PlusReportage

Amsterdam is een stad vol slangen, in de zomer zijn het er zelfs duizenden

Beeld Renate Beense

De ringslang doet het goed in en rondom Amsterdam: in de zomer telt de stad er duizenden en het aantal neemt nog steeds toe. Daar zijn biologen en stadsecologen blij mee. ‘Ooit telden we maar 25 eieren, van één ringslang.’

Bioloog Ingo Janssen (51) loopt stapvoets onderaan de basaltstenen dijk op Marken. Hij blijft stilstaan en tuurt naar één plek. “Takje,” zegt hij.

Janssen is een van de meest geoefende ringslangkenners van Nederland, en ­waarschijnlijk de enige die dag in, dag uit professioneel met deze slang bezig is. Hij bezoekt de dijken van Marken geregeld om de dieren te vangen, zodat hij gegevens over ze kan bijhouden.

We lopen verder. Door brandnetels, bramen, fluitenkruid en koolzaad die tussen de basaltstenen groeien baant Janssen zich een weg. Boven ons roepen grutto’s, tureluurs en brandganzen. De zon schijnt, maar er staat een straffe wind aan de oever van de Gouwzee. Perfect weer om een ringslang te zien opwarmen in de zon, volgens Janssen. Hij heeft zijn blik strak op de grond gericht. Waar hij op let? “Een soort drol of een uitgestrekt beest.”

We hebben beet

De ringslang is de enige slang die op Amsterdams grondgebied voorkomt. In de rest van Nederland komen nog twee andere slangen voor: de adder en de gladde slang, allebei in het oosten van het land. Anders dan de adder is de ringslang niet giftig. Hij schijnt wel te kunnen bijten, maar dat doet hij vrijwel nooit. Bovendien zijn zijn tanden zo klein dat ze nauwelijks zichtbaar zijn, vertelt Janssen. Vrouwelijke ringslangen kunnen 1,30 meter worden met een lijf zo dik als je pols, mannetjes worden niet langer dan 90 centimeter. Maar de meeste exemplaren die Janssen ziet, zijn ‘formaat schoenveter’. Janssen: “Mensen denken bij slangen aan gevaarlijke dieren die hoog in de voedselketen staan, maar de ringslang is wat dat betreft een vrij weerloos beest.” Vroeger waren er ringslangen bij Artis te koop, weet Janssen. “Jongetjes kochten die om hun moeder en zusje te laten schrikken.”

Een door vrijwilligers gemaakte nestgelegenheid.Beeld Renate Beense

De ringslang komt alleen aan de oostkant van Amsterdam voor, langs de kust van het IJmeer, van Driemond en Diemen tot Durgerdam en Uitdam. Ook de Bijlmer en het Amsterdamse Bos kennen populaties. De slangen overwinteren graag in spoorwegtaluds of zoals hier, onder de basaltstenen van de dijk. Half maart zijn de eerste mannetjes uit hun winterslaap ontwaakt. De paringstijd is net achter de rug.

Plotseling laat Janssen zich op de stenen vallen en roept luid: “Ha-ha-ha!” Hij heeft er een te pakken, nadat eerder vandaag twee slangen hem te vlug af waren geweest. Trots loopt hij ermee de dijk op, terwijl het slangetje zich om zijn handschoen krult. Het is een mannetje, zo dik als een vinger en een halve meter lang. Zijn tong hangt uit zijn open bek. “Tegenover aanvallers doet hij alsof hij dood is,” verklaart Janssen. Soms weet een ringslang zelfs een druppel bloed uit zijn bek te persen. Dat, in combinatie met de penetrante lucht die hij verspreidt, maakt dat predatoren denken dat ze een dier in staat van ontbinding te pakken hebben.”

Streepjescode

Janssen ving in zijn leven honderden, zo niet duizenden ringslangen. Door ze te meten en hun unieke buikpatroon te fotograferen, houdt hij gegevens bij over de exemplaren rondom Amsterdam.

Zijn slangenliefde begon met een stage over de ringslang tijdens zijn studie biologie aan de Universiteit van Amsterdam. Tegenwoordig werkt Janssen voor Ravon, een kennisorganisatie voor reptielen, amfibieën en vissen. Het inventariseren op Marken doet hij in opdracht van Rijkswaterstaat. Janssen houdt schommelingen in de populatie bij nadat er stukken dijk zijn vervangen. “Het aantal ringslangen lijkt alleen maar te zijn toegenomen,” vertelt hij. “Dat komt voornamelijk door de kunstmatige nestgelegenheid die vrijwilligers aanbrengen.”

Janssen draait de slang op zijn kop, zodat de buik met unieke ‘streepjescode’ zichtbaar wordt. Hij maakt een foto van het dier – dat zich nog steeds dood houdt – en legt het langs een liniaal. Thuis zal hij in zijn archief kijken of hij deze slang eerder te pakken had. Zo houdt hij bij hoe snel de dieren groeien, hoe ze zich verplaatsen en hoe oud ze worden.

Twee weken eerder, toen de paringstijd nog in volle gang was, had Janssen op dit stuk dijk in totaal 35 slangen te pakken.

Bioloog Ingo Janssen op ringslangen­jacht bij Marken.Beeld Renate Beense

“Je ziet dan vaak een groot vrouwtje met meerdere mannetjes bij elkaar krioelen,” vertelt hij. “Vrouwtjes paren namelijk met meerdere mannetjes. De eieren zijn door verschillende mannetjes bevrucht.” Nog iets bijzonders: de man heeft twee penissen, waarmee hij bij het paren muurvast zit aan de vrouw. “De penissen zitten vol weerhaken,” zegt Janssen met een grijns. “Slangen hebben nou eenmaal geen armen waarmee ze een vrouwtjesslang kunnen fixeren.”

Uit een Italiaanse studie blijkt dat oude ringslangvrouwtjes het aantrekkelijkst gevonden worden om mee te paren, vertelt Janssen later. “Toen ik dat vertelde tijdens een lezing voor de Lions Club begon een vrouw met een glaasje sherry hard te juichen.” Janssen proest het uit van het lachen.

Met dank aan de mens

Het gaat goed met de ringslang in Amsterdam. Volgens stadsecoloog Martin Melchers (75), die ringslangencoördinator in Amsterdam is (dat wil zeggen dat hij gegevens van alle getelde exemplaren bijhoudt), zijn er in de zomermaanden, als de jonge slangetjes uit het ei zijn gekropen, een paar duizend slangen in onze stad aanwezig. Veel daarvan worden in de loop van het jaar opgegeten door reigers, meeuwen, ratten of katten.

In 1994, toen Melchers op eigen initiatief begon met het tellen van de slangen, noteerde hij 25 eieren in het Amsterdamse Bos. “Dat is het legsel van één ringslang.” Sindsdien stijgen de aantallen in rap tempo. “In 1997 telden we in heel Amsterdam 612 eieren en afgelopen jaar waren het er 7021, waarvan er 6816 waren uitgekomen.”

De meeste exemparen die Janssen ziet, zijn ‘formaat schoenveter’.Beeld Renate Beense

Die grote aantallen hebben alles te maken met de vrijwilligers die zich voor dit dier inzetten door zogenoemde ‘broeihopen’ aan te leggen: kunstmatige nest­gelegenheid in de vorm van hopen van ruwe stalmest, houtsnippers, halfvergane bladeren en takken. Doordat dit soort hopen flink gaat broeien, kunnen de eieren die het vrouwtje erin legt uitkomen.

In Waterland legt de stadsecoloog van Amsterdam-Noord, Fred Haaijen (63), elk voorjaar zo’n 25 broeihopen aan, samen met vijftig enthousiaste vrijwilligers en medewerkers van de buitendienst. Vijftien jaar geleden begon hij daarmee. “Vroeger was Noord goed leefgebied voor de ringslang, maar toen ik begon was hij hier bijna niet meer te vinden. Het jaar na het aanleggen van de eerste broeihopen telden we vijftig eieren, daar waren we heel blij mee. Vorig jaar waren het er 2200. Broeihopen aanleggen is echt een succesformule.” Elk najaar kamt Haaijen samen met vrijwilligers de broeihopen uit om de eierschalen te tellen.

Zonder mensen zouden er geen ringslangen in Nederland leven. Pas toen de mens hier landbouw ging bedrijven en de mest van het vee op hopen gooide, vond de ringslang hier geschikt leefgebied om zich voort te planten. Maar met de schaalvergroting van boerderijen in de jaren vijftig van de vorige eeuw en het verdwijnen van mesthopen vanwege milieu­wetten ging het steeds slechter met de ringslang.

In het bos

In Amsterdam was de komst van IJburg een domper voor de ringslang, zegt Ingo Janssen. “Ringslangen kunnen behoorlijke afstanden afleggen. Vroeger migreerden ze van Noord- naar Oost-Amsterdam.”

In 1997 hielp Janssen samen met andere biologiestudenten ringslangen wegvangen voordat de vuilstortplaats op de Diemerzeedijk werd gesaneerd. Ze zetten de slangen uit in de buurt van Muiden.

De ringslang wordt gemeten, gefotografeerd en weer losgelaten.Beeld Renate Beense

De populatie ringslangen in het Amsterdamse Bos is door bebouwing steeds verder geïsoleerd geraakt. Door zogenoemde ‘natte verbindingszones’ aan te leggen proberen de beheerders van het bos de populatie weer in contact te brengen met die van Aalsmeer. De afgelopen jaren zijn stroken bos gekapt (ringslangen hebben zonlicht nodig voor energie), poelen aangelegd (voor voedsel: kikkers en salamanders), oevers natuurlijk gemaakt door dichtgetimmerde kades te vervangen door riet (de ringslang kan goed zwemmen) en onder de N231 is een faunatunnel aangelegd. Elk jaar worden twintig broeihopen aangelegd en er zijn winterverblijven geplaatst. Van de natte verbindingszone profiteren niet alleen ringslangen, maar ook andere dieren, zoals de waterspitsmuis, watervleermuis en vlinders.

“Het aantal ringslangen is in het Amsterdamse Bos de afgelopen jaren ­spectaculair toegenomen,” vertelt boswachter Abe van ’t Wout (29). “In grafieken zie je vanaf de jaren negentig een enorm stijgende lijn. Gemiddeld tellen vrijwilligers elk najaar nu tussen de 1000 en 3000 eieren in het Amsterdamse Bos.” Het is de succesvolste Amsterdamse locatie.

Penetrante geur

Nadat hij de ringslang heeft losgelaten, loopt Ingo Janssen verder. Even later duikt hij weer naar de grond. Weer heeft hij er een te pakken. Dit exemplaar heeft zijn cloaca geleegd. Een penetrante geur – een mengsel van ‘rotte vis, knoflook en wiet’, zoals Janssen het noemt – verspreidt zich. “Als je een ringslang vangt, altijd hem van je af uit laten druipen,” adviseert Janssen. Hij meet de slang op, fotografeert de buik en zet hem op onderaan de dijk weer terug op een basaltsteen. Geruisloos glijdt de slang tussen de stenen en de planten weg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden