PlusInterview

Actrice Elsie de Brauw: ‘Dat is zo heerlijk aan acteren: er gaat nooit iemand echt dood’

Actrice Elsie de Brauw (60) was ooit een stotterend meisje dat als puber haar vader verloor. Haar emoties geeft ze vorm door acteren: een gemis toen ze thuiszat tijdens de lockdown. ‘Zodra ik de jas van die ander, van het personage, aantrek, kan ik mijn eigen gedoe achterlaten.’

Elsie de Brauw: ‘Ik moest me eigenlijk nog afzetten, maar dat ging niet meer toen mijn vader was overleden.’Beeld Frank Ruiter

Elsie de Brauw komt voorrijden bij het station van Geldermalsen in de rode cabrio van haar man, regisseur Johan Simons. In haar eigen auto is het zo’n rommeltje dat ze het gênant vindt er een onbekende in op te halen, zegt ze. De Brauw en Simons wonen al dertig jaar in het nabijgelegen dorpje Varik, in een prachtig oud schoolgebouw. Hun zonen Warre en Willem groeiden daar op. Nu hebben ze nog gezelschap van witte herder Coco.

De Brauw geeft een fietser voorrang terwijl zij eigenlijk eerst mag. De meneer kijkt boos, niet dankbaar. Ze grinnikt: “Dat is omdat deze auto een Duitse nummerplaat heeft.” De avond ervoor had ze première van een stuk van Schauspielhaus Bochum, een befaamd stadstheater in het Ruhrgebied, zegt ze even later. De Brauw heeft daar sinds 2018 een aanstelling in het vaste ensemble actrices en acteurs, Simons is de artistiek leider van het gezelschap. Die Befristeten van Elias Canetti is de eerste productie sinds de coronalockdown.

“In het stuk is de naam van mensen gelijk aan hoe oud ze worden, dus iemand heet Twaalf, of Zestig, of Drieënveertig. Angst over wanneer je doodgaat, is daarmee verdwenen. Niemand, behalve jijzelf, weet wanneer jouw laatste verjaardag precies is. Wanneer je jarig bent wordt dan weer een taboe, in een maatschappij waarin iedereen angstvallig geleefd wordt door zijn of haar jaren. Het is een interessant stuk in deze tijd, met alle restricties en de acute doodsangst door de pandemie. Je kunt ook De pest doen, maar dat is zo letterlijk.”

Terwijl ze koffie maakt in de keuken van de oude school, zegt ze dat ze zeker één keer per jaar in een Nederlandse productie wil spelen — komend seizoen bijvoorbeeld in Instead of Heroes bij het Zuidelijk Toneel — omdat ze van het land en haar moedertaal houdt, maar dat ze blij is verbonden te zijn aan een Duits ensemble. “Ik hou van werken met een vaste groep. En het is goed voor een stuk: doordat er historie is, kun je intiemer spelen. Je hoeft als spelers niet elkaars beste vrienden te zijn, maar je begint niet steeds bij nul, je kunt voortbouwen. Werken in Duitsland is bovendien fijn, omdat Duitsers willen dat theater schuurt. De vraag of en hoe je een groot publiek bereikt, is er niet relevant. Ik heb het idee dat in Nederland iedereen alle podiumkunst moet kunnen begrijpen en waarderen.”

Moet musical min of meer op dezelfde lijn staan als theater?

“Ja, maar we zouden verschillen veel meer moeten erkennen en bevorderen, zoals we ook stripverhalen en literatuur hebben. Je gaat bij Dostojevski ook niet zeggen: er moeten plaatjes in want anders begrijpen de mensen het niet. Het is en en, niet en of.”

We verhuizen naar een houten tafel onder een afdak in de tuin. Ze vertelt over Kunst in de Klas, de stichting waarmee ze met studenten van toneelscholen en academies voor beeldende kunst naar basisscholen gaat, vaak in achterstandswijken, om met de leerlingen in drie weken tijd een voorstelling te maken. In oktober trekt het team naar De Kernschool in Zaandam, waar net gearriveerde migrantenkinderen worden opgeleid voor het gewone basisonderwijs.

De Brauw begon 25 jaar geleden met Kunst in de Klas op de dorpsschool in Varik, waar haar zonen naartoe gingen. Warre kwam thuis met een tekening waarop hij de zon zwart had gemaakt. De juf schreef erbij: heel mooi, maar de zon is geel. “Alles moest volgens de realiteit. Het was voor mij de aanleiding De kleine prins te gaan spelen met zijn klas. Pratende rozen enzo, en een hoed die geen hoed is maar een boa constrictor met een olifant in zijn buik. Jaren later hoorde ik nog van zijn oude klasgenoten terug dat het hun blik veranderde. Dat was voor mij een reden ermee door te gaan.”

“Leerkrachten vinden onze komst in het begin vaak griezelig. Zij zijn bezig de orde te bewaren, kinderen binnen de lijntjes te laten kleuren en wij brengen chaos en de boodschap dat alles mogelijk is: begin maar, toe maar, niks is gek of verkeerd. Het werkt als een trein, elke keer weer. We zetten een luikje open bij die kinderen en hun fantasie tuimelt naar buiten. Ze hoeven niet allemaal kunstenaar te worden, absoluut niet, maar weten dat het bestaat is van wezenlijk belang; kinderen moeten buiten de lijntjes kunnen kleuren en fouten maken om nieuwe dingen te ontdekken. Anders is het leven zo saai en kunnen ze later alleen genieten van realistische kunst als soapseries. Het creatieve luikje, anders leren denken, sterft af als niemand ertegenaan duwt, en dat is voor de wereld een ramp, ook buiten de kunst.”

Komt u uit een kunstzinnige familie?

“Helemaal niet. Ik kom uit een Haagse advocatenfamilie. Mijn grootvader richtte een kantoor op, voortgezet door mijn vader, dat later fuseerde met twee andere kantoren (het heet nu De Brauw Blackstone Westbroek, op de Zuidas, red.). De bedoeling was dat ik ook een universitaire studie zou doen, maar dat is uiteindelijk anders gelopen. Ons gezin zat vreemd in elkaar: eerst vier kinderen, toen een hele tijd niets, daarna nog een dochter en weer acht jaar later kwam ik, als extreem nakomertje — mijn oudste zus is 81. Toen ik vijftien was, verongelukte mijn vader, met wie ik een hechte band had. Daarna hoefde ik eigenlijk niets meer, want niemand lette er nog op.”

Tekst gaat verder onder de foto

Elsie de Brauw: ‘Er hoeft maar één iemand te zijn, liefst in je lagereschooltijd, die je creatieve luikje aanraakt waardoor je de wereld en jezelf vanuit een ander perspectief kunt waarnemen.’Beeld Frank Ruiter

Wat is er met hem gebeurd?

“Hij liep onder een bus. Het was in de herfstvakantie. Ik was met mijn vriendje — ik was jong seksueel actief — en een groep vrienden in Zeeland. Mijn vader belde me daar nog om te vragen of ik wel voorzichtig was. Ik reageerde als een puber, rollen met mijn ogen: jaaahaaa. Een dag later werd ik gebeld dat er iets ergs was. Een rare, filmachtige situatie krijg je dan. Ik zoomde uit en keek naar mezelf in de kring van verdrietige mensen: goh, zo voelt het als je vader doodgaat op je vijftiende. Ik moest me eigenlijk nog afzetten, maar dat ging niet meer want ik kon moeilijk mijn moeder het leven zuur maken. Wij bleven met zijn tweeën achter. Ik leidde een gespleten leven. Buiten leefde ik me uit, deed van alles wat niet mocht om maar verlost te zijn van de druk van het eeuwige rouwen. Thuis was ik voorzichtig, verantwoordelijk en wegcijferig om maar te zorgen dat het redelijk ging met mijn moeder, terwijl zij niet bezig was met het feit dat er wel meerdere mánnen zijn op de wereld, maar dat een kind maar één vader heeft.”

Coco komt aangerend. Ze aait haar een tijdje. “Ik blijf het idioot vinden hoe zo’n kort ogenblik de levens van zoveel anderen totaal beheerst, voor altijd. Het is echt mijn diepste wond, en hij gaat ook niet weg.”

Wanneer merkt u dat nog?

“Daar kun je, denk ik, nooit precies een vinger op leggen, maar ik had er tijdens de lockdownperiode bijvoorbeeld last van dat ik geen vorm kon geven aan mijn emoties. Johan zei tijdens die zes weken thuis: jij gaat per dag wel drie keer over de kop. En dat is zo. Onder normale omstandigheden heb ik het alleen niet zo in de gaten omdat ik er altijd een vorm voor heb door te spelen. Daar kan alles in. Nou ja, daar is kunst natuurlijk voor, om het allemaal een beetje mooi in te verpakken en vorm te geven. Zodra ik de jas van die ander, van het personage, aantrek, kan ik mijn eigen gedoe achterlaten.”

“De eerste keer dat ik voelde dat ik ergens in kon verdwijnen was trouwens ver voor mijn vaders dood. Ik ben een stotteraar. Als kind had ik het moeilijk, want toen stotterde ik erg en daar werd ik mee gepest op school. Op een gegeven moment had ik daar zo genoeg van dat ik precies zo ging praten als mijn acht jaar oudere zusje, tegen wie ik enorm opkeek. Ik speelde haar eigenlijk, en als ik dat deed, hield het stotteren op. Dat was mijn eerste rol. Ik weet nog dat ik dacht: nu ben ik een veel leuker iemand.”

Snapt u waarom u soms stottert?

“Het heeft met zelfvertrouwen te maken. Nog steeds. Als ik na een voorstelling de kroeg in kom en ik vind dat ik goed heb gespeeld, gebeurt het niet. Het is een mysterieus gebied. Toen ik acht jaar was, kreeg ik een juf die zong. Zij had snel door dat ik ook kon zingen en dat ik niet stotterde als ze me liet voorzingen. Dat veranderde mijn positie in de klas, ineens was ik niet meer dat stotterende minkukeltje, maar een meisje met een mooie stem.”

“Dat hoort ook bij mijn motivatie voor Kunst in de Klas: er hoeft maar één iemand te zijn, liefst in je lagereschooltijd, die je creatieve luikje aanraakt waardoor je de wereld en jezelf vanuit een ander perspectief kunt waarnemen. Bij heel veel kansarme kinderen in kutsituaties komt zo iemand gewoon nooit langs. We waren een keer op een school waarop veel kinderen zaten die in het asielzoekerscentrum in Amersfoort woonden. De kinderen daar waren depressief omdat ze maar zaten te wachten. Ze leefden zo op van het besef dat er naast de realistische wereld nog een andere bestaat, waar de zon niet geel is en vissen kunnen vliegen. Op een sleutelmoment iemand tegenkomen die je daarheen brengt, al is het maar voor even, kan je leven veranderen.”

Was Johan Simons een sleutelfiguur voor u?

“Toen ik Johan ontmoette was ik zelf al een eindje op weg, maar hij is natuurlijk wel belangrijk geweest voor de loop van mijn leven. En andersom. Hij kwam lesgeven op de toneelschool in Maastricht toen ik in mijn laatste jaar zat. Het was consensueel, zoals we nu weten dat het heet.”

Tekst gaat verder onder de foto

Beeld Frank Ruiter

Wat nu ook niet meer kan.

“Nee, vanwege de machtspositie. Vind ik ook hoor, dat het niet kan. Maar in die tijd dacht je daar helemaal niet over na, het was gewoon zo, seks en liefde tussen docenten en leerlingen. Ik zat in een klas met alleen meisjes en onze docenten waren bijna allemaal mannen. Ik werd nog bij de studiebegeleider geroepen om de waarschuwing in ontvangst te nemen dat het er slecht voor me zou uitzien als ik geen korte rokken en hoge hakken ging dragen. Echt achterlijk, maar helemaal niet zo gek lang geleden — halverwege de jaren tachtig.”

“Johan had in elke klas een vriendin, dat vond ik heel stom, maar wat hij maakte vond ik geweldig. In het laatste jaar van de toneelschool mag je als klas een regisseur kiezen om een stuk mee te maken. Ik zei tegen mijn klasgenoten dat we Johan moesten vragen omdat hij zo goed was, maar dat één van ons dan niet ook iets met hem moest beginnen. Haha. De voorstelling van onze klas werd prachtig, voor een groot deel dankzij hem. Daardoor ging ik gaandeweg anders naar hem kijken en steeds meer voor hem voelen. Dat is niet overgegaan. Johan en ik vinden elkaar altijd in smaak, het is ons sterkste bindmiddel.”

Jullie hebben vaak samengewerkt in het verleden en doen dat nu weer bij Schauspielhaus Bochum. Hoe is dat?

“Ik vind het voor het eerst in lange tijd weer leuk.”

Want?

“Ik moet even nadenken hoe ik het zal zeggen. Eh, door andere regisseurs word ik altijd met zeer veel egards behandeld. Dat doet Johan niet. Hij windt nergens doekjes om en brengt dingen op vrij dominante toon tijdens het regisseren: ‘Wat sta jij hier te doen? Ga weg. Aan de kant.’ Op die toer. Daar kan ik helemaal niet tegen. Autoriteit verdragen gaat bij mij sowieso niet vanzelf. Ik krijg de neiging dat te ondergraven, wat ook heel irritant kan zijn.”

“Maar de coronatijd heeft Johan en mij goed gedaan. We zijn niet gewend zoveel tijd met elkaar door te brengen, thuis. Kort na het begin van onze relatie kreeg ik ons eerste kind. Ik ging niet minder spelen, hij ook niet minder werken, er kwam nog een kind. Zo kwamen onze levens in een stroomversnelling die nooit is gestopt. We zijn ook gewend allebei ergens anders te werken, in een ander land. Vaak zagen we elkaar alleen op zondag. Nu waren we zes, zeven weken samen in Varik. We konden veel langer doorpraten over dingen die we anders laten liggen. En we hebben zó lekker gegeten. Johan kan verschrikkelijk goed koken.”

Vanuit het huis horen we Simons luidkeels Lang zal ze leven zingen voor iemand aan de telefoon. De Brauw moet erom lachen. Dan gaat de kerkklok, keihard en schijnbaar eindeloos. Daar moet ze ook om lachen. “Hij doet het drie keer per dag, om zeven uur ’s morgens, om twaalf uur en dan weer om zes uur. Ik denk dat het ooit bedoeld was voor de mensen op het land, toen nog niemand een horloge had. Eén: opstaan, twee: middageten, drie: het werk is klaar. Lekker overzichtelijk.”

Als de klok stil is, zegt ze: “Dat deed corona toch ook heel erg met je? Je het gevoel geven dat je de situatie niet zelf in de hand hebt, de controle kwijt bent? En dat is dan vaak weer weggemoffelde woede, heb ik geleerd in therapie. Als ik me overdreven boos maak over kleine kutdingen - verkeerde rij bij de kassa, de afwasmachine die niet goed doorstroomt - weet ik altijd: ik ben eigenlijk over iets heel anders ontzettend boos. Wat kan het zijn? Woede is een negatieve emotie in onze maatschappij, die mag je niet openlijk ventileren, dat wordt je zeker als meisje snel afgeleerd. Daarom moet je het af en toe, vooral als je je druk maakt om niets, denkbeeldig uiten. Als je in je hoofd iemand even lekker in de grasmaaier hebt geduwd, ben je het daarna kwijt. Echt, het helpt zo erg.”

Stopt u ook mensen die u het meest dierbaar zijn in de grasmaaier?

“Juist. Mijn vader moet ik alsmaar vermoorden, want die heeft mij in de steek gelaten: doei, ik ben weg, zoek het maar uit met die akelige moeder. Kon hij niets aan doen, wilde hij ook niet, maar daar gaat het dan even niet om natuurlijk. Het gaat erom dat ik me in de steek gelaten voelde en dat als ik de boosheid erover even heel erg mag toelaten van mezelf, er iets wegvloeit van die bangheid en die controledrift waar we zo veel last van hebben.”

“Dat is ook zo heerlijk aan spelen. Je beweegt je in een afgepaste, gecontroleerde wereld die je een vrijheid geeft, maar waarin nooit iets definitief misloopt. Er gaat nooit iemand echt dood en je wordt nooit echt verraden door je moeder of je geliefde. Het is er heel veilig. Ik zeg vaak tegen studenten op de toneelschool die, net als ik destijds, allemaal bang zijn dat ze het fout doen: waarom zou je bang zijn? Je bent geen chirurg of piloot, er staat niets op het spel. In godsnaam, struikel en val, want dan vind je de mooiste dingen. Krampachtig ‘goed’ willen spelen is bovendien het lelijkste wat er is.”

Tekst gaat verder onder de foto

Beeld Frank Ruiter

Vermoordt u uw vader ook weleens tijdens het spelen, en helpt dat dan ook?

“O nee, nooit tijdens, want dan ben ik niet Elsie. Maar ik doe het wel als ik stik van de faalangst, zoals toen ik voor het eerst een voorstelling in het Duits moest spelen en alsmaar stemmen hoorde die zeiden dat ik het niet kon. Daarna ging ik onbezwaard op. Het is zeer aan te raden, in allerlei situaties.”

“Ik weet nog dat ik het vroeger thuis ook deed, in die chaotische toestand van werk en kleine kinderen. Jongetjes van vier en zes, een puppy die overal op en in springt, en dan zo’n ochtend waarop het ineens regent en iedereen laarzen aanmoet die onvindbaar zijn, Johan die zich niet geroepen voelt iets te doen, en je overvallen wordt door het gevoel dat niets meer in je macht ligt. Ik liet mijn woede niet merken want je wilt kinderen geen schrik aanjagen, maar ik drukte Johan in gedachten eventjes tegen de muur, met de hond erbij. Je fantasie schiet je dan te hulp, zoals zo vaak. Tenminste, als het luikje naar een niet-realistische wereld openstaat.”

Elsie de Brauw

30 juli 1960, Den Haag

1972-1978: Vrijzinnig-Christelijk Lyceum, Den Haag
1979-1980: Theologie, Rijksuniversiteit Groningen
1980-1983: Psychologie, Rijksuniversiteit Groningen
1984-1988: Toneelacademie Maastricht
1988/1989: Fact, Bonheur
1990-2000: Theatergroep Hollandia
2001-2005: ZT Hollandia
2005-2017: NT Gent
2006: Theo d’Or (Opening Night)
2007: Gouden Kalf (Tussenstand)
2011: Theo d’Or (Gif)
2017/2018: o.a. Kunst in de Klas; Mooi Weer & Zo; docent Amsterdamse Toneelschool & Kleinkunstacademie
2018-heden: Schauspielhaus Bochum
2020: Kunst in de Klas; Zuidelijk Toneel (Instead of Heroes); films Drijfzand, Zee van tijd, Drama Gir

Elsie de Brauw is getrouwd en heeft twee zonen. Ze woont in Varik, met man en hond.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden