Plus Reportage

Architect Cees Dam: ‘Een gebouw moet geen bal gehakt zijn’

Aan werken doet architect Cees Dam niet. Hij gaat in razend tempo door met wat hij altijd heeft gedaan. Ook al is hij 87 jaar. ‘Ik weet nu pas hoe alles gaat.’

Architect Cees Dam. Beeld Niels Blekemolen

De chauffeur van architect Cees Dam rijdt met de Range Rover over de uitgestrekte vlaktes van Westpoort, langs anonieme kantoren en ontoegankelijke industriële complexen. Op de radio klinkt een klassieke, instrumentale versie van Aan de Amsterdamse grachten.

Dam zet de radio iets harder en zingt zachtjes mee, terwijl hij door zijn afbeeldingen op zijn telefoon scrolt, op zoek naar een ontwerp dat hij voor dit toekomstige woongebied heeft gemaakt.

In de Range Rover met zijn chauffeur. Beeld Niels Blekemolen

Zijn telefoonscherm geeft een inkijkje in zijn leven. Er is een foto van Dam in schuttersuniform, als beschermheer van de oudste schutterij van Limburg, en van het vakantiehuis in Saint-Paul-de-Vence, aan de Côte d’Azur. 

En er zijn foto’s van Dam met zijn kleinkinderen op reis en van zijn moeder, op 92-jarige leeftijd, met een sigaar in de hand, benen in het zwembad en een glas champagne in de hand. “Eerste klas hè,” zegt Dam.

Hij zingt en scrolt door, naar een foto van een prachtige vrouw in een gele jurk. “La-di-da-da-da-da-da-da-da-di-da... kijk, dit is Josephine. Royal was ze, echt royal.” 

In 2005 overleed ze. Even daarna volgt – na een zacht ‘alleen de bomen, dromen, hoog boven het verkeer’ – het graf dat hij voor Josephine heeft ontworpen. “Kijk, het is alsof de steen bijna boven de grond zweeft. Mooi hè?”

Cees Dam wordt komende week 87, maar gaat gewoon door met wat hij altijd al doet. Werken wil hij het niet noemen. “Ik werk nog,” zegt hij met een iets hogere stem. En dan: “Wat is dat voor een lulkoek. Ik heb nooit gewerkt. Dat klinkt beter.”

Dus – zo laat zijn agenda zien – was hij eergisterenochtend bij de tandarts, moest hij daarna naar Den Haag voor een boekpresentatie van Elco Brinkman (“Daar was iedereen weer, Rutte en zo”). Daarna terug naar het bureau (“Dingen doen”), vervolgens de aspergepartij in het Amstel Hotel (“Waar ook weer iedereen was”) en daarna een podiumgesprek in Delft voor driehonderd studenten, met een borrel. 

De volgende dag de hele dag op de boot door Amsterdam met de zestig collega’s van kantoor en enkele oud-medewerkers. Het uitje eindigde voor Dam in de door hem ontworpen bar van hotel De L’Europe, met een stuk of tien die nog wilden drinken.

Heel veel bouwen

En tussen alle afspraken door wordt er gewerkt – zoals andere mensen dat wel zouden noemen. Zijn bureau Dam & Partners bouwt namelijk veel, heel veel. Kijk alleen maar naar wat er de afgelopen jaren in Amsterdam is neergezet: de zes torens van het Oranjekwartier in West, de zestig meter hoge Steltloper in Oost, een woonblok op het Stadionplein en meerdere panden op de Zuidas.

De lijst met theaters, musea, stadhuizen, ziekenhuizen, scholen, kantoren, woningen, appartementencomplexen, winkels, salons, hotels, restaurants, clubs en boten lijkt oneindig. Dam is er vrij duidelijk over: hij krijgt vaak de aandacht, maar het zijn de tientallen architecten van Dam & Partners, waar zijn zoon Diederik de leiding heeft, die alles mogelijk maken.

Op het bureau van Dam & Partners. Beeld Niels Blekemolen

Zelf houdt hij zich tegenwoordig vooral bezig met denken en dromen. “Voordat er ook maar iets staat, ga ik naar een plek toe. Alles begint met een analyse. Wat ga je bijdragen? Pas als dat helder is, kan je een idee formuleren. De eerste schetsen die je maakt moeten uiteindelijk lijken op wat er staat.”

Zo heeft hij zich ook gebogen over de toekomst van de plek waar de auto nu stilstaat: het Westelijk Havengebied. Op zijn telefoon heeft hij inmiddels het stedenbouwkundig plan gevonden dat hij heeft gemaakt. “Het idee is om een soort Paleis voor Volksvlijt te maken, waar van alles in kan. Een manifestatieruimte voor cultuur, sport, vergaderen en eten.”

Net als in Parijs

Op het kantoor van Dam & Partners, vlak bij station Lelylaan, had hij voor vertrek van deze excursie verteld over zijn ideeën voor de stad. Dat Amsterdam meerdere centra zou moeten vormen, om de binnenstad te ontlasten. Zoals ze dat in Parijs – op andere schaal – ook hebben gedaan. 

Een Paleis voor Volksvlijt zou daar een mooie rol in kunnen spelen. Maar op het kantoor was het vooral ook over veel andere zaken gegaan. Dat kon ook niet anders. Stap het grauwe kantoorgebouw binnen, pak de met goudkleurige platen beklede lift naar de eerste etage (de gewone lift is voor de andere etages) en je stapt in een wereld die overdondert.

Overal staan piepschuimen maquettes van bestaande, nog te realiseren of nooit verwezenlijkte gebouwen door elkaar. Er ligt een plan voor een woonwijk aan het water op Curaçao, een nieuw museum in Domburg en achter een beeldscherm werkt iemand aan de 215 meter hoge Zalmhaventoren die in Rotterdam moet komen: het hoogste gebouw van Nederland. Schuif alles aan elkaar en je loopt door Damstad.

De overdonderende wereld van Dam & Partners, het kantoor vlak bij station Lelylaan. Beeld Niels Blekemolen

Kraamkamer van de stad

In de ruimte met metershoge plafonds hangen lange, witte gordijnen als tussenwanden en staan grote, ronde vergader-tafels. Het voelt als de kraamkamer van de stad. En ter inspiratie staat of hangt overal grandioze kunst. Op sommige plekken steunen de lijsten rijendik tegen de wand.

Terwijl Dam tijdens de rondleiding uitgebreid vertelde over bekend werk (het stadhuis in Almere, de Maastoren in Rotterdam) en minder bekend werk (het graf van Karel Appel, het glaswerk voor Royal Leerdam), had af en toe de hoogleraar architectuur geklonken. Dan zei hij iets als: “Een concept moet goed zijn, en de details moeten dat concept versterken.”

Of: “Een gebouw moet een gebied niet in bezit nemen, maar juist honoreren.”

Of: “De niet gebouwde ruimte is eigenlijk belangrijker. Neem de grachten: de huizen zijn slechts het decor voor een prachtige buitenruimte.”

Architectuur draait voor Dam vooral om de relatie met de omgeving. Een gebouw moet vooral niet ‘een bal gehakt’ zijn. “Je begrijpt wat ik bedoel, toch? Iedereen wil tegenwoordig iconisch werken. Als je in China een of andere bol neerzet, dan ben je daar iemand hoor. Maar ondertussen weet niemand wat er eigenlijk in dat gebouw zit, en of het wel functioneert. Het zijn gesloten dozen.”

“Zal ik de lunch bij Le Garage maar afzeggen?” had zijn assistent voorgesteld, toen ze merkte dat de rondleiding uitliep, en Dam het inmiddels had over de bloemenwand die hij laatst op de Tefaf zag. “Het is toch eigenlijk vreselijk, dat je dat doet. Dat je die bloemen wegsnijdt van hun familie en mogelijkheden, gewoon voor het plezier. Moordenaars.”

Le Garage, waar Dam ooit tekende voor de verbouwing en het interieur, ging van het programma. Het idee was namelijk om door de stad te gaan rijden. Met als eerste halte: Westpoort, het vrijwel lege canvas voor architecten en stedenbouwkundigen.

Daar, op de Australiëhavenweg, kijkt Dam nog eens naar het ontwerp voor een nieuw Paleis voor Volksvlijt. Ziet hij het voor zich, dat zijn ontwerp ooit daadwerkelijk in deze omgeving komt te staan? “Geen idee,” zegt hij, terwijl hij richting truckerscafé Bij Marjan staart. “Maar maakt het uit? Want waar ligt het verschil tussen dromen en werkelijkheid? Waar is die grens precies?”

De excursie gaat verder: via de A10, door de Coentunnel, richting Noord. Daar verlaat de auto de snelweg en niet veel later zit Cees Dam niet in Le Garage, maar in de Febo, waar hij een broodje kroket eet. 

Het is een drive-through Febo, de eerste van Nederland, die sinds 2016 op dit bedrijventerrein in Oostzaan zit. De overeenkomst met Le Garage is verrassend: ook dit gebouw heeft Dam ontworpen. “Het is wel geestig hè, dat je na het stadhuis van Amsterdam ook een Febo doet.”

En als je met een beetje goede wil naar deze Febo kijkt – door de grote rode parasols op het terras heen – en je ogen een beetje dichtknijpt, zie je duidelijk de hand van Dam. Met de sterke horizontale, witte verbinding tussen de twee delen van het paviljoen als een van de poorten van de Stopera.

Cees Dam: ‘Het is wel geestig hè, dat je na het stadhuis van Amsterdam ook een Febo doet.’ Beeld Niels Blekemolen

Grote rode, ronde banken

En binnen blijken de grote rode, ronde banken van de snackbar uit te nodigen voor een gesprek. Dam begint eerst te praten over zijn vak, en wordt daarna steeds persoonlijker.

Over de huidige architectuur: “De atmosfeer is niet vernieuwend. We kijken vooral, heel veilig, naar hoe het was. Dat Berlage-achtige van Zuid zie je nu overal in Amsterdam weer terug. De vernieuwing is teruggeduwd naar begrijpbare architectuur.”

Over zijn leeftijd: “Ik vind mezelf vaak jonger dan sommige mensen, die dertig of veertig zijn. Die hebben ook zorgen: hypotheek, vriend of vriendin, baan of weet ik veel wat. Maar als je ouder wordt, dan ontstaat er meer vrijheid. Echte zorgen heb ik niet. Ik kan me druk maken over de kwaliteit van het werk, of het wel goed gaat met de kleinkinderen. Maar dat zijn geen zorgen, dat is belangstelling.”

Over zijn levenslust: “Het heeft te maken met een intense belangstelling voor alles, in de breedste zin. Ik heb er geen recept voor. Het is belangstelling, en zelfreflectie. Elke dag een kwartier helemaal niets, jezelf leegmaken.”

Over het gemis: “Het is eerst heel lang ontzettend verdrietig. Dan komt er een moment dat je verder kan met jezelf. Het is veel gedoe, en als het dan na jaren eindelijk allemaal lukt en het loopt weer, dan komt het weer terug. Dan denk je: waar is ze nu?”

En over de dood: “Er zijn prachtige verhalen en boeken over geschreven. Maar het is wat het is. Natuurlijk heb je die verhalen: ik hoop niet dat ik dement word, of dit of dat. Naja, het kan allemaal. Ik zou alleen niet dood willen gaan in een Febo.”

De Febo is ook een van Dams ontwerpen. Beeld Niels Blekemolen

Dus gaat de excursie verder. Het plan was om via de Noordelijke IJ-oevers een rondje door de binnenstad te doen. Daar ligt een heel spoor aan Cees Dam-projecten: het Royal Dam Center op de Dam, het oude optiebeursgebouw op het Rokin, de verbouwing van L’Europe verderop en daarna de Stopera. 

Het opvallende is dat al die ontwerpen nu worden aangepast. Het Royal Dam Center, bij de opening in 1991 het hoofdkantoor van bouwonderneming Verwelius, is inmiddels een luxe appartementencomplex. Van het optiebeursgebouw uit 1987 staat alleen de structuur nog overeind, en achter de glazen gevel zit nu de redactie van NRC.

Hotel De L’Europe werd in 2011 onder leiding van Dam volledig gerenoveerd, maar de nieuwe directeur heeft onlangs een grondige restyling aangekondigd. En dan de Stopera: de foyer is onlangs vernieuwd en het zalmroze tapijt is verdwenen. Binnenkort wordt ook de gevel aan de zijde van het Waterlooplein opengebroken, om plaats te maken voor winkels.

Gedoe met de Stopera

Vanwege tijdgebrek gaat de excursie er niet meer langs, maar Dam wil er best wat over kwijt. “Het leven verandert ook,” zegt Dam. “Als het tapijt versleten is, waarom dan niet.” Dat de Stopera ook aan de buitenkant wordt aangepast, zint hem minder. 

“Er moeten wat winkeltjes in, voor de socialisering van het gebouw. Dus moet je dan over de hele wereld monumenten verbouwen om te socialiseren? Wat een onzin,” zegt hij eerst. En even later: “Maar aan het Rijksmuseum is ook van alles gedaan, het kan wel.”

Nu hij het toch over de Stopera heeft, begint hij zelf over het gedoe. Zelden is er zo’n bittere strijd gevoerd als over het muziektheater annex stadhuis dat Cees Dam samen met de Oostenrijkse architect Wilhelm Holzbauer in 1986 ontwierp. 

“Het was echt heel erg. Er waren 43 architecten tegen, met handtekeningenactie’s, alternatieve plannen en weet ik veel wat. Er was politiebewaking, we moesten rolluiken hebben. ’s Nachts werden onze sloten ingespoten met lijm.”

Nu is hij altijd al goed geweest in relativeren. “Je moet zorgen dat dit soort dingen je niet raakt, daar word je heel ongelukkig van.” Bovendien is hij ‘fier’ – het woord dat hij liever gebruikt dan trots – op het muziektheater, het deel dat hij ontwierp. 

“De kwaliteit van ballet en opera is van wereldfaam, dat maakt het succes. Je kan wel een gebouw ontwerpen, maar als er geen dingen gebeuren die het interessant maken, heb je er niets aan.”

De Range Rover rijdt nog langs Hour Glass op de Zuidas en een woonblok op het Stadionplein. Over andere gebouwen van andere architecten – zoals het grote hotel waar bij de RAI aan wordt gebouwd – wil Dam zijn mening niet delen.

“Ik wil niet dat anderen overkomt wat mij zelf is gebeurd met het muziektheater, dat andere architecten met zijn allen zeggen dat ze het niets vinden. Daar doe ik niet aan mee. Ik heb nooit iets gevonden van wat een ander doet.”

En even later: “Een recente ontdekking is dat je ontzettend je best moet doen om de ander vrijheid en respect te geven, dan ontstaat er ook aandacht, liefde en mogelijkheden. Ik word 87. Ik begin pas, ik weet nu pas hoe alles gaat.”

Cees Dam: ‘Een gebouw moet geen bal gehakt zijn.’ Beeld Niels Blekemolen
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden