PlusAchtergrond

75 jaar na de oorlog op zoek naar onderduiker Harry: ‘Ik ben mijn leven aan jouw familie verschuldigd’

Vlnr: Harmen Bakker (jongste zoon), Ulrika Bakker (Sijtsma's oma, roepnaam: Riek), Hil Bakker (oudste dochter), Berend Bakker (vader van het gezin), Sietske Bakker (een na oudste), Jeltje Bakker-Woudsma (moeder gezin), Harry Davids. Beeld Privéarchief

Ruim 75 jaar geleden werd Harry Leo Davids als Joodse onderduiker het ‘oorlogsbroertje’ van de oma van journalist Thomas Sijtsma. Tot groot verdriet verdween Davids uit de levens van de familieleden. Kort voordat corona uitbrak, spoorde Sijtsma hem op en vond hem in Los Angeles. ‘Ik ben mijn leven aan hen verschuldigd.’

“Mooi dat jullie hier allemaal voor me zijn.” Mijn overgrootmoeder vierde tot het eind van haar 97-jarige leven trouw haar verjaardag in augustus. De familieleden kwamen uit alle windstreken naar het noorden van Friesland om gebak bij haar te eten. Ze sprak elk jaar dezelfde slotzin: “Maar er mist nog wel iemand.”

Jeltje Bakker-Woudsma, mijn overgrootmoeder, was getekend door de oorlog en de armoede in de jaren daarna. Als familie beseften we dat elke verjaring haar laatste kon zijn. Ze voedde vier gezonde kinderen op en keek dankbaar terug op haar leven, toch kreeg ze nooit vrede met de gebeurtenissen kort na de oorlog.

Samen met haar man Berend Bakker ontfermde ze zich over een Joods kind, ‘een klein en ondervoed blond kereltje’. Ze zag hem als haar eigen zoon. Een paar jaar na de oorlog werd die jongen, Harry Leo Davids uit het gezin van mijn overgrootouders gerukt waarna hij zijn leven voortzette in Zuid-Afrika. Om diverse redenen verstomde daarna het contact, tot groot verdriet van mijn overgrootmoeder. Dat verdriet uitte ze tot ze haar laatste adem ­uitblies in 2004.

Als tiener wist ik niet veel over Harry Leo Davids, behalve dat hij zat ondergedoken bij mijn overgrootouders in Engwierum en daarna verdween. Zijn verhaal was een pijnlijk hoofdstuk in de familiegeschiedenis. Het werd mij duidelijk gemaakt dat ik beter geen vragen kon ­stellen over meneer Davids.

Na de dood van mijn overgrootmoeder in 2004 wist niemand in mijn directe familiekring waar meneer Davids zich bevond. Volgens diverse familieleden had Davids geen behoefte meer aan contact. Hij wilde niet herinnerd worden aan de oorlog waarin zijn ouders op dezelfde dag werden vermoord in vernietigingskamp Sobibor.

Felle verzetsstrijder

Van mijn oma wist ik dat ze meneer Davids later als volwassen man nog een of twee keer zag. Davids zorgde er persoonlijk voor dat mijn overgrootouders werden onderscheiden met de Yad Vashem. Vooral mijn overgrootvader stond volgens de overlevering te boek als een felle en heldhaftige verzetsstrijder, een van de belangrijke pionnen van het Friese verzet.

Mijn oma Riek Kooyenga-Bakker overleed in september 2018 als laatste kind van het gezin. Haar twee zussen en broertje stierven al eerder. Niemand in de familie had daardoor nog directe herinneringen aan de oorlogsjaren en het Joodse kind Harry. Zijn verhaal dreigde te ­verdwijnen uit ons geheugen.

Dat besef vormde het begin van mijn zoektocht naar Harry Leo Davids. Hij droeg een belangrijk deel van de familiegeschiedenis met zich mee. Ik wilde hem vinden en zijn verhalen optekenen voordat hij te oud werd en misschien kwam te overlijden, zoals het aantal ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog elk jaar afneemt.

Voor het coronavirus uitbrak, zou in Friesland een reünie worden georganiseerd voor Joden die daar in de oorlog als kind onderdoken. Naar schatting waren er van de honderden onderduikers nog slechts zeventig in leven. De rest kwam om door verschillende redenen: verraad tijdens de oorlog, ziektes, ongelukken of inmiddels ouderdom.

Zelfs in de huidige tijd met alle online zoekmogelijkheden bleek Davids moeilijk te vinden. Geen van de familieleden had contactgegevens of een adres van hem. Een Facebookpagina vond ik wel, maar een reactie bleef uit. Leefde hij misschien niet meer? Of had hij echt geen behoefte aan contact?

Via verschillende kanalen probeerde ik Davids te vinden en contacteren. Zonder succes. Naast mij bleek een ander familielid nog fanatieker naar meneer Davids te speuren. Mijn oom Harry Kooyenga, het broertje van mijn moeder, was in 1970 bij zijn geboorte door mijn opa en oma vernoemd naar Harry Davids. De onderduiker had blijkbaar veel indruk gemaakt op mijn oma. Met mijn oom had ik door ons geringe leeftijdsverschil van vijftien jaar een sterke band. We deelden vrijwel al onze hobby’s. Als kind was hij het enige familielid bij wie ik überhaupt durfde te logeren, hij nam mij voor het eerst mee naar een bioscoop en leerde mij ­voetballen.

Oom Harry

Oom Harry is dan officieel mijn oom, onze band voelt meer als een vriendschap of als die van broers. Het is zo’n oom tegen wie je opkijkt en van wie je hoopt dat hij op familiefeestjes verschijnt zodat de verveling niet toeslaat.

De allereerste foto van Sijtsma (r) en zijn oom Harry Kooyenga, 1986Beeld Privéarchief

Hij was uiteindelijk degene die via een omweg contact wist te leggen met meneer Davids – een nicht uit Amsterdam bood ­uitkomst. Al snel volgde in het najaar van 2018 mailverkeer tussen Harry, Harry en mij. Plannen voor een ontmoeting werden gesmeed. Harry wilde Harry ontmoeten, en andersom was dat ook geval. Voor meneer Davids kwam het als een eervolle verrassing dat de zoon van zijn oorlogszus zijn naam had gekregen. Ik zag de ontmoeting als de uitgelezen kans om de familiegeschiedenis op te schrijven. Meneer Davids bleek inmiddels in Los Angeles te wonen en nodigde ons daar uit. Hij schreef dat hij na zijn pensionering als belastingadviseur inmiddels werkte in het Simon Wiesenthal Museum en het Holocaust Museum om met bezoekers het verhaal van mijn overgrootouders te delen. In geen mail liet hij onbenoemd dat mijn overgrootouders Berend Bakker en Jeltje ­Bakker-Woudsma zijn helden waren.

Terwijl mijn oom en ik maandelijks nieuwe flarden aan informatie over ze verzamelden, zochten we samen naar een datum om Davids in Los Angeles te bezoeken. Dat ging moeizaam. Het kostte maanden, en uiteindelijk een heel jaar, tot we overeenstemming vonden.

Doodsvonnis

Achteraf duurde de keuze voor de reis van 4 tot en met 10 februari veel te lang. We vertreuzelden kostbare tijd. Mijn oom Harry voelde zich half december 2019, kort nadat we de data hadden vastgelegd, bar slecht. Zelfs zo slecht dat hij weken in bed lag. Hoofdpijn en misselijkheid teisterden in golven zijn sportieve lijf. De dag na kerst kwam het verdict. Artsen vonden bij een scan van zijn hoofd een hersentumor, een grote. Het bleek zijn doodvonnis. Op 49-jarige leeftijd kreeg mijn oom te horen dat medisch specialisten hem niet meer konden helpen. Zitten ging niet, wandelen al helemaal niet. Hij bleef aan het bed gekluisterd.

Aan dat bed vroeg ik in de weken daarna of ik nog wel naar meneer Davids in Los Angeles moest gaan. We hadden ons samen op bijna kinderachtige wijze verheugd op de bijzondere reis. Als oom en neef naar Amerika; we waren het eens dat het niet anders dan onvergetelijk ging worden. Ik was radeloos nu ik wist dat mijn oom nog hooguit enkele maanden zou leven.

“Je moet naar Los Angeles gaan. Echt, beloof me dat,” zei mijn oom vanuit het ziekenhuisbed dat inmiddels in zijn woonkamer was geplaatst. Hij vermagerde, zijn eetlust nam af. Van de lange, sportieve vent bleef steeds minder over. Sinds de mededeling van de artsen lag hij alleen nog maar op zijn linkerzij om de pijn in zijn hoofd te verlichten. “Ik wil dat je gaat. Kom daarna snel terug zodat ik nog alle verhalen van je kan horen.”

In plaats van mijn oom nam ik mijn drie jaar jongere broertje Ruben mee. Net als ik was hij altijd dol op oom Harry. Deze ervaring wilde ik het liefst met een dierbare delen. Mijn moeder wilde niet van het bed van mijn oom wijken, ze wilde de korte tijd die er nog was bij haar broertje zijn.

Voor vertrek legden mijn broertje en ik drie dagen met meneer Davids vast. De voormalig onderduiker wilde zijn werkzaamheden in de musea laten zien. Wij hoopten dat we die ervaringen nog met mijn oom konden delen, want Harry en Harry zouden elkaar waarschijnlijk nooit meer ontmoeten.

In de laatste voorbereidingen van de trip naar Amerika zocht ik stad en land af naar nog meer informatie over het verzetsverleden van mijn overgrootouders en de oorlogsjaren van Harry Leo Davids. Via boeken, korte documentaires, deskundigen en met behulp van Fries Historisch Centrum Tresoar kon ik een deel van het verhaal blootleggen. Tegelijk bleek dat het onmogelijk was om het hele verleden te beschrijven. Er waren geen directe getuigen meer en van sommige verhalen waren slechts flarden bekend.

Een gevoel van trots overviel me toen ik meer hoorde over de rol van mijn overgrootvader in de oorlog. “Ik weet niet of jouw overgrootvader het in de gaten had, maar hij zat tot aan zijn nek in het verzet. Als hij was betrapt door de Duitse bezetter, hadden ze hem en zijn vrouw meteen omgelegd.”

Marre Faber-Sloots, projectleider bij Tresoar en inmiddels conservator van het Fries Verzetsmuseum, verdiepte zich in de geschiedenis en kwam met deze duidelijke conclusie: “Jouw overgrootvader vocht voor de vrijheid, werkte de bezetter tegen waar hij kon, verborg onderduikers en had tal van illegale werkzaamheden. Hij was dapper en vastberaden.”

Schuilnamen

Dat blijkt ook uit officiële documenten. De voornaamste bron van zijn verzetswerk is een brief die hij zelf kort na de oorlog schreef aan de Stichting ’40-’45. Stap voor stap lichte hij zijn dappere keuzes toe in die brief. Als hervormd christen vond hij in 1940 dat hij geen andere keus had dan zich te verzetten tegen de bezetter: ‘De aanleiding en het motief voor het illegale werk en het verzet was dat mijn vrouw en ik dit hebben gedaan uit principe, uit geloofsovertuiging en uit plicht tegenover ons volk. Laat mij het zo zeggen: omdat wij niet anders konden.’

Mijn overgrootvader Berend Bakker was postbesteller met een postkantoor aan huis en kon in die hoedanigheid onopvallend materialen voor de illegaliteit verplaatsen. Zijn postzakken zaten dikwijls vol met verboden radio’s, koffers voor Joden en andere onderduikers, en later ook wapens en munitie. In het verzet droeg hij verschillende schuilnamen: ­Slager, Piet en op een tweede persoonsbewijs stond de naam Roelof Bouwstra.

Naast de radio’s, koffers en wapens was Bakker betrokken bij andere activiteiten. Na een wapendropping verstopte hij met kameraden de wapens op de zolder van de kerk, verspreidde hij illegale kranten in het noordoosten van Friesland en had hij de functie van verkenner in het verzet. Door zijn werk als postbesteller en – bezorger – zag Bakker bijna dagelijks de Duitse verdedigingsstructuur van strategische plaatsen bij de Lauwerszee. In de avonduren belde hij stiekem die informatie door.

Terwijl zijn vrouw Jeltje en de vier kinderen thuis op hem wachtten, verkeerde ­Bakker meerdere keren in levensgevaar. Zo schoot een Duitse commandant eens op hem, schreef Bakker in een naoorlogse brief. ‘In de boom, waarachter ik stond, ­kwamen kogels terecht. Toen wisten wij, wat wij moesten doen: lopen, lopen, lopen door sloten en vaarten. Om elf uur kwam ik thuis, door- en doornat, met eendenkroos in mijn haar. De Duitse commandant van Dokkumer Nieuwe Zijlen, die op mij had geschoten, bracht ik de volgende morgen trouw de post.’

Revolvers onder het matras

Tegen het einde van de oorlog waren de Duitse bezetters Bakker op het spoor. Mijn overgrootvader dook noodgedwongen vier maanden onder, maar zette zijn verzetswerk onverminderd voort. Hij ­verstopte in die periode geweren, stens en revolvers onder het matras van zijn eigen vrouw. Tijdens de bevrijding vocht Bakker, dan 45 jaar oud, met de geallieerden en de Binnenlandse Strijdkrachten. Het werd een bloedige slag. In zijn brief schreef hij dat aan vijandelijke zijde dertig Duitsers werden verwond of gedood en er nog eens honderd gevangen werden genomen.

Jeugdfoto Davids, datum onbekend.Beeld Privéarchief

Zijn grootste daad van menslievendheid was het verzorgen en grootbrengen van de Joodse onderduiker Harry Leo Davids. Bijna vier jaar lang gaf Bakker kleine Harry net zo veel, en soms net iets meer, liefde als zijn eigen kinderen.

De gevaarlijkste verklikker van het dorp Engwierum, NSB’er Sije ‘Swyn’ (Sije het zwijn), sprak mijn overgrootvader op een zekere oorlogsdag aan over het onbekende kereltje. “Hij is Joods, hè? Ik ga er melding van maken.” Bakker reageerde adequaat. “Een woord hierover en ik schiet een kogel door je kop. Waag het niet.” Sije ‘Swyn’ werd blijkbaar angstig, want hij repte er tijdens het restant van de oorlog met geen woord meer over.

Met deze verhalen in mijn achterhoofd stak ik 4 februari met mijn broertje de ­oceaan over. Meneer Davids had het driedaagse programma langs musea en andere bezienswaardigheden minutieus voorbereid. Meneer Davids was de enige nog levende persoon die met mijn familieleden de oorlog had doorgemaakt. Onze ­eerste begroeting voelde alsof ik de hand schudde van een historisch figuur die ik uit geschiedenisboeken kende. Ik besefte in eerste instantie nauwelijks dat deze grijze en vriendelijke man 75 jaar geleden bij mijn overgrootouders had gezeten.

Meneer Davids blijkt een kwieke man van 77, die nog geen 1,70 meter meet. Hij woont in Los Angeles omdat ‘hier alles gebeurt’. Van de nieuwste ­Hollywoodfilms tot de basketballers van de Los Angeles Lakers: de geboren Amsterdammer – hij bracht zijn eerste maanden in de Jekerstraat in Zuid door – kent zijn stad. Davids is het type auto-bestuurder dat bij oranje verkeerslicht niet twijfelt, maar juist gas bijgeeft om het drukke kruispunt nog nét voor het andere verkeer over te kunnen steken.

Geluk gehad

Waar Davids die drie dagen met mij en mijn broertje ook is, hij schudt de ene na de andere anekdote uit zijn mouw. Over hoe hij tot zijn pensionering in 2007 zijn verleden probeerde te vergeten, het verdriet niet wilde toelaten en daarna pas begon aan wat hij nu zijn levenswerk noemt. “Ik deel de gebeurtenissen van de Holocaust in de musea en in de schoolklassen hier. Dat doe ik voor jullie familie, de familie Bakker, ik ben hen alles verschuldigd, inclusief mijn leven. Iedereen moet dat weten. Ik was onderdeel van een geschiedbepalende gebeurtenis, het enige wat ik had, was geluk.”

Journalist Thomas Sijtsma, Harry Davids en Ruben Sijtsma in Los Angeles.Beeld Linda Stulic

Ook uit zijn gedrag blijkt het schatplichtige gevoel van Davids. Hij biedt zich aan als onze taxichauffeur, haalt ons elke ochtend trouw op, betaalt zonder enige vorm van overleg voor koffie, lunch en diner en vraagt bijna elk uur of we nog wensen ­hebben voor die dag.

Over zijn privéleven blijft niks onbesproken. Davids is ongehuwd en kinderloos en heeft nooit de liefde van zijn leven gevonden. Althans, misschien toch wel. Ooit, in zijn tienerjaren, stond Davids op de tennisbaan met open mond naar een meisje te kijken. Hij was te angstig om haar aan te spreken, trok vervolgens de haren uit zijn hoofd van spijt en zocht daarna nog jaren naar die tennisster met die mooie lach – maar tevergeefs. Davids woonde het grootste deel van zijn leven alleen. Dat doet hij nog steeds. Eenzaam voelt hij zich nooit, zo benadrukt hij.

Bij zich draagt hij een witte map met daarin levensdocumenten en memoires van overleden familieleden. Geen van allen heeft hij echt gekend. Het zijn stukjes van zijn levenspuzzel.

“Gedurende mijn leven zocht ik naar de grond van mijn bestaan. Ik wist niets van mijn ouders, niets van oma’s en opa’s, niets van de meeste ooms en tantes. Met de documenten probeer ik de puzzel te leggen, daarin liggen antwoorden over wie ik ben. Kinderen gebruiken de doos als puzzelvoorbeeld. Ik heb die doos niet, alleen een incomplete stapel stukjes die ik elke dag weer op de juiste plaats probeer te leggen.”

Haagse hopjes

Een van de bladzijdes uit de map laat hij snel aan ons zien. Het is een witte pagina met daarop twee snoeppapiertjes van Haagse Hopjes. Mijn broertje en ik kijken hem vragend aan. “Jullie oma stuurde mij decennialang een zakje op. Ze dacht dat ik het lekker vond, wat trouwens ook zo was.” Wij hebben dat nooit geweten, en andere familieleden ook niet. Gedurende ons ­verblijf vertelt Davids alles wat hij de afgelopen jaren te weten is gekomen. De vorm van interactie is elke dag hetzelfde: wij vragen, Davids praat.

Harry Davids (77), februari 2020. Beeld Linda Stulic

Davids bleek een van de Joodse kinderen te zijn die door verzetslieden uit de crèche bij de Hollandsche Schouwburg op de Plantage Middenlaan in Amsterdam werden gehaald. Daar verzamelde de bezetter de Amsterdamse Joden voor deportatie naar Westerbork en daarna naar Polen. De bestemming was onbekend, maar zijn ouders Alfred Israel Davids en Berta Lily Berg roken onraad en probeerden hun enige zoon uit handen van de nazi’s te houden. In maart 1943, Davids was nog geen halfjaar oud, gaven zijn ouders toestemming aan het verzet om de kleine Harry mee te nemen. Ze zouden hun zoon nooit meer zien.

“Dat was een hartverscheurende keuze voor ze. Dat kan niet anders.”

Davids vertelt over zijn ouders, aan wie hij zelfs geen enkele herinnering heeft, in het Simon Wiesenthal Museum. Kort hiervoor heeft hij aan dertig belangstellenden de wekelijkse lezing over zijn leven gegeven. ­Tijdens de lezing schrijf ik mee om elk woord van Davids te reproduceren bij mijn ernstig zieke oom als ik terug in Nederland ben. “Mijn ouders zijn een week later op dezelfde dag omgekomen in vernietigingskamp Sobibor. Misschien hebben ze op hetzelfde transport gezeten. Ik hoop het, die gedachte geeft mij rust. Ik hoop ook dat de dood snel en pijnloos in een gaskamer was, liever dan uithongering en marteling. Mijn ouders waren twee van mijn 71 familieleden die de oorlog niet overleefden. We waren nog met vijf in 1945.”

“Inmiddels weet ik dat ze mij een internationale voornaam gaven om met mij naar het buitenland te vluchten, om daar een nieuw leven te beginnen. Alleen was het te laat. Ik zou zo graag een keer een gesprek met ze willen voeren. Waarom doken ze niet onder? Kon dat niet door de zwangerschap van mijn moeder? Maar waarom werd ze dan zwanger in oorlogstijd? Mijn komst bracht ze ontegenzeggelijk in diepe problemen. Misschien hadden ze de oorlogsjaren overleefd als ik niet was gekomen. Zwanger of met een baby onderduiken was heel erg moeilijk. Ik ga nooit antwoorden krijgen en zal nooit te weten komen wie ze echt waren, maar ik ben dankbaar dat ze mij aan het verzet gaven. Dat was voor mij levensbepalend.”

De kleine Harry werd na het ontsnappen uit de crèche volgens zijn eigen bronnen door de studente Gisela Söhnlein naar Utrecht gebracht. “Vanaf daar heb ik geen idee hoe ik in Noord-Friesland ben gekomen. Ik weet alleen dat het bijna negen maanden heeft geduurd tot ik vlak voor kerst in 1943 bij jullie overgrootouders in Engwierum kwam. Waarschijnlijk ben ik door vele verzetshanden gegaan.”

Ondervoed

Als jongen van nauwelijks een jaar oud kwam het Joodse weeskind bij mijn overgrootvader Berend Bakker terecht. Hij had de opdracht om onderdak op het Friese platteland te vinden voor Harry, want meer dan de naam wist hij niet van het ondervoede kind dat hij in zijn handen droeg. Voor het jochie zonder kleding en met het lichaam vol zweren, blauwe plekken en andere wonden was nergens plek. Mensen waren bang dat hij een ziekte met zich meedroeg. Bovendien was het risico te groot; op het verbergen van onderduikers stonden zware straffen.

Mijn overgrootmoeder viel meteen voor het blonde mannetje. “Als niemand hem wil hebben, moeten wij de zorg maar op ons nemen,” had ze gezegd. Ze overspoelde Harry vervolgens met alle liefde die ze had. Hij at en dronk tot hij er weer gezond uitzag. Ondertussen zocht haar man door naar een onderkomen voor hem. Na een maand besloot het echtpaar de jongen te houden.

Van de vier kinderen in het gezin wist alleen de oudste dochter, een tiener in de late oorlogsjaren, dat Harry niet haar echte broertje was. In het dorp werd geroddeld over de Joodse jongen bij de familie Bakker. Duitse soldaten bevolen zelfs een keer de broek van Harry naar beneden te trekken om te kijken of hij was besneden. Met een smoes van mijn overgrootmoeder wist hij te ontkomen aan de controle.

Harry Davids overleefde de laatste oorlogsjaren bij de familie Bakker. In veiligheid vierde hij de bevrijding. Daarna ontstond een chaotische situatie in Nederland waarbij geen familieleden van Harry zich meldden. Mijn overgrootouders maakten inmiddels al lang geen onderscheid meer tussen Harry en hun vier echte kinderen. Hij was een van hen en dat zou zo blijven.

Dat vooruitzicht veranderde in de loop van 1946, toen een oom – de broer van Harry’s vader – zich meldde. Hij wilde de jongen meenemen naar zijn huis in Zuid-Afrika. Te veel familieleden waren gestorven, deze jongen moest mee.

Naar de rechter

Een rechtszaak in Amsterdam volgde. Davids sprak later met een van de juryleden. “De rechter had mijn zaak ‘de moeilijkste uit zijn leven’ genoemd. Aan de ene kant stond jouw familie, die mij na drie jaar zag als hun bloedeigen zoon. Aan de andere kant stond mijn oom, een van de enige overgebleven leden van de familie Davids. Beide partijen hadden de beste bedoelingen. De jury was verdeeld en nam geen beslissing. Het woord was aan de rechter. Na bijna een week bedenktijd gaf hij mij mee aan mijn oom in mei 1947. ­Jullie overgrootouders waren uit het veld geslagen. Ik denk zelfs dat jullie overgrootmoeder Jeltje dit verdriet nooit meer heeft verwerkt. Als ik in de schoenen had gestaan van de rechter, zou ik elke keuze begrijpen. Aan beide zijdes zat veel liefde.”

De eerste herinneringen van Harry aan zijn verhuizing naar Zuid-Afrika, zijn de bloedende oren die hij door de luchtdruk kreeg tijdens de vliegreis. Hij groeide daar op met zijn drie nichtjes die hij inmiddels als zussen beschouwde. In 1949 vertelden zijn oom en tante pas dat zij niet zijn echte ouders waren. Harry begreep het niet, aan Amsterdam of Engwierum had hij geen herinneringen en hij veronderstelde dat hij was geboren in Zuid-Afrika. Hij wist toen ook nog niet dat een familie uit Nederland hem regelmatig brieven en kaartjes stuurde. Zijn oom en tante verstopten of vernietigden de schrijfsels van mijn overgrootouders, om de verwarring in het kinderhoofd van Harry niet nog ­groter te maken.

“De wanhoop moet bij de familie Bakker gigantisch zijn geweest. Ze kregen nooit antwoord op hun vele toenaderingspogingen. Pas toen ik ouder werd vond ik een van de vele kaartjes terug, die draag ik altijd met mij mee.” Davids leest de Nederlandse tekst op de briefkaart beplakt met een postzegel van koningin Wilhelmina voor.

Engwierum, 17/8/47

Lieve Harry,
Zie je ons huisje tussen de bomen? En de boerderij van Jensma? En de kerk met zijn stompe toren? En het Kerkepad, waar je vroeger altijd fietste?
Horen we gauw eens wat van je en schrijf je ons eens een briefje?

Hartelijke groeten,
Een dikke tút van heit en mem

De briefkaart die Harry Davids altijd bij zich draagt.Beeld Privéarchief

Op school in Zuid-Afrika had Davids het zwaar. Hij werd gepest. Opnieuw was hij de zondebok door zijn Joodse komaf. ­Leraren moesten een handgemeen voorkomen wanneer voor de zoveelste keer ‘vieze Jood’ naar hem werd geschreeuwd.

In het gesegregeerde land vond Davids zijn draai niet. “Het leek op Europa van voor de oorlog. Apartheid. Restaurants, toiletten en ingangen van openbare gebouwen waren gescheiden voor zwart en wit. Er hing een agressieve sfeer in het land. Het was een fool’s paradise. Op straat was een stortvloed aan geweld, als blanke jongen voelde je je niet veilig, bovendien werd elke nacht wel ergens in de buurt ingebroken. De rassenoorlog stond op punt van uitbreken en in mijn studententijd deed ik wat ik kon. Met anderen zette ik een politieke partij op om een brug tussen blank en donker te bouwen. We wilden denkpatronen doorbreken, maar het initiatief had weinig kans. In de jaren zeventig vertrok ik naar de Verenigde Staten om een nieuw leven te beginnen – en met mij mijn oom, tante en nichten die Zuid-Afrika ook te gevaarlijk vonden.”

Slechts een keer zag Davids mijn ­overgrootmoeder terug. In 1968, ruim twintig jaar na zijn vertrek, reisde hij ­vanuit Zuid-Afrika naar Nederland en bedankte hij Jeltje Bakker-Woudsma voor haar moed in de oorlog. “Voor haar was het verschrikkelijk emotioneel. Ze huilde onafgebroken, woorden wisselden we amper. Het enige wat ze deed, was mij vastpakken. Pijnlijk voor haar was ook dat ik haar zag als een vreemde, ik had geen enkele herinnering aan haar en de oorlogstijd. Zij zag haar zoon terug, terwijl ik haar voor mijn gevoel voor het eerst zag.”

Afscheid

Mijn overgrootvader was een jaar eerder op 68-jarige leeftijd plotseling overleden. De laatste keer dat Davids zijn redder Berend Bakker zag, was dus onbewust in de jaren veertig. “Aan die man heb ik mijn leven te danken. Hij is mijn held. Wat hij voor mij allemaal heeft gedaan, is onvergetelijk. Het doet zeer dat ik hem nooit meer heb gezien. Mijn werk in de verschillende musea doe ik voor hem.”

Nog steeds vertelt Davids wekelijks in de musea en op scholen in Los Angeles over de familie Bakker uit een klein dorp op het Friese platteland. 

Ook na onze laatste afspraak zet hij ons weer netjes af bij ons gehuurde appartement. Een ferme handdruk volgt. Bij het afscheid met mijn broertje en mij belooft Davids dit werk voort te zetten tot hij niet meer kan. Voor de overleden familieleden, maar ook voor zijn naamgenoot, mijn oom Harry. Hij vraagt ons alle nakomelingen van Berend Bakker en Jeltje Bakker-Woudsma een groet te brengen. “Especially to your uncle Harry, I hope I can meet him one day in the future.”

Thomas Sijtsma (l), zijn oom Harry Kooyenga (midden) en broertje Ruben, 3 augustus 2019.Beeld Privéarchief

Na de intensieve dagen waarin de ­vertellingen elkaar in hoog tempo opvolgen, pakken mijn broertje en ik de rugzak in met onwerkelijke ervaringen van een man die alleen in verhalen van mijn oma bestond. Hoewel we regelmatig updates hadden gestuurd naar mijn oom, zien we dat hij zijn telefoon niet meer gebruikt. Van mijn ouders begrijpen we dat zijn ­situatie per uur verslechtert.

Mijn broertje en ik bespreken nog dat de eerste stop in Nederland bij niemand anders kan zijn dan bij oom Harry. Er is weinig tijd over. Hij eet steeds minder en slaapt steeds meer. Het duurt niet lang meer, zo horen wij in de avond voor vertrek. Maar hij wil nog horen over Harry Leo Davids, zijn leven, zijn verhalen en zijn herinneringen aan onze familie.

In de nacht, slechts een paar uur voor ons vertrek, belt mijn vader ons midden in de nacht wakker: “Jongens. Schrik niet. Jullie oom Harry is zojuist overleden.” 

Tot stand gekomen mede dankzij het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten, www.fondsbjp.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden