PlusInterview

Afaina de Jong: ‘De architectuur hier mist vrouwen’

Afaina de Jong (43), architect in residence bij architectuurcentrum Arcam. Beeld Ernst Coppejans
Afaina de Jong (43), architect in residence bij architectuurcentrum Arcam.Beeld Ernst Coppejans

Afaina de Jong (43), architect in residence bij architectuurcentrum Arcam, onderzoekt de rol van feminisme en vrouwen in de architectuur. ‘Er zijn weinig rolmodellen.’

“Ik ga een beetje meta,” zegt Afaina de Jong over haar aanstelling in oktober als architect in residence bij architectuurcentrum Arcam. “In plaats van me bezig te houden met gebouwen en plattegronden, neem ik een stapje terug om te kijken waar we als architecten staan in relatie tot ­opdrachten, onze manier van werken en onze sociale agenda. Maar ook om de vraag te stellen: hebben we nieuwe definities, denkrichtingen, waarden en concepten ­nodig om de stad en de maatschappij te begrijpen? Is het vocabulaire dat we dertig, veertig of honderd jaar geleden hebben ontwikkeld nog bruikbaar in de wereld die zo veel complexer is geworden?”

Uit De Jongs mond is dat een retorische vraag met een negatief antwoord. Een van haar activiteiten als architect in residence is het opstellen van een top 10 met must read publicaties over feminisme en architectuur. In een virtuele en publiek toegankelijke boekenclub worden de teksten getest op hun potentie om het oude architectonische denken te bevragen.

“Een begrip als tabula rasa, het werkveld als onbeschreven blad, kan echt niet meer,” zegt De Jong. “Le Corbusier ging naar Algerije of India en zette daar een compleet nieuwe stad neer vanuit de gedachte: hier is niets, ik vul het wel in. Die gedachte leeft in de hedendaagse architectuur nog steeds voort in het idee van ‘the void’, de leegte. De ruimte waarvoor wordt ontworpen is niet leeg, maar gevuld met sociale relaties en geschiedenissen.”

Die onbeschrevenbladopvatting leidt nogal eens tot ­gebouwen die als ruimteschepen in het stedelijk landschap lijken te zijn neergedaald en zelden goed functioneren. Als voorbeeld noemt De Jong het reusachtige universiteitsgebouw Maupoleum, dat in 1971 aan de kop van de Jodenbreestraat werd neergepoot, totaal verloren in de ruimte stond en amper een kwart eeuw later alweer werd gesloopt. “Een gebouw moet een katalysator zijn tussen de gebruikers en de omgeving,” aldus De Jong. “Een gebouw zonder context blijft niet lang staan.”

Starchitects en iconen

De Jong kreeg haar vak met de paplepel ingegoten. “Mijn vader was architect en ik ging mijn hele jeugd met hem mee naar de architectuurfaculteit in Delft waar hij les gaf. Bovendien groeide ik op het Amsterdam van de jaren ­zeventig en tachtig. We woonden in de wijk die nu Westerpark heet, tussen de fabrieken en kraakpanden. Er was punk en later hiphop. Ik ben altijd bezig geweest met de stad en haar inwoners: wat doet iedereen en hoe hangt dat aan elkaar ? Voor mijn studiekeuze kwam ik uiteindelijk uit bij bouwkunde.”

Haar studietijd in de jaren negentig viel samen met een bloeiperiode van de Nederlandse architectuur. “Jonge ­bureaus als MVRDV en NL Architects bouwden vrij, conceptueel en met humor. Ze vertelden verhalen met ruimtelijkheid, dat sprak me erg aan. Het was ook de tijd van starchitects en iconische gebouwen, dat vond ik minder.”

Na haar afstuderen vertrok ze daarom naar Japan om ­onderzoek te doen bij de denktank Hakuhodo Institute of Life and Living. “Een van mijn onderzoeken ging over daklozen in Tokio. De economische bubbel was daar net ­gebarsten. Veel kleine ondernemers waren failliet gegaan en stonden op straat, waar ze tijdelijke huizen maakten van gevouwen karton en blauw plastic. Ik heb veel gefotografeerd en gesprekken gevoerd. Dat mondde uit in mijn eerste publicatie.”

Terug in Nederland kwam ze terecht bij AMO-OMA, het bureau van Rem Koolhaas, dat geldt als de top van de ­internationale architectuurpiramide. “Ik heb er veel ­geleerd. Het tekstueel onderbouwen van ideeën, een ­bevragende houding aannemen, het werken in verschillende media en kei-, keihard werken. Maar nadat ik in één jaar voor vier jaar werk had verzet, dacht ik: als ik zo hard werk, werk ik liever voor mezelf.”

Meer kleur en zachtere materialen

Haar in 2005 opgezette bureau Afarai houdt De Jong ­bewust klein zodat ze geen opdrachten hoeft aan te ­nemen puur om de motor draaiende te houden en niet al haar tijd kwijt is aan managen. Ze kan zelf ontwerpen en thema’s uitdiepen. In vijftien jaar tijd heeft ze een eigen en herkenbare vormentaal ontwikkeld, die ze het liefst toepast in de openbare ruimte.

“Ik werk veel met schaal. De meeste publieke gebouwen hebben een monumentale uitstraling die iets zegt over de nationale identiteit of de aard van het instituut dat erin huist – iets groots en verheven boven de persoon. Ze zijn eropuit te imponeren en schrikken daarmee groepen af die zich niet in de symboliek herkennen. Ik ontwerp liever uitnodigende ruimtes. Naar menselijke maat, maar dan moet je wel definiëren welke mens. Honderd jaar geleden konden vrouwen niet zomaar de straat op. De openbare ruimte was gemaakt door en voor mannen.”

Dat is in zekere mate nog steeds zo, zegt De Jong. “Daarom is er zo weinig sociale interactie. Buiten de terrassen is de ruimte zo ontworpen dat je er niet snel blijft staan of zitten voor een praatje. Ik ben benieuwd wat er zou gebeuren als meer vrouwen betrokken zouden worden bij het vormgeven van straten en pleinen. Ik zou heel iets anders willen doen: meer kleur gebruiken en zachtere, meer transparante materialen.”

De publieke ruimte waar De Jong nu het meeste in werkt, is het museum. Vorig jaar maakte ze het alom geprezen tentoonstellingsontwerp voor De tranen van Eros in het Centraal Museum. “Omdat het tijdelijke constructies in een gecontroleerde omgeving zijn, heb je bij tentoonstellingsontwerp best veel vrijheid. En het zijn korte trajecten. Ik werk momenteel ook aan twee museumpaviljoens, niet eens grote gebouwen, maar dat duurt jaren en het project kan halverwege altijd weer worden afgeblazen.”

Aan het ontwerp voor de aanstaande Slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum werkte De Jong bijna twee jaar. “Het museumgebouw zelf draagt nationale trots uit, die ten tijde van de bouw ook volop koloniaal was. Daar wil ik op reageren. In de zalen heb ik ruimtes gecreëerd die geïnspireerd zijn op de schaal van de architectuur ten tijde van de slavernij. Zoals de huisjes van tot slaaf gemaakten, met lage deurtjes waardoor je moest bukken en plafonds die rechtop staan onmogelijk maakten. De ruimtes zijn deels onzichtbaar, zoals de misstanden in de koloniën grotendeels buiten het zicht van de Nederlandse bevolking plaatsvonden. Ik werk met spiegels, waardoor de bezoeker soms zichzelf gereflecteerd ziet en op andere momenten erlangs kijkt en de verhalen van tot slaaf gemaakten ziet.

Mannencultuur

De Jong zou best meer gebouwen willen ontwerpen, al was het maar om de balans te beïnvloeden. “Als ik door ­Amsterdam loop, realiseer ik me dat 99 procent van al het ­gebouwde is ontworpen door oudere, witte mannen. Wat architectuur is of hoort te zijn, wordt nog steeds bepaald door een clubje geprivilegieerden, die zich gesteund door welvarende ­ouders onbetaalde stages bij topbureaus kunnen veroorloven en kunnen investeren in een eigen ­bureau.”

Het aandeel vrouwen blijft in de architectuur sterk achter bij andere sectoren. Onder studenten is de man-vrouw verhouding 50/50, maar bij bureaus is slechts 19 procent vrouw. “Misschien omdat de werkdruk slecht te combineren is met kinderen,” verklaart De Jong. “Bovendien heerst er een mannencultuur waarbinnen de expertise van vrouwelijke werknemers vaak in twijfel wordt getrokken. Er zijn ook weinig rolmodellen. De weinige vrouwen aan de internationale top hebben geen gezinnen.”

“Toen ik studeerde aan de TU Delft, had ik geen ­enkele vrouwelijke docent. Toen ik ging lesgeven, was ik de enige vrouw van kleur. Onlangs ben ik aangesteld als hoofd van de masteropleiding Contextual Design aan de Design Academy Eindhoven. Nu kan ik zelf het lesprogramma vormgeven. En dat voor een diverse groep studenten, van productontwerpers tot social designers. Dat is leuk; er is minder snel consensus over wat goed is.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden