PlusInterview

Architect Wouter Pocornie over de Bijlmer: ‘Gum het verleden niet uit’

Architect Wouter Pocornie: ‘Mijn product is een strategie voor een inclusieve gebiedsontwikkeling.’ Beeld Nosh Neneh
Architect Wouter Pocornie: ‘Mijn product is een strategie voor een inclusieve gebiedsontwikkeling.’Beeld Nosh Neneh

Architect Wouter Pocornie (34) groeide op in de Bijlmer. Tegenwoordig onderzoekt hij de zichtbare en onzichtbare sporen van de geschiedenis van het stadsdeel.

De verdwenen glijbaan van Ganzenhoef, daar begint Wouter Pocornie graag wanneer hij architecten, stedenbouwkundigen en andere professionals uit zijn netwerk meeneemt voor een rondleiding door de Bijlmer. Het kunstwerk van Karin Daan, dat was in de jaren zeventig en tachtig vijftien meter zoevend kindergeluk. “Dit was de plek waar we als kinderen uit de buurt moesten laten zien wat we waard waren,” vertelt Pocornie. “Een stuk karton, een handje zand op de baan en dan naar beneden. En terug omhoog niet de trap pakken. Een flinke jongen nam een aanloop en rende via de houten constructie tegen het ­talud op, helemaal naar boven.”

De glijbaan is verdwenen, de herinneringen zijn gebleven. Zoals er op deze plek veel Bijlmergeschiedenis te vinden valt. De flat Geldershoofd, die vroeger Gliphoeve heette en landelijke bekendheid kreeg als Surinaamse flat. De kinderboerderij van Boer Floor, onlosmakelijk verbonden met de historie van de buurt. Pocornie: “Ik heb op een vergadering weleens een stedenbouwkundige horen opperen om de kinderboerderij te verplaatsen naar een plek met meer ruimte. Het was goed bedoeld, maar het is ondenkbaar. Als je de geschiedenis van de buurt kent, weet je dat deze kinderboerderij de eigenzinnigheid van de buurt kenmerkt. Daar moet je heel zuinig op zijn.”

Imago op de schop

Het waken over erkend en niet-erkend erfgoed in een veranderend stadsdeel is de professie van Pocornie, architect, adviseur, urbanist en kind van de Bijlmer. In ­opdracht van de gemeente deed hij onderzoek naar het dna van de wijk, naar de bijzondere kenmerken die bij de verdere ontwikkeling van het gebied niet over het hoofd mogen worden gezien. “Het zijn geen strenge kaders,” legt hij uit. “Verandering is goed. Maar net zoals het dna in de natuur aangeeft hoe een organisme zich in de toekomst gaat ontwikkelen, kan een duidelijk beeld van het dna van een wijk of stadsdeel helpen om de juiste keuzes te maken voor die toekomst.”

Dat laatste is niet vanzelfsprekend, zeker niet in de Bijlmer, waar het aanvankelijk bejubelde en daarna hevig ­bekritiseerde stedenbouwkundig plan in de loop van vijftig jaar op allerlei manieren werd aangepast. Van grootschalige sloop tot kleine interventies om problemen op te lossen.

Met wisselend succes, vindt Pocornie. “Sommige ingrepen hebben goed uitgepakt, zoals het besluit om de doorgangen onder de flats ruimer en lichter te maken. Wat ik jammer vind, is wat er met de verhoogde dreven is ­gebeurd. Daarvan zijn delen verlaagd, zodat we nu hoge en lage dreven hebben. Het was een politieke keuze, met een schommelende dreef als resultaat.”

Behalve de gebouwen en de openbare ruimte werd in de Bijlmer ook geregeld een poging gedaan het imago op de schop te nemen. De Bijlmermeer werd Zuidoost, het eerder genoemde Gliphoeve werd Geldershoofd en sta­tion Bijlmer werd station Bijlmer Arena. “Ik begrijp de achtergrond,” zegt Pocornie. “Het is een commerciële move: als een merk niet meer loopt, wordt er een nieuwe brand verzonnen. Ik weet alleen niet of het werkt om het verleden van een stadsdeel weg te gummen. Het is ook wel beledigend voor de mensen die hier altijd zijn blijven wonen. Het is veel mooier om een identiteit te zoeken in eerlijkheid, om voort te bouwen op wat is geweest.”

Dat doet de architect zelf ook. Hij houdt met zijn bureau 26H kantoor in Prospect Eleven, op bedrijventerrein Amstel III. Het is een creatieve broedplaats voor tientallen jonge ondernemers die wel wat weg heeft van de vroegere ontmoetingsruimtes onder de honingraatflats. “De mensen doen heel verschillende dingen. De een geeft dansles, de ander is grafisch ontwerper, ik ben architect. Maar op elke verdieping is er een ruimte ingericht waar we elkaar tegenkomen. Het kan nu niet vanwege corona, maar op dinsdagavond eten we ook samen, luisteren we naar goede muziek en praten we over wat ons bezighoudt. We werken naast ­elkaar, maar ook met elkaar.”

Losgekoppeld

Pocornie werkt aan een blauwdruk van de Bijlmer, een ­paper waarmee niet alleen de gemeente, ontwikkelaars en beleggers een beter begrip krijgen van het gebied waarin zij werken, maar ook de verschillende gemeenschappen en de maatschappelijke organisaties. “Ik werk deels in ­opdracht en deels op eigen initiatief,” legt hij uit. “Mijn product is een strategie voor een inclusieve gebiedsontwikkeling. Ik zie dat trouwens veel om me heen, jonge professionals die ondernemerschap combineren met een grote focus op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ze willen business, maar ze willen ook iets doen voor hun naasten. Dat is goed voor de Bijlmer.”

Wat beschouwt Pocornie als het kenmerkende dna van de Bijlmer? “Het begint natuurlijk met de geografische ­ligging. De Bijlmer is onderdeel van Amsterdam, maar ook losgekoppeld van de rest van de stad. Je moet door Duivendrecht en Diemen heen om hier te ­komen. Er is daardoor van meet af aan een sterk sentiment geweest van wij en zij, niet alleen onder de bewoners, maar ook in het ­bestuur.”

Een andere pijler is de segregatie die in de Bijlmer een tastbare grens heeft in het spoor, dat de hoogbouw met zijn sociale problematiek scheidt van het succesvolle zaken­centrum. “Het zijn echt twee verschillende werelden.”

Nog een onderscheidend kenmerk: de sterke betrokkenheid van de bewoners bij het wel en wee van hun wijk. “Als je de bewoners en gebruikers van een wijk analyseert, kun je kijken naar de leeftijd van de mensen en het land van herkomst. Maar er is ook een ander aspect, namelijk dat hier altijd mensen zijn geweest die zich verantwoordelijk voelen. In de buurt waar mijn ouders wonen, zie ik bewoners afval prikken die dat twintig jaar geleden ook al ­deden. Als kind vond ik het vanzelfsprekend dat ik na school terecht kon op het sportveld of in de collectieve ruimte voor allerlei activiteiten. Later kreeg ik in de gaten dat daar vrijwilligers verantwoordelijk voor waren.”

Saamhorigheid

En dan is er ook nog het gevoel van saamhorigheid dat kinderen uit de Bijlmer van jongs af aan meekrijgen. “Als we op school tussen de middag gingen voetballen, trok iedereen zijn schoenen uit,” geeft Pocornie als voorbeeld. “Er waren jongens met mooie Nikes, maar ook jongens zonder voetbalschoenen. Daar werd rekening mee gehouden.” Thuis in de flat Groenhoven speelden Pocornie met zijn vrienden streethockey in de binnenstraat. “Er waren wel bewoners die daar over klaagden, maar er was ook een buurman die ons enthousiast boeken over ijshockey kwam brengen en mij trucjes leerde.”

Ook dat is onderdeel van het Bijlmer-dna: of ze het leuk vinden of niet, bewoners komen elkaar steeds weer tegen. Dat is de onvermijdelijke consequentie van de hoogbouw, zegt Pocornie lachend. “De flats Groenhoven en Gouden Leeuw kennen een trechtervorm. Je komt binnen via de entree of de parkeergarage, maar uiteindelijk beland je ­samen in de hal, wachtend op de lift. En eenmaal in de lift, kan er op elke verdieping iemand instappen die een praatje wil maken. Er zijn geen opties om anoniem thuis te komen, mocht je dat willen. Als je echt geen zin hebt in smalltalk, zit er maar één ding op: de trap nemen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden