker zwemmen.”

Cathaline den Besten.Beeld Kees Rijken

Cathaline den Besten (57), toxicoloog

“Tot drie jaar geleden tenniste ik veel, maar door een slechte knie ging dat niet meer. Voor mijn deur in Baambrugge loopt de Angstel, en op een ochtend besloot ik om daar te gaan zwemmen. Dat kan namelijk wel met zo’n knie. Dat deed ik elke ochtend: eerst schoolslag, later borstcrawl. Alle soorten weer hebben wel iets, zelfs regen kan prachtig zijn als je in het water ligt. Toen het herfst werd, kocht ik een wetsuit en handschoenen. Mijn partner vond het niet fijn dat ik in mijn eentje zwom met dit soort grimmig weer, zo kwam ik terecht bij ZOZ.

Zwemmen is voor mij een meditatief moment. Door het herhalen van je slag en de volledige focus op je techniek kom je in een soort zenmodus; je kunt op dat moment aan niets anders denken. Zwemmen is een heel technische sport, dat hebben niet-zwemmers vaak niet door. Er is zo veel waar je aan moet denken. Elke kleine verandering in je beweging of je lichaamspositie zorgt ervoor dat je sneller of langzamer gaat. En in het open water hoef je je geen zorgen te maken dat je tegen iemand aanbotst, of dat je moet gaan kerenn. Je kunt je helemaal op jezelf concentreren.

Samen deel je de passie voor de buitenlucht, en ook de ontberingen in het water. Openwaterzwemmen trekt een ­bepaald soort mensen aan die dit ook leuk vinden. Ik zwem minstens drie keer in de week, waarvan een keer met een groepje van vijf vrouwen om half acht ’s ochtends, voordat we gaan werken. Het hele jaar door, ook in de winter. Op een echt koude dag moet ik binnen drie kwartier weer aan de kant zijn. Als we dan na afloop bij de kachel zitten, denken we: dit hebben we weer volbracht. Een voldaan gevoel.” 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden