PlusExclusief

Alexandra, 20 jaar later: ‘Ik ben gewoon een zoekend iemand’

Alexandra nu. Ze struggelt de laatste tijd meer met de zin van het leven, zegt ze. Beeld Raimond Wouda
Alexandra nu. Ze struggelt de laatste tijd meer met de zin van het leven, zegt ze.Beeld Raimond Wouda

Twintig jaar geleden stelde Hans van der Beek grote vragen aan 18-jarige Amsterdammers. De zin van het leven, liefde en seks, God en de dood, vaders en moeders. Tien jaar later vroeg hij hen weer. En nu weer. Aflevering 7: Alexandra was een party-animal. Toen werd ze opeens moeder.

Alexandra ging vier dagen per week op stap. Tien jaar later had ze een zoontje van zes maanden en wilde ze niets liever dan slapen. Nu zoekt ze rust en balans. Het leven accepteren zoals het is.

Het leven

18:
“Ik raak heel snel verveeld. Ik heb allerlei ideeën, maar na een week denk ik: jeetje, toch wel hard werken.”

“Niemand kent mij als Alexandra. Ik heet Sunny. Stappen is een lifestyle. Maar: ja, hallo! Er zijn nog wel meer dingen dan dat. Het is heel dubbel. Ik ben onwijs bezig met uitgaan, en vrienden, hartstikke leuk, maar zo ben ik heel erg bezig met transhumanisme. Maar als ik over dat soort dingen begin, hebben ze zoiets van: kijk haar nou. Als mijn vriend daarmee komt, is het wel goed. Want hij is een ­jongen. En ik ben... Ja, ik ben Sunny.”

28:
“Ik heet nog altijd Sunny. Helaas. Als ik met mijn zoontje bezig ben, ben ik nooit Sunny. Maar mijn vrienden willen er niet aan, ik heb me erbij neergelegd.”

“Karel was heel welkom, maar niet gepland, mijn man en ik waren pas een jaar samen, maar toen was ik in één keer klaar met dat stappen. Als ik om vijf uur in bed lig, moet ik er twee uur later weer uit en dat is het me toch niet waard. Maar het gaat goed, heel goed. Ik ben op het saaie af ­tevreden.”

“En wat ik zei over dat transhumanisme! Wat ís dat? Dat ontzettende geouwehoer is er echt al een tijdje van af. Ik loop ook niet meer zo met mijn uiterlijk te koop, mijn haar in alle kleuren, mijn borsten zo groot mogelijk. Ik denk dat weinig mensen terugkijken naar hun achttiende en ­denken: nou, top, jammer dat ik dat niet heb kunnen volhouden.”

38:
“Het is inmiddels Alexandra. Twee jaar geleden ben ik daar heel streng in geworden. Een paar beste vrienden weigeren dienst, maar de rest houdt zich er keurig aan.”

“Ik ben best vaak van baan verwisseld en verhuisd, er is altijd wel iets aan de hand met mij. Ik hoop nu wel dat ik aan het laatste staartje daarvan zit, qua onrust. Ik ben ­gewoon een zoekend iemand. Ben ik wel het juiste aan het doen? Hoe kan ik gelukkiger zijn? Typisch early millennial, denk ik.”

“Ik realiseer me nu langzaam dat ik nooit meer rijk ga worden, en dat is wel een bittere pil. Ik werk als styliste bij Models at Work, bijna tien jaar. Heel leuk werk en het verdient goed, maar niet genoeg om in Amsterdam een huis te kopen. Dat ik niet die wortels heb, dat zorgt ook voor veel onrust in mijn hoofd. Ik wil ook een inbouwkast. In een huis-huis ga ik niks op maat laten maken.”

“Met de zin van het leven ben ik wel een beetje aan het struggelen de laatste tijd. Je moet dingen loslaten, dat maakt het leven minder moeilijk. Zoals inbouwkasten. Je moet je ook niet proberen te verzetten tegen, gewoon, de loop van de dingen. Niet de hele tijd laveren tussen hoop en teleurstelling, maar accepteren zoals het is.”

“Uiterlijk is nu weer wat belangrijker, gek genoeg. Er gaat in ieder geval meer aandacht naartoe. Tien jaar geleden, na de geboorte van Karel, waren mijn hoogtijdagen, maar het laatste jaar zie ik opeens allemaal dingetjes. Dat kwam eigenlijk door Karel. Hij lag een film te kijken en zei opeens: ‘Wat heb jij eigenlijk een oud nekkie onder zo’n jong koppie.’ Ik had nog nooit naar mijn nek gekeken, maar ik ben meteen allemaal crèmetjes gaan kopen.”

Alexandra met Karel in 2011. Beeld Raimond Wouda
Alexandra met Karel in 2011.Beeld Raimond Wouda

De liefde

18:
“Ik heb het heel veel nodig, wel, de liefde. Ik ben bang dat ik heel erg alleen ben als ik geen vriend zou hebben. ­Iemand die heel vaak tegen me zegt: ik hou van je. Liefde en seks gaan heel erg samen, ik heb het alleen nog met mijn vriendje gedaan. Ik kan me ook niet voorstellen dat ik het zou doen met iemand op wie ik niet verliefd ben. Wat dat betreft voldoe ik niet aan de standaardeisen van een party-animal. Heel vrij zijn, met iedereen naar bed, trio’s en weet ik veel – zo ben ik gewoon niet. Misschien als het uit is.”

28:
“Na dat vriendje heb ik niet echt vriendjes gehad, hier en daar een fling. Willem, zo heet mijn man, is mijn eerste echte vriend. Ik ben geneigd man te zeggen, want vriendje klinkt zo stom als je een kind hebt samen.”

“Pas toen ik Willem tegenkwam, wist ik: o, zo is het dus om verliefd te zijn. En dat was niks engs of vervelends, ­alleen maar leuk. Het is wel goed om dat artikel aan Karel te laten zien als hij zelf achttien is: zie je, alles wat uit jouw mond komt klopt niet, en dit is het bewijs.”

“Nou, nou, nou, losbandig is ook wel weer overdreven. Ik had toen het uitging wel wat minder scrupules dan ik ­verwachtte te hebben. Alleen met iemand naar bed gaan als je verliefd bent, zo is het natuurlijk niet helemaal ­gegaan. Maar losbandig was ik ook niet, zeker niet.”

38:
“Ik heb nog steeds veel liefde nodig, dat denk ik wel, maar ik heb vooral ook veel liefde te geven. Groei is heel belangrijk in de liefde. Ik merk als moeder dat ik heel veel van ­iemand hou die elke maand anders is, en dat is mijn zoon Karel. Eigenlijk woon ik de hele tijd met een totaal nieuwe huisgenoot, en toch blijf ik de hele tijd van hem houden. Het is verbazingwekkend hoe klakkeloos je dat maar ­accepteert als er weer een nieuw mens uit zijn bed is ge-kropen. Omdat het je kind is. Als ik op die manier van ­iedereen om me heen kon houden, had ik een heerlijk ­leven.”

“Willem en ik zijn een jaar na het vorige interview uit ­elkaar gegaan. Dat gaat op zich heel goed; we voeden Karel samen op, we doen de verjaardagen samen, ook met aanhang erbij. Mijn ex heeft met zijn vriendin een dochter van twee. Karel is een grote broer, hoe leuk is dat!”

“Ik woon nu samen met Bastiaan, we zijn vier jaar samen. Bastiaan en Karel zijn helemaal dol op elkaar – ik woon met twee vrienden van elkaar, zo voelt het een beetje.”

“Wat zei ik de vorige keer over seks? Nou, ik was wel hartstikke losbandig, hoor. Jammer dat mensen altijd maar de halve waarheid vertellen, terwijl de echte waarheid zo leuk zou zijn.”

“Nu is seks belangrijk, zoals uiterlijk belangrijk is. Het gaat wat dieper allemaal, persoonlijker. Ik vind het niet meer zo heel vanzelfsprekend. Ik moet me er wel echt toe zetten soms, ik ben er niet meer zo mee bezig. Dat voelt alsof het is omdat ik ouder aan het worden ben, en dat wil ik dan niet. Volgens de mythe zou ik nu op mijn seksuele piek moeten zitten. Wacht, ik googel even. Ja, vrouwen rond hun 35ste. En bij mannen aan het eind van hun ­tienerjaren. Wat?! Dat is toch ellendig?”

Familie

18:
“Mijn moeder is de goedheid zelve. Ze houdt de familie bij elkaar. Ze probeert mij in toom te houden en mijn vader te sussen. Zichzelf ontziet ze. Ik vind het vreselijk klinken: mijn moeder is mijn beste vriendin. Bèèèh, dan moet ik kotsen. Laten we zeggen: ze is mijn soulmate.”

“Mijn vader en ik gaan pas de laatste tijd goed met elkaar om. Echt communiceren ging moeilijk. Pas toen ik op ­kamers ging, ging ik zeggen: pap, ik mis je onwijs. Op een gegeven moment durfde hij dat ook terug te zeggen. Ik heb nu pas het gevoel dat ik mijn vader leer kennen.”

28:
“Het is niet eerlijk wat ik over mijn vader zei, dat zal hij niet leuk hebben gevonden. Ik was ook een draakje, achteraf voelt het ook helemaal niet dat we een slechte band hadden. Hij heeft me laten uitrazen en zijn geduld bewaard. Als ze me geld gaven, was het wel de bedoeling dat ik iets oppakte, een studie of werk, en dat heb ik minder gedaan dan ik hun vertelde. Ze hebben me eigenlijk gewoon ­gesponsord, en achteraf heb ik daar best een beetje spijt van.”

“Misschien is de relatie met mijn moeder volwassener geworden. Waar ik eerst de dochter was, ben ik nu – nee, ik ben nog steeds de dochter. En zij is nog steeds echt mijn moeder, ze zegt nog steeds dat ik mijn huis moet opruimen en dat ik geen hond mag nemen. Een kind vond ze niet erg, maar een hond, nee, dat vond ze te veel verantwoordelijkheid.”

38:
“Mijn vader is inmiddels met pensioen, hij zit alleen nog in een paar adviesraden en heeft sowieso meer tijd. Ze zijn ­altijd beschikbaar, ik vind het fijn dat ze zo aanwezig zijn in mijn leven. Ze passen één dag in de week op, en zijn heel betrokken bij de opvoeding van Karel. Wel met grenzen. Het zijn geen opa en oma die elke dag zeggen: kom maar langs. Er moet altijd in de agenda worden gekeken of het echt kan. Dat vind ik ook helemaal prima, ik heb zelf een kind genomen.”

“We zijn de afgelopen jaren toch wel nog meer naar ­elkaar toegegroeid, in de gevoelens die we delen, we ­praten veel met elkaar. We zijn niet heel goed in gevoelens-gevoelens bespreken, de echt emotionele dingen, maar dat kan ik ook niet goed, vandaar dat we zo goed met ­elkaar kunnen praten.”

“Nou, mijn vader is nog steeds mijn sponsor, hoor. Dat bedoel ik met: ik had gehoopt dat ik heel rijk zou worden en niet meer afhankelijk van mijn vader. Vorig jaar met ­corona zijn ze echt bijgesprongen. Voel ik me daar schuldig over? Nee, maar ik vind het wel een klein beetje ­gênant.”

“De band met mijn moeder is hecht, maar de band met mijn ouders is sowieso veranderd, dat is inherent aan ­ouder worden. Toen ik 18 was, had ik ze op een voetstuk staan: die hebben de waarheid in pacht. Toen ik 28 was, zag ik ze al meer als gelijkwaardig, maar ik vond het nog af en toe lastig om ze echt als mens te zien. Dan kon ik schrikken: huh, dit was toch niet de afspraak, jullie waren toch perfect? Dat is nu helemaal over. Er is geen verbazing als ze ineens uit hun slof schieten. Het zijn gewoon mensen.”

Alexandra in 2001. Beeld Raimond Wouda
Alexandra in 2001.Beeld Raimond Wouda

God

18:
“Ik geloof wel dat er een soort beschermengel, of ­whatever, een bepaalde macht over je waakt. Dat hoeft niet per se God te zijn. Reïncarnatie, daar geloof ik in. De zin van het leven is volgens mij dan ook: doorgaan naar een volgend leven. Maar dat wil nog niet zeggen dat ik niet bang ben voor de dood. Ik heb in dit leven nog helemaal niks gedaan! Als ik nu dood zou gaan, zou ik helemaal gek worden.”

28:
“O God... Ik heb al heel lang niet over God nagedacht, kan ik je vertellen. Omdat ik meer bezig ben met het leven. En wat die reïncarnatie betreft: ik zou het een beetje loos ­vinden dat we aan het zwoegen zijn nu, een heel leven, om naar een volgend leven te komen. Voor mij is het overzichtelijker als ik hier en nu leef, en daar het beste van probeer te maken.”

“Ik ben niet bang voor de dood. Wel dat ik doodga. Voor Karel. Ik fiets niet meer door het rode licht, ik ben ontzettend bang dat mijn man een auto-ongeluk krijgt. Als het bliksemt, ben ik ervan overtuigd dat het bij ons inslaat. ­Zulke stomme angsten heb ik gekregen. Moederinstinct, denk ik.”

38:
“Ik zit me de laatste tijd een beetje te verdiepen in het boeddhisme. Dus dat is ook God. Heel onverwacht, maar ik merk dat ik een soort houvast aan het zoeken ben. Soms, als je wat ouder wordt, is het jammer dat niet iemand tegen je zegt waar je heen moet. Dan ga je kijken waar je een soort sturing kunt vinden, en zo ben ik bij het boeddhisme ­beland. Misschien zijn het wel oefeningen om een beetje met het leven om te gaan. Tot nu toe heeft het nog niet per se met God te maken. Ik vond het vroeger heel belangrijk om uit te spreken dat ik niet in God geloofde. Dat is echt anders geworden. Dat komt omdat ik, hoe ouder ik word, steeds minder dingen echt zeker weet.”

“Ik ben niet echt bang voor de dood, ik ben wel bang dat andere mensen doodgaan. Zoals de mensen van wie ik hou, en vooral Karel. Op de een of andere manier heb ik ­altijd het gevoel dat ik in geleende tijd met hem ben. We wonen aan het water en hij kan echt goed zwemmen, maar ik zit als een soort gestoorde heks aan die waterkant. Vroeger dacht ik dat het een soort voorgevoel was. Maar het is het allerergste dat ooit kan gebeuren, dus daar gaat aandacht naartoe. Ik probeer het uit mijn hoofd te zetten, maar ik vind dat heel moeilijk. Ik ben wel echt zo’n ­helikopterouder.”

De ideale dag

18:
“Ik sta om half tien op. De dag moet wel lang zijn als hij ­ideaal is. Dan gaan we met zijn allen naar Bloemendaal, naar het strand, met iedereen die ik lief vind, naar de ­Republiek. We zitten de hele dag aan het strand, chillen en drinken en zwemmen en leuke muziek. Na zonsondergang gaan we weg. Uit eten. In de Supperclub. We blijven tot een uur of één en dan gaan we naar een feest, het maakt niet uit welk. Om een uurtje of zes, zeven gaan we naar huis. Mijn vriendje gaat met me mee.”

28:
“Moet je nagaan, dat vond ik toen extreem vroeg, de ­wekker om half tien. Maar op mijn ideale dag nu gaat de wekker wéér om half tien. Kan ik verdomme een keertje uitslapen! Nee, de wekker gaat helemáál niet. Ik word wakker wanneer ik wakker word. Omdat mijn man Karel heeft meegenomen. Rond een uur of elf maak ik ontbijt voor ons alle drie. Hé, ik ben stiekem toch wel een huismoedertje, dat doet me deugd.”

“We gaan lekker wandelen door de stad. Gewoon, rustig, dat we niks hoeven, de hele dag harry’en. ’s Avonds eten met vrienden en dan lekker vroeg mijn bed in.”

“Zo spannend is het allemaal niet, maar slapen is echt heel belangrijk voor me, en met een baby is alles zó ­uitgestippeld, dan is mijn perfecte dag kijken wat de dag ons brengt – dat gevoel van vrijheid mis ik nu gewoon heel erg.”

38:
“Ik denk dat ik om half negen opsta. Dan heb ik toch nog een klein beetje uitgeslapen, maar niet dat ik me schuldig voel. Dan drink ik koffie. Daar kijk ik elke dag naar uit, ­gelukkig ook nog sinds ik vorig jaar stopte met roken.”

“Wat ga ik dan doen…? Ik wist al dat ik moeite zou krijgen met deze vraag, want het gaat er nooit om wat ik doe ­tijdens zo’n dag, maar hoe ik me voel. Een beetje een ­niksige dag kan al heel prettig zijn. Gewoon, rustig en in balans.”

“Goed, na het kopje koffie ga ik lang wandelen met de hond, een uur, anderhalf uur. Karel zit dan te gamen. En niemand zeurt aan mijn kop als ik wakker word, want het is wel een zaterdag. Dan gaan we naar een museum, Karel vindt het Stedelijk Museum helemaal te gek. Het Rijks vindt hij ouwe meuk. Dan ergens heel erg lekker lunchen, ik denk Restaurant Amsterdam. Daarna naar huis, films kijken, eten bestellen en naar bed.”

“Te snel? We kijken drie Marvelfilms, ik maak voor Karel iets wat hij lekker vindt, en Bastiaan en ik bestellen hele pittige Thai. Dan heeft iedereen wat hij wil en hoef ik niet twee gerechten te koken. Voor Karel maak ik dan lasagne, denk ik. O nee, beter iets snels, couscous of zo, want lasagne zou ik dan ook zelf eten, want dat is te veel gedoe. Het moest van jou in de details, toch? Wat er ook bij hoort, is heel lang voorlezen, waarvan ik blij ben dat Karel dat leuk vindt. Niet veel later ga ik ook naar bed. Ik slaap nog steeds veel.”

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden