Van achter naar voren: Pim Boekel, Jannie Plooijer-Kieft en Iko van Elburg.

Plus Reportage

Aan de bak bij de Eerste Amsterdamse Sjoelvereniging

Van achter naar voren: Pim Boekel, Jannie Plooijer-Kieft en Iko van Elburg. Beeld Ivo van der Bent

Nadat de bak bestrooid is met aardappelzetmeel en kaarsrecht ligt, kan de serieuze competitie van de Eerste Amsterdamse Sjoelvereniging (EASV) beginnen. ‘We zijn net scherpschutters.’

In een afgehuurde feestzaal – er is een bar en er hangen slingers, vlaggetjes en ballonnen aan het plafond – aan het Bilderdijkpark staat Eric Roosendaal (63) licht gebogen achter een houten bak. Van een feeststemming lijkt geen sprake: zijn ­gezicht staat gespannen, zweet drupt van zijn voorhoofd op de mouwen van zijn zwarte overhemd – zijn wedstrijdtenue.

Het linkerbeen staat voorwaarts gestrekt, het rechterbeen losjes onder de heup. Roosendaal kijkt naar de gleuf achter in de bak, naar de sjoelschijf in zijn hand, en weer terug naar de gleuf. Dan schuift hij. De schijf glijdt tergend langzaam richting de linkergleuf, Roosendaal kijkt zijn worp na en ziet de schijf via de zijkant van de bak door het poortje schuiven. Hij balt zijn vuist: 144 punten. Dat is ­boven zijn gemiddelde (van 136). Hij noteert het op zijn scoreformulier. “Mooi, Eric,” zegt Iko van Elburg (51), die als jury aan tafel zit. Het is het eerste en laatst wat hij zegt tegen zijn tafelgenoot deze ronde. Een hoge score gedijt bij volledige concentratie, en dus stilte.

Geen jeugd

Roosendaal is voorzitter van de Eerste Amsterdamse Sjoelvereniging (EASV), opgericht in 1981. Het is de eerste, maar ook de enige officiële sjoelvereniging in Amsterdam. Het is een van de 59 verenigingen die zijn aangesloten bij de nationale sjoelbond. EASV telt zestien leden die elke woensdagavond aan het Bilderdijkpark competitie spelen. Verdeeld over acht sjoelbakken werken ze hun rondes af, ze spelen er vijftien per avond. De eindscore is de ­gemiddelde score van alle rondes. Wie na 36 speelavonden de hoogste score heeft, mag zich clubkampioen noemen.

Vanavond is de tweede speelavond aan de gang, vorige week is het nieuwe seizoen begonnen. Tijdens de wedstrijd is het muisstil in de zaal. Niemand praat, alleen de sjoelschijven die tegen de randen van de bak ketsen, ­maken geluid. Het klinkt als houthakken, maar dan als acht houthakkers tegelijk die in rap, constant tempo op het hout in rammen. Pok. Pok. Pok. Pok.

Het ledenaantal van EASV neemt gestaag af. Zo’n vijftien jaar geleden waren er nog vijftig leden, daar is nu ongeveer een derde van over. Nieuwe aanwas is er nauwelijks, al ­helemaal niet vanuit de jeugd. Roosendaal maakt zich ­zorgen: “Zodra we onder de grens van tien leden komen, zullen we moeten stoppen.”

V.l.n.r: spelers Alex Pietersen, Teresa van der Klugt en Jannie Plooijer-Kieft. Beeld Ivo van der Bent

Roosendaal weet wel waar het aan ligt. Hij somt op: “De jeugd heeft andere interesses. In bejaardenhuizen wordt veel gesjoeld, maar het gros van de ouderen durft ’s avonds niet alleen over straat, dus die bereiken we niet. Plus: in kleinere steden ­organiseert men zich makkelijker. Neem het Friese Drachten: daar heb je twee sjoelverenigingen, terwijl in Amsterdam twintig keer zoveel mensen wonen.”

Positieve noot: het geringe aantal leden dat er nog is, denkt niet aan stoppen. Vanavond zijn er vijftien competitiespelers die zich in duo’s over de bakken hebben verdeeld (speler en jury). Jannie Plooijer-Kieft (87) blijft over. Omdat ze na de pauze speelt, sjoelt ze op de oefenbak om warm te worden en vooral: te blijven. Ze mag dan 87 zijn, haar worp is vast en beheerst. Ze gooit de de ene na de ­andere schijf in de gleuven. “Ik sjoel al heel mijn leven,” zegt Plooijer-Kieft. “En zit al achttien jaar bij deze club.” Ze komt elke woensdagavond met de taxi vanuit Oostzaan naar Amsterdam. Ook thuis – ze woont alleen – gooit ze ­regelmatig een schijfje. Ze merkt dat de zomerstop erin heeft gehakt. Na twee maanden nauwelijks sjoelen moet ze haar draai weer vinden. “Ooit ben ik Nederlands kampioen geweest. Nog steeds wil ik zo hoog mogelijk scoren, maar nog meer kom ik voor de gezelligheid. Als ik een week niet ben geweest, hoor ik de week erop: ‘Jannie, we hebben je gemist!’ Dat doet me veel.”

Waterpas

“Sjoelen is een concentratiesport,” zegt Van Elburg, die dit seizoen deelnemer en wedstrijdleider is. Hij heeft zojuist een ronde gegooid en is opweg naar de volgende bak. Intussen controleert hij of iedereen volgens de regels speelt, en coördineert het doorschuiven van bak naar bak. “Het is belangrijk dat de spelers na afloop van een ronde wachten tot iedereen klaar is en dan gezamenlijk naar de bak aan hun rechterzijde lopen. Niemand loopt tijdens de rondes. Wordt dat wel gedaan, dan kunnen spelers daar heftig op reageren. Hetzelfde geldt voor praten of aanwijzingen geven tijdens het gooien. Dat hebben de meesten liever niet.”

Ook belangrijk: de bakken moeten van tevoren worden bestrooid met aardappelzetmeel. “Dan glijden de schijven lekker. Je wil geen stroeve bak.”

Iko van Elburg: ‘Dat is het mooie van sjoelen: na een slechte ronde begin je met een schone lei aan een nieuwe bak.’ Beeld Ivo van der Bent

“Vergeet de temperatuur niet,” zegt Roosendaal. ­“Schijven glijden anders op een koude sjoelbak, ketsen vreemd tegen de randen. Hier is het ongeveer 21 graden. Dat is ­prima.” Daarnaast moet de bak kaarsrecht liggen. Daarvoor wordt een waterpas gebruikt. Alex Pietersen (56) wijst naar een sjoelbak in de hoek. “Die helt een beetje naar rechts. Komt door de tafel.” Roosendaal: “Dan moet je een paar millimeter links van de gleuf mikken. We zijn net scherpschutters, eigenlijk.”

Om 21.00 uur is het tijd voor een kwartier pauze. Roosendaal heeft net geïnventariseerd wat men wil eten: vier kleine snacks of een wat grotere kroket. Terwijl de spelers door Roosendaal van eten worden voorzien, vergelijken ze hun scoreformulier. Voor het eerst deze avond is er wat reuring, klinken meerdere stemmen tegelijk door de ruimte. Het is niet van lange duur. De meesten zitten met hun ­gedachten alweer bij de tweede helft.

Er is nog een handvol rondes te spelen. Pim Boekel (28), veruit het jongste lid, zit op een stoel achter zijn sjoelbak, gooit in kalme cadans zijn schijven richting de gleuven. Twee jaar geleden zagen hij en zijn moeder Ellie Warner (61) een oproep in de buurtkrant: de sjoelvereniging zocht leden. Dat leek hun wel wat, al had Boekel nog nooit ­gesjoeld. Hij kwam langs, gooide wat op de oefenbak en werd lid, samen met zijn moeder. “Het is een rustige sport, dat vind ik fijn,” zegt Boekel. “Ik speel zo nu en dan toernooitjes en bouw gestaag mijn score op. Ik begon met tachtig gemiddeld, vorig seizoen 112 en nu zit ik op 120. Mijn tactiek: eerst het midden volgooien en dan de zijkanten. Gewoon via het kantje erin.”

Maximale score

Aan de tafel naast Boekel speelt Pietersen. Hij is een van de betere spelers van de vereniging en kanshebber voor de titel. Niet gek ook, want hij is al 35 jaar lid. “Ik kom hier niet voor recreatie, maar om serieus te gooien.” Pietersen is het tegenovergestelde van Boekel: een temperamentvolle speler. Hij gooit een stuk harder dan de rest. Als het goed gaat, is hij niet te stoppen. Gooit hij slecht, dan heeft hij er niet meer zoveel zin in. Vandaag zit hij aardig op ­schema en flirt in sommige rondes zelfs met de maximale score van 148 (exclusief bonuspunten) – maar die wordt vooralsnog niet gehaald.

Van Elburg, zeker zo fanatiek als Pietersen, heeft een dipje na de pauze. Zijn gezicht gaat steeds droeviger staan. Na wéér een score van 126, ver onder zijn doel van 140, ­verdampt ook zijn laatste restje hoop.

Niet veel later zit de avond erop. In rap tempo worden de sjoelbakken in de berging gelegd en de tafels weer tegen de muur geschoven. Rondom het prikbord, waar elke week de nieuwe tussenstand en top tien hoogste scores worden opgehangen, verzamelen de spelers zich met hun scoreformulier. Van Elburg prikt de scores op het bord, maakt een foto voor de administratie en bergt ze uiteindelijk op in een map.

Hij vergeet deze avond het liefst zo snel mogelijk. “Maar dat is het mooie van sjoelen. Na een slechte ronde begin je gewoon met een schone lei aan een nieuwe bak. Zo werkt het ook na een slechte week, want de week erop kan alles weer ­anders zijn.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden