PlusAchtergrond

Altijd gedonder bij versterking Waterlandse Zeedijk

De Waterlandse Zeedijk, tussen Monnickendam en Oostzaan, wordt versterkt. Opnieuw. Fotograaf Loek Buter trok langs de bochten en wielen die de geschiedenis verraden. Altijd was er gedonder.

De Markermeerdijk bij Scharwoude, 2019. Beeld Loek Buter
De Markermeerdijk bij Scharwoude, 2019.Beeld Loek Buter

Er waren nog geen kranten, geen lokale omroep en geen sociale media. Dus er zijn helaas ook geen reportages bewaard gebleven over de boeren die in de vroege middeleeuwen voor het eerst aan het werk gingen om in Waterland met blote hand een dijk aan te leggen die het land moest beschermen tegen het water. Geen bloemrijke verslagen van het geploeter in de modder, geen analyse van deskundigen over de trage voortgang en ook geen boze tweet van een boer die moppert over een gebrek aan waardering.

Wat we wel weten, vertelt Diederik Aten, is dat het een verschrikkelijke klus moet zijn geweest. “De eerste dijken waren toch twee meter hoog. De kracht van de dijk lag in een strook buitendijks land: de boeren legden de dijk een stukje landinwaarts aan, zodat de golven konden uitlopen op het land. Als er een doorbraak was geweest, zat er niets anders op dan weer een nieuwe dijk aan te leggen, weer een stukje landinwaarts. Het water was de baas.”

Aten is als historicus verbonden aan het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en kent de geschiedenis van de Waterlandse Zeedijk tussen Monnickendam en Oostzaan op zijn duimpje.

“De eerste dijk moet rond het jaar 1200 gestalte hebben gekregen,” trapt hij af. “Het is de tijd dat op meer plekken in het land voor het eerst de krachten worden gebundeld om het water tegen te houden. De oudste bewaard gebleven documenten gaan over de dijk tussen Alkmaar en Bergen. Dat was in het jaar 1205.”

Ruim acht eeuwen later wordt opnieuw gewerkt aan de dijk, inmiddels geen zeedijk meer, maar een meerdijk, een Markermeerdijk om precies te zijn. De 33 kilometer waterkering tussen Hoorn en Durgerdam moet worden versterkt om de stijgende waterspiegel en de dalende bodem in balans te houden. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Op verschillende plaatsen is fel verzet tegen de manier waarop de dijk wordt versterkt. De bewoners van de dijkdorpen zijn bovendien niet blij met hoe wordt omgesprongen met hun wensen. Het is niet de eerste keer dat er gedoe is om de dijken.

Stormvloeden

In Waterland was een reeks zware stormvloeden in de tweede helft van de twaalfde eeuw aanleiding om voor het eerst de handen uit de mouwen te steken. Toen een dan nog bestaande landrug tussen Noord-Holland en Friesland brak, drong de Noordzee diep door in het hart van Holland, waar op dat moment nog een uitgestrekt zoetwatermeer lag, het Almere. De Zuiderzee was toen een feit, ten koste van grote stukken land. Om het water niet verder te laten oprukken, moesten dijken worden aangelegd.

Blaarkopkoeien in natuurgebied De Moordenaarsbraak, bij Purmerend, 2018. Beeld Loek Buter
Blaarkopkoeien in natuurgebied De Moordenaarsbraak, bij Purmerend, 2018.Beeld Loek Buter

Dat werk gebeurde aanvankelijk in goede samenwerking en volgens een vast stramien, vertelt Aten. “Elk dorp aan de dijk kreeg een eigen vak om aan te leggen en te onderhouden. De bewoners waren daar ook verantwoordelijk voor. Dat stuk werd vervolgens weer verdeeld onder de boeren. Iedere boer kreeg een klein stuk dijk onder zijn hoede. Dat werkte goed zolang het om een lage dijk ging. Later moest er meer gebeuren, ging het meer geld kosten en begon het geruzie.”

Want: gedonder is er altijd geweest om de dijk. Aten: “Ook voor een dijk geldt dat hij zo sterk is als de zwakste schakel. Als een boer zijn stuk niet goed onderhield, bestond de kans dat heel Waterland onder water kwam te staan. Er kwam een speciale procedure om conflicten over het onderhoud op te lossen: het zeventuig. Drie mannen aan de ene kant van de dijk en vier aan de andere kant moesten samen beslissen wie verantwoordelijk was voor het bewuste dijkvak.”

Een probaat middel tegen ruzies is een overstroming, en daar hoefde nooit lang op te worden gewacht. Een doorbraak hoorde bij het leven achter de dijk, en dan moest er worden gehandeld. Tijdens de Allerheiligenvloed van 1 november 1570 braken de dijken door bij Durgerdam, Nieuwendam, Schellingwoude, Ransdorp en Zuiderwoude. De ravage was zo groot dat het Hof van Holland een commissaris naar Waterland stuurde om samen met de dijkgraaf plannen te maken voor een nieuwe verdedigingslinie tegen het water.

De betrokkenheid van het landsbestuur paste bij de ontwikkeling die Waterland had doorgemaakt in de 15de eeuw. De boeren in het gebied kregen gezelschap van vissers en zeelieden, een nieuwe bedrijvigheid die in de dijkdorpen uitgroeide tot het belangrijkste middel van bestaan. Aten: “De mannen in het dorp verhuurden zich eerst als bemanning voor de visserij op de Zuiderzee en de Noordzee. Later werd met eigen schepen graanhandel gedreven met Scandinavië.”

De Waterlandse Zeedijk. Beeld Eva Janssen
De Waterlandse Zeedijk.Beeld Eva Janssen

Het ondernemerschap in de dorpen werd in Amsterdam met grote argwaan gevolgd. De stad maakte een periode van groei en bloei door, maar voelde er weinig voor de concurrentie aan te gaan met de buren. Een voorzichtige poging om in Durgerdam een voorhaven te beginnen, werd meteen gedwarsboomd. Aten: “De invloed van Amsterdam liet zich voelen. De stad had formeel niets te vertellen over de overkant van het IJ, maar die voorhaven kwam er niet.”

Op andere manieren profiteerde Waterland wel van de voorspoed in de grote stad. De veehouders leverden dagelijks verse melk aan bakkers en andere afnemers in Amsterdam. Dat gebeurde met de Waterlandse melkschuit, een platbodem die sterk genoeg was om met 2000 liter melk aan boord het IJ over te steken. De boeren die te ver weg woonden om elke dag de tocht over het water naar de stad te maken, voorzagen de markten van kaas en andere waar.

De rommel van de Allerheiligenvloed van 1570 was nog maar net opgeruimd, of de dijk begaf het in 1589 opnieuw, nu bij Schellingwoude en bij het Kinselmeer. “De dijk tegenover Amsterdam was de zwakke hoek,” vertelt Aten. “Een landtong in het IJ zorgde ervoor dat het water daar bij storm extra hoog kwam. De dorpen op de dijk hielden het nog wel droog, maar het land erachter stond blank.”

De herstelwerkzaamheden zorgden weer voor grote onenigheid achter de dijken over de kosten. Met name Schellingwoude was de klos. Daar klonk de roep om solidariteit het hardst. “Gemeenmaking van de dijk, wordt dat genoemd: het omslaan van de kosten over heel Waterland. Het is niet overdreven om te stellen dat daar ruim een eeuw ruzie over is gemaakt. De dorpen die ver van de dijk lagen, zoals Landsmeer of Ilpendam, voelden er niets voor. Ze zochten het maar uit.”

Een nieuwe oeverdijk wordt opgespoten bij Uitdam, 2020. Beeld Loek Buter
Een nieuwe oeverdijk wordt opgespoten bij Uitdam, 2020.Beeld Loek Buter

In 1659 kwam de Hoge Raad met een vonnis dat gemeenmaking van de Waterlandse Zeedijk verplicht stelde. Vanaf dat moment betaalde iedereen, al dan niet mopperend, mee aan aanleg en onderhoud. Het vonnis zorgde ook voor de promotie van het waterschap van een organisatie met een beperkt takenpakket tot een machtige speler die belasting ging heffen bij alle ingezetenen en opdrachten verstrekte aan aannemers om de veiligheid van de dijk te garanderen.

Keistenen

Met de komst van ruimere financiële middelen konden ook nieuwe dijken worden aangelegd. Op plaatsen waar het buitendijkse land was weggespoeld, werd de dijk aan de waterkant voorzien van een metersdikke pakking van taai en elastisch wier, bij Wieringen van de bodem van de Zuiderzee gevist. Het wierpakket werd met houten palen tegen de dijk gehouden. Dat werkte prima, tot in 1730 de gevreesde paalworm zijn entree maakte in het land en zich ook enthousiast een weg knaagde door het houtwerk van de dijk.

Een nieuwe stoffering van de dijk werd gevonden in keistenen. Die werden gehaald in Drenthe, waar de hunebedden nog geen toeristische attractie waren. Aten: “Er zijn heel wat hunebedden op de Waterlandse Zeedijk geëindigd. De stenen werden daar met buskruit opgeblazen om er kleinere brokken van te maken. Later is men overgestapt op steen uit Noorwegen en basalt uit Duitsland. Het heeft miljoenen gekost om dat naar Nederland te halen.”

De gepensioneerde visser Jur bij Schardam, 2016. Beeld Loek Buter
De gepensioneerde visser Jur bij Schardam, 2016.Beeld Loek Buter

De dijk heeft veel weg van een clubsandwich: door de eeuwen heen is er elke keer een nieuwe laag opgezet. Toen Amsterdam in de 18de eeuw een periode van neergang beleefde, werden daar op grote schaal dakpannen van sloopwoningen gekocht om de dijk mee te versterken. Dat was een miskleun, stelt de historicus vast. “Het was een goedkope oplossing, maar geen goede. Het puin zette zich niet. Het water sijpelde er doorheen met een poreuze dijk als gevolg.”

De laatste grote overstroming was die van januari 1916, toen tijdens een zware storm de dijk op verschillende plekken bezweek en het hele achterland tot aan de Zaan onder water kwam te staan. Aten: “De eeuwenoude amfibische cultuur was nog steeds aanwezig. Het eerste wat de boeren deden, was de koeien naar de kerk brengen, zoals dat vroeger bij elke watersnood gebeurde. De kerk stond op het hoogste punt. In de kerk van Monnickendam stonden 1200 koeien.”

Die amfibische cultuur zat honderd jaar geleden nog diep in de genen van de Waterlanders. “Er was geen rampenplan, maar iedereen wist precies wat hem te doen stond. Als de noodklok werd geluid, gingen de mannen naar de dijk. Er werden bodes uitgezonden naar andere dorpen om versterking te halen. En iedereen kwam.” In de huizen was sprake van een verticale evacuatie: vrouwen en kinderen naar zolder, met water, voedsel en een beetje inboedel.

Hooiberg in Ransdorp. De vis is een verwijzing naar de verbondenheid met het water, 2020. Beeld Loek Buter
Hooiberg in Ransdorp. De vis is een verwijzing naar de verbondenheid met het water, 2020.Beeld Loek Buter

De ramp van 1916 gaf de aanzet tot de aanleg van de Afsluitdijk die van de Zuiderzee het IJsselmeer maakte. In Waterland werd de dijk onder handen genomen en flink verhoogd. Aten: “Het puin werd vervangen door klei. Een andere maatregel was het weghalen van de weg. Voor 1916 liep die tussen Amsterdam en Marken over de kruin van de dijk, zoals dat nu in Durgerdam nog het geval is. De hele operatie heeft 21 miljoen gulden gekost, voor die tijd verschrikkelijk veel geld.”

Honderd jaar later wordt er opnieuw gewerkt aan de dijk. Voor het eerst in al die eeuwen zonder overstroming als aanleiding. “We proberen te anticiperen op klimaatverandering en zeespiegelstijging,” vertelt Aten. “Dat betekent ook dat er veel discussie is over de noodzaak en de uitvoering van de werken. Niet voor niets luidt het oude gebed van de dijkgraaf: ‘Ach heer, geef ons heden ons dagelijks brood, en af en toe een watersnood’. Na een ramp is alles duidelijk.”

Loek Buter

Loek Buter (38, Heerhugowaard) is documentair- en portretfotograaf. Zijn fotografie omschrijft hij zelf als ‘landschapsverhalen’ over de relatie tussen mens en zijn omgeving. Vanaf de hoge ruggen van de Hollandse dijken speurt hij met zijn camera het landschap af.

De Markermeerdijken behoren tot zijn favoriete stukken Noord-Hollands landschap. “Alle bochten en wielen die in de ooit rechte dijk zijn ontstaan vertellen mij het verhaal over de geschiedenis van de strijd tussen het land en het water. Rijdend over de dijk met de schittering van het licht op het Markermeer aan de ene kant en de weidsheid van de polders aan de andere kant kun je hier het landschap in volle glorie ervaren.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden