Plus Interview

Atlas van bezet Amsterdam: het oorlogsverhaal van 3000 adressen

Bianca Stigter (55) documenteerde in de Atlas van een bezette stad oorlogsverhalen van drieduizend Amsterdamse adressen. ‘Door de concreetheid van een adres is zo’n verhaal een klap in je gezicht.’

Bianca Stigter. Beeld Friso Keuris

Als journalist en schrijver Bianca Stigter het adres krijgt waar het interview plaats zal vinden, weet ze meteen waar in het postcodegebied iets gebeurde in de Tweede Wereldoorlog. Details die ze heeft opgenomen in haar vorige week verschenen Atlas van een bezette stad, een indrukwekkend boek met oorlogsverhalen, groot en klein, behorend bij zo’n drieduizend adressen die de inrichting van de stad tussen 1940 en 1945 weergeven. Zoals Job Cohen schrijft in het voorwoord: ‘Waar zaten de bezetters, onderduikers of het verzet en waar haalde elke gewone Amsterdammer de voedselbonnen? Waar vonden de talloze deportaties plaats? Welke mensen liepen door welke straten?’

Als ze de woonkamer van de interviewer binnenkomt, loopt Stigter meteen naar de ramen aan de straatkant. “Kijk jij uit op nummer 151?” Daar zat het kantoor van uitgeverij Elsevier waar vlak voor de bevrijding de leiding van het gewapend verzet samenkwam om te vergaderen over de bescherming van de ‘Three Castles’ (het hoofdpostkantoor en het geldkantoor aan de Nieuwezijds Voorburgwal en de telefooncentrale in de Spuistraat).

Ook vlakbij is het huis waar kunstenaar Willem Arondeus woonde, schrijver van de Brandarisbrief, een van de eerste illegale bladen. Hij nam ook deel aan de aanslag op het Bevolkingsregister in maart 1943. Een maand later werd hij opgepakt en in juli werd hij geëxecuteerd in de duinen bij Overveen. In de gevangenis drukte hij zijn advocaat op het hart na de oorlog te vertellen ‘dat homo’s niet minder moedig hoefden te zijn dan andere mensen’.

De Atlas wemelt van dit soort aangrijpende details, naast tientallen waanzinnige foto’s en bijzondere kaarten en grafieken.

Duitse bezetters, Grüne Polizei, voor de huidige rectorswoning van het Amsterdams Lyceum, Valeriusplein. Beeld Beeldbank WO2 - NIOD
Beeld Friso Keuris

Stigter gaat zitten en haalt een e-sigaret tevoorschijn, een chic modelletje in het zwart. Het heeft haar veel moeite gekost van het roken af te komen. “Eerst een pil. Dat werkte goed, maar je mag hem maar een paar maanden gebruiken. De huisarts zei: ‘Nu op wilskracht.’ Dat heb ik helaas niet bij roken.”

Vandaar de overstap naar vaping. “Ik wil nooit meer roken, alleen nog maar dit doen. Maar ja, nu is dit weer slecht. Droevig.” Ze lacht (doet ze veel). “Als het echt erg blijkt te zijn, ga ik weer aan de nicotinekauwgom. Waarschijnlijk kom ik er nooit helemaal vanaf. Ik rook vanaf mijn dertiende. Het was ontzettend stoer, je moest gewoon roken. Iedereen deed het. Mijn scheikundeleraar rookte in de klas. Mocht gewoon. Mijn moeder kocht sigaretten voor mijn zus Diana en mij. En elke dag twee pakjes voor mijn vader.”

Die vader is schrijver K. Schippers. “Hij is er in geslaagd te stoppen,” zegt ze. Haar man Steve (McQueen, de Britse kunstenaar, regisseur en winnaar van een Oscar voor beste film met 12 Years a Slave) is de antiroker in de familie. “Toen Steve en ik net samen waren, gingen wij een keer met z’n allen naar Londen voor het huwelijk van een neef. Steve zei later: ‘Ik kwam het hotel binnen en jullie zaten in de lobby in een wolk van rook en gelach.’”

Het boek is opgedragen aan Stigters grootouders, ouders, man, dochter van 21 (Alex), zoon van tien (Dexter) en haar pleegzoon Mees, de zoon van grafisch ontwerper Marten Jongema. “Hij was jaren mijn beste vriend. Zijn vrouw overleed toen Mees zeven was. Negen jaar later werd Marten zelf ernstig ziek. Hij vroeg of ik voogd wou zijn van Mees, toen zestien. Ik zei natuurlijk ja tegen mijn beste vriend. Na zijn dood logeerde Mees, die nog eindexamen moest doen, doordeweeks bij ons en in het weekend mocht hij in zijn ouderlijk huis zijn met zijn vrienden. Nu is hij bijna afgestudeerd psycholoog.”

Mooi dat u boven de namen hebt geschreven: ‘Voor mijn Amsterdammers uit alle windstreken.’

“Dat vind ik ook fijn aan het rijtje. Mijn opa Sjouke was van oorsprong een Fries. Zijn vrouw Gerardina geboren en getogen Amsterdamse. Liesl, mijn moeders moeder, was Duits. Haar man Eddie kwam uit Den Haag. En dan hebben we Steve uit Londen met roots in het Caribisch gebied. Ook wel weer leuk. Dus ja, een Amsterdamse familie zoals alle Amsterdamse families: van alles wat.”

Zij heeft haar grootouders goed gekend. Haar ene oma is bijna honderd geworden, de andere in de negentig. Haar ouders van 81 en 82 gaan ook uitstekend. Grinnikend: “Mijn moeder slaat mij nog wekelijks van de tennisbaan. We spelen met drie tachtigers en ik, en nog steeds ben ik de slechtste speler. Heel confronterend. Ze willen mij erbij hebben omdat ze dan minder hard hoeven te rennen.”

Komt uw fascinatie voor Amsterdam in oorlogstijd voort uit uw familiegeschiedenis? Staat er een adres in van een van uw grootouders?

“Hestiastraat 73 II, toen Stadionstraat 25: het huis van Liesl en Eddie. Zij werden opgepakt omdat ze thuis een soort feestje gaven waar ook Hans Katan was, een Joodse biologiestudent en vrij bekende verzetsstrijder. Ze hadden niets met hem te maken, maar ze moesten toch mee. Mijn oma is zes weken later vrijgelaten, mijn opa werd naar Dachau gestuurd, waar hij de rest van de oorlog zat. In het boek citeer ik mijn moeder die twee jaar geleden in NRC Handelsblad vertelde over zijn thuiskomst.”

Ze zoekt naar het citaat op haar laptop. ‘Ik weet nog heel goed dat er bij ons in de Stadionstraat werd aangebeld en ik opendeed. Er stond een man in een camouflagepak voor de deur die ik niet herkende. Ik riep mijn moeder en uit de commotie die toen ontstond begreep ik dat die vreemde man mijn vader was.’

“Dat maakte natuurlijk diepe indruk op mijn moeder. Zij en mijn vader hebben de oorlog heel bewust meegemaakt. Ze vertelden er wel verhalen over toen Diana en ik klein waren, dat ze naar de gaarkeuken moesten in de Hongerwinter, dat ze het konijn opaten met kerst.”

Ze wijst naar een foto op dezelfde bladzijde, waar de microgeschiedenis van Hestiastraat 73 II beschreven staat. Duitse soldaten met aangelijnde gevorderde honden, staat in het bijschrift. “Alle Amsterdamse bezitters van een hond van 25 kilo of meer moesten zich melden. De Duitsers gebruikten ze om mijnen tot ontploffing te brengen. In het Stadsarchief zijn ­talloze brieven van Amsterdammers waarin ze uitleggen waarom zij hun hond niet ­kunnen missen. En dat zoiets dan allemaal plaatsvond in hetzelfde decor waar wij nog steeds rondlopen, onder meer omdat hier weinig is gebombardeerd. Dat heeft mij altijd gefascineerd, ook los van mijn familie.”

“Sommige mensen zijn behept met een creatieve verbeelding, ik met een historische verbeelding. Als kind al. Ik had een oom die ook into geschiedenis was. Hij woonde vlak bij Uithoorn. Tijdens een wandeling door de akkers achter zijn huis haalde hij een keer een zeventiende-eeuwse pijp van klei uit de grond. Ik vond het zo magisch dat het daar gewoon lag, een stukje historie dat je kon vastpakken en waar ongeschreven verhalen aan vastzaten.”

Ze draait de laptop mijn kant op naar een pagina met allemaal foto’s die op de Dam zijn genomen. Toeristen in 1943. Een verlovingsportret uit 1942 van een Joods stelletje, trots en blij, maar met hun ster op. Een fietsenrazzia. Duitse troepen op de dag van hun aankomst in de stad op 15 mei 1940. Poserende Canadese soldaten met vrolijke gezichten en opgestroopte hemdsmouwen, mei 1945. “Al die uiteenlopende gebeurtenissen verbonden door de oorlog, steeds met het Paleis op de achtergrond.”

“Dat bedoel ik met dat decor, al gaat het boek niet over zichtbare sporen van de oorlog in hedendaags Amsterdam. Voor mij is het een tijdmachine, het gaat om de verhalen behorend bij bekende maar vooral ook onbekende adressen.”

U heeft een goed oog voor detail. De inleiding van de Atlas is kort in verhouding tot de omvang van het hele boek,  en toch maakt u melding van veel ­verbluffende wetenswaardigheden. Dat in Artis de gifslangen werden af­gemaakt omdat die bij een ontsnapping na een bombardement moeilijk terug te vinden zouden zijn, dat duizend Amsterdamse kappers vanaf 1941 wekelijks driehonderd kilo haar moesten aanleveren…

Ze valt bij: “Dat het weerbericht uit de krant moest van de Wehrmacht, dat schoonheidssalons verboden werden, dat Duitse soldaten in het begin van de oorlog zomaar hun geweer afgaven bij de garderobe als ze naar de bioscoop gingen omdat ze zich zo thuis en onbedreigd voelden…”

“Ja, ik heb geprobeerd zo veel mogelijk details op te nemen, ook in de stukjes per adres. De eerste veel dunnere editie van het boek, uit 2005, was vrij feitelijk: wat zat waar. Dit boek is meer, zoals ze het in Engels mooi zeggen, immersive. Onderdompelend is de letterlijke vertaling. Ik wil dat lezers de illusie krijgen dat ze lopen in de straat waar ze over lezen.”

Het wakker maken van onze historische verbeelding?

“Ja. Het is voor mij bijna niet voorstelbaar dat je niet veel wilt weten over de oorlog. Het is zo’n heftige gebeurtenis. Net als de slavernij. Dat zijn toch de onderwerpen waar je niet omheen kunt. Wel merk ik dat hoe meer ik weet, hoe minder ik begrijp. Ik hoopte op meer begrip maar dat is niet de oogst die je krijgt. Het is niet te begrijpen.”

Waar doelt u dan precies op?

“Hoe makkelijk het is om zoiets te doen. Zelfs met de beperkte technische mogelijkheden van toen was het mogelijk om bijna tien procent van de Amsterdamse bevolking uit te zonderen en voor het grootste deel te vermoorden. Er staat iemand in het boek die het heel mooi zei… wie was het ook alweer? Waarom deden de Duitsers het allemaal zo rustig en netjes en met redelijk weinig bruut geweld? Logisch natuurlijk. Anders was er een grote kans dat niemand in die trein ging zitten. In die zin was het een geheime operatie.”

Ging het u niet duizelen af en toe?

“Jawel. Achthonderdduizend mensen zijn achthonderdduizend verhalen. Het liefst had ik ze er allemaal in gezet. Dat kan niet, dan is het geen boek meer. Het was een gevecht waarvan ik van tevoren wist dat ik het ging verliezen, maar ik hoop dat ik genoeg heb gedaan om dit resultaat te rechtvaardigen. Ik wil ook heel graag dat de schrijfstijl helemaal niet de aandacht trekt.”

Niet: kijk mij eens mooi schrijven.

“Überhaupt niet: kijk mij eens schrijven. Het werk zat minstens zo veel in de selectie en het uitzoeken als in het schrijven. Van sommige verhalen was weinig bekend, dan heb ik alles opgeschreven wat er was. Andere keren moest ik complexe kwesties in drie alinea’s vatten. Je moet wel iets boekhouderigs hebben om dit leuk te vinden, hoor. De Nieuwezijds Voorburgwal kom je duizend keer tegen in politieverslagen en krantenarchieven. Meestal zijn het saaie advertenties of iets met een tramomleiding, maar dan opeens zit er weer iets onvoorstelbaars tussen.”

Praatte u er veel over thuis?

“Nou, praten, meer dat ik vanuit mijn werkkamer riep: ‘Jezus Christus, moet je dit nu weer horen.’”

Wilde uw man Steve het horen?

“Meestal vond hij het interessant, ja.”

Er zitten veel films verstopt in uw atlas. Gaat u Steve aanzetten tot het een of ander?

“Hij wil het hele boek verfilmen. En er zitten veel verhalen in die ik zelf verder wil uitzoeken. De Duitsers hadden bijvoorbeeld een eigen burgerlijke stand, met een boek voor de sterfgevallen. Voor een groot deel was het uitzoeken van de doodsoorzaken saai monnikenwerk: kanker, kanker, hartinfarct, kanker, hartaanval, kanker, hartaanval…Ineens stond er ‘opgehangen’. Ja, toen was ik wel weer even wakker.”

“Het bleek om een man te gaan die bij de Sicherheitsdienst werkte. Hij was gedeserteerd in 1943 met als reden: ‘de behandeling van de Joden’. Hij is opgehangen in het schoolgebouw van het Gerrit van der Veen College, waar ik mijn boek ga presenteren en het zal aanbieden aan een leerling. In de oorlog was dat gebouw het hol van de leeuw, het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst zat er, maar voor die tijd was het een school en daarna ook. Mijn dochter zat erop.”

Doet u de presentatie daar met het oog op de toekomst die er door de gangen loopt?

“Ik wil niet zeggen dat mijn boek bedoeld is als een waarschuwing, maar dat zit er natuurlijk wel in. Hopelijk spreken de feiten voor zich, laat de Atlas zien wat het betekent om in een dictatuur te leven. Het is ook voor de volgende generaties belangrijk kennis te nemen van de oorlog. Dat draagt bij aan hoe je in de wereld staat, aan je tolerantievermogen, je alertheid. Althans, dat hoop ik. We leven niet in hoopgevende tijden, met al dat racisme en oplaaiend antisemitisme.”

U heeft donkere gezinsleden. Merkt u wel eens iets van racisme?

“Ik zie het soms als mijn zoon ergens op straat speelt en ik aan kom lopen. Dan zie je mensen denken: ooo, dát is de moeder en dan doen ze anders, ietsje. Het is een van de vele subtiele vormen van racisme; je krijgt er moeilijk een vinger op gelegd, maar het is er wel.”

Ze aarzelt even. Dan zegt ze: “Soms stond ik bij het schrijven voor het dilemma of ik in een verhaal wel of niet moest vermelden dat iemand Joods was, bijvoorbeeld omdat ik wist dat veel mensen helemaal niet met hun Joods zijn bezig waren voor de oorlog, sommigen waren zich er zelfs nauwelijks van bewust. Zij werden door de Duitsers in die hoek gedreven.”

Beeld Friso Keuris

Ze zoekt weer iets op in de Atlas, die ergens voelt als van ons allemaal, ook al heeft zij al het werk gedaan. “Soms heb ik het er nadrukkelijk wel bij gezet, zoals bij Joodse verzetsstrijders. Dat waren er een heleboel. Weinig mensen weten dat, denk ik, dus dan vond ik het relevant.”

Ze kijkt op. “De oma van Johannes van Dam had een bordeel voor Duitsers. In de Johannes Verhulststraat had dat moeten zitten. Ik heb lang gezocht, maar nog geen huisnummer weten te achterhalen. Joodse vrouwen met een bordeel voor Duitse soldaten, het kan altijd weer een tikkeltje gekker dan je je voorstelt.”

Voelt het boek als af?

“Het is nooit af. Ik moet mezelf bedwingen om niet te blijven zoeken, ook omdat het zo’n geweldige klus was om in te verdwijnen naar een andere tijd.”

U heeft MS. Maakt dat zo’n intensieve klus lastig, fysiek bedoel ik?

“Jawel. Soms. Vooral door vermoeidheid. Dat is het symptoom van de ziekte waar ik het meest last van heb en de meeste hinder van ondervind. Het irritante eraan is dat ik nooit helemaal kan uitvogelen of ik moe ben door de ziekte, door te druk te zijn of gewoon omdat ik me even een dweil voel, zoals iedereen wel eens heeft. Dat maakt het ook onvoorspelbaar want je kunt je er niet tegen wapenen of op voorbereiden. Verder, afkloppen, afkloppen, gaat het best. Je hebt geen mazzel als je deze ziekte krijgt, maar onder de mensen die hem hebben, ben ik weer een ontzettende mazzelaar.”

Wat doet u als u wordt overvallen door vermoeidheid?

“Het gaat in elk geval niet over door op de bank te gaan liggen. Doorgaan, dat helpt eigenlijk het beste. Werken is een uitkomst. Ik word daarbij geholpen door mijn nieuwsgierigheid. Die wint het altijd van de dweilerigheid.”

Er komt een nieuwe e-sigaret uit de tas, een rode dit keer. “Ik heb nog een hobby: taarten bakken. Dat vond ik dus heerlijk als ik een hele dag met de Atlas bezig was geweest. Veel liever dan een serie kijken op Netflix, weer een scherm, deed ik dan iets met mijn handen. Roeren en kneden. Roeren doe ik het liefst. Net als bij zoeken in de geschiedenis gaat er een zekere magische werking uit van bakken: ingrediënten bij elkaar, roeren of kneden, hitte erop en dan komt er een bouwsel uit. Als een taart goed lukt, is dat zeer bevredigend. Mijn valkuil is dat ik vaak denk: hij moet nog eventjes.”

En dat u dan gaat kijken wat er tussen ’40 en ’45 nog meer gebeurde in de Vondelstraat.

“Dan is hij zeker verbrand. Die straat is ongelooflijk hè. Ik kan nog steeds met zo veel verbazing naar de adressen daar kijken: zoveel, zo dichtbij elkaar en zo heftig. Maar dat geldt eigenlijk voor de hele stad.”

Moest u af en toe huilen?

“Een paar keer. Er staat een verhaal in over een Joodse man die een kleedje uitklopte. Hij liet het per ongeluk uit het raam vallen, op de mouw van de jas van een Duitse militair. De Duitser liep door, maar hij kwam een paar dagen later dronken terug, met drie anderen, om die man dood te schieten op straat. Dat soort verhalen is zo ongenadig, door de willekeur, de totale rechteloosheid en de wreedheid. Ik zoek het even op, de IJsselstraat was het geloof ik, of de Berkelstraat, in de Rivierenbuurt.”

Ze wijst het adres aan, in rood gedrukt. “Daarom is het zo goed dat het boek een atlas is. Door de concreetheid van dat adres is zo’n verhaal een klap in je gezicht. Je woont misschien in die straat, of je kind gaat er een keer spelen, of je haalt er eens een bankstel op dat je op Marktplaats hebt gekocht. Je kunt er gewoon heen fietsen, bedoel ik, de stad van toen is er nog precies zo, het was daar.”

De laptop gaat dicht. “En dan te bedenken dat er duizenden verhalen niet in staan.” 

Atlas van een bezette stad. 
Amsterdam 1940-1945.
Bianca Stigter
Atlas Contact
€59,99

Bianca Stigter

19 mei 1964, Amsterdam

1976 -1982
Barlaeus Gymnasium
1982 – 1988
Geschiedenis, Universiteit van Amsterdam
1988 – heden
Kunstredactie NRC Handelsblad
1991
Gouden Griffel voor Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is (1990)
1993
Ik geef je niet voor een kaper­schip met 200 witte zeilen
1997
Mondriaans Alfabet
2002
Goud uit stro. Het menselijk lichaam als avontuur
2005
De bezette stad. Plattegrond van Amsterdam 1940-1945
2008
De ontsproten Picasso. Reizen door kunst en tijd. Shortlist Ako Literatuurprijs
2011
Per ongeluk expres. Over Kunst
2012
Marlene Dumas. Acheiropoietos – cheiropoietos
2016
Bobby Müller: Polaroid –Interior Exterior
2019
Atlas van een bezette stad. Amsterdam 1940–1945

Bianca Stigter woont in Amsterdam met haar man en zoon.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden