PlusAchtergrond

7 epidemieën die Amsterdam teisterden, van lepra tot aids

Pest, cholera, pokken: het coronavirus is lang niet de eerste epidemie die de kop opsteekt. Sommige maakten veel slachtoffers. Wat heerste wanneer in Amsterdam en wat deed het stadsbestuur?

Gezicht op het Pesthuis, dat stond op de plek waar nu de Eerste Helmersstraat is. Ets uit 1663. Beeld Stadsarchief Amsterdam

Lepra

14de eeuw

Vlekken, schubben, knobbels en zwellingen op de huid: lepra was en is allesbehalve een prettig gezicht. De bacteriële infectieziekte werd, net als de meeste latere epidemieën, verspreid door grote groepen mensen die zich verplaatsten, zoals pelgrims en zeevaarders die het virus meenamen uit exotische oorden. Hoewel lepra niet dodelijk is, was een lepralijder in de 14de eeuw niet welkom in de stad. Leprozen konden wel kiezen voor een leven in een leprozenhuis, net buiten de stadsmuren. Zoals in het leprozenhuis op de hoek Lazarussteeg en Jodenbreestraat, waar nu het Mr. Visserplein ligt. De zeventiende-eeuwse poort van het huis is ondanks de bouw van het plein gespaard gebleven en is verplaatst naar Sint Antoniesluis 21-24.

De pest

1602-1664

De pestepidemie bereikte Zuid-Italië in 1347 om vervolgens langzaam maar zeker Europa met een dikke zwarte deken te bedekken. De pest sloeg in Amsterdam 37 keer toe, met enkele akelige uitbarstingen in de 17de eeuw. Wie de symptomen kreeg (pijnlijke bulten, hoge koorts en hallucinaties) stierf snel, vaak binnen enkele dagen. Door de jaren heen maakte de pest ruim 25.000 dodelijke slachtoffers in Amsterdam: ruim 10 procent van alle inwoners in de stad, blijkt uit cijfers van het Stadsarchief. Vooral in de dicht­bevolkte Jordaan vielen veel doden, waar ratten – en de rattenvlooien die het virus overbrachten – vrij spel hadden. Omdat pestlijders een gevaar voor de stad waren, werden zij geïsoleerd in een pesthuis zoals dat aan de Overtoomsche Vaart, waar plek was voor driehonderd patiënten. Het effect van isolering in een pesthuis wordt regelmatig genoemd als mogelijke oorzaak van het terugdringen van de pestepidemie.

De pokken

18de eeuw

Nadat de pest uit de stad was verdwenen, kwamen de pokken op. Het pokkenvirus verspreidde zich via de lucht­wegen en veroorzaakte in de 18de eeuw kortstondige epidemieën. Annet Mooij beschrijft in haar boek Van Pest tot Aids dat in de late 18de eeuw gemiddeld 8 procent van de totale sterfte aan de pokken was toe te schrijven. Tijdens een hevige epidemie in 1794 stierven ongeveer drieduizend Amsterdammers. Vooral kinderen werden getroffen: één op de tien kinderen stierf. De ontwikkeling van de koepokinenting (1798) leek een einde aan de misère te maken. Alhoewel, vooral de elite van Amsterdam liet zich direct vaccineren. Initiatieven als het in 1803 opgerichte Amsterdamsch Genootschap ter Bevordering der Koe­pokinenting voor Minvermogenden maakten het minder­bedeelden mogelijk te worden ingeënt. Dit genootschap werd in 1956 opgeheven toen de pokkenepidemie definitief voorbij was.

Leprozenhuis Sint Jorishof ter hoogte van de huidige Kalverstraat. Gefantaseerde situatie uit 1400. Tekening van Hendrik Tavenier, 1789. Beeld Stadsarchief

Cholera

1832-1867

In 1832 bereikte cholera Nederland. Omdat het drink­water in grote steden zwaar vervuild was, verspreidde deze infectieziekte zich gemakkelijk. Deze nieuwe plaag was een sluipmoordenaar: cholera verscheen uit het niets en een slachtoffer kon binnen een paar uur na de ontdekking van de eerste symptomen overlijden. Het Stads­archief heeft een cholerakaart uit 1866 waarbij de cholera-epidemie van dat jaar in de vijftig buurten van Amsterdam wordt weergegeven. Vooral de volksbuurten moesten het ontgelden. In totaal heeft cholera zo’n 3400 levens geëist tijdens verschillende epidemieën, maar daar kwam een eind aan mede door de komst van schoon drinkwater uit de duinen.

Tuberculose

1887-eind jaren 1950

Cholera was niet de enige negentiende-eeuwse Amsterdamse plaag: ook tuberculose deed zijn intrede en maakte in Nederland tienduizend dodelijke slachtoffers. Die slachtoffers vielen vooral in verpauperde wijken van de stad. In 1904 werd het particuliere Amsterdamsche Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose opgericht, net als een dagsanatorium in het Oosterpark, waar verzwakte Amsterdammers op krachten konden komen. Maar misschien nog wel het belangrijkste middel in de strijd tegen tuberculose bleek het consultatiebureau. De bureaus aan de Noordermarkt en de Vijzelgracht spoorden niet alleen besmette gevallen op, maar hielpen ook met een hygiënische huishouding.

De Spaanse griep

1918-1920

Het is veruit de grootste pandemie tot nu toe: wereldwijd maakte het longvirus de Spaanse griep in korte tijd 20 tot 40 miljoen slachtoffers. Nederland telde zo’n 30.000 dodelijke slachtoffers, met name in arme veensteden in Drenthe, maar ook in Amsterdam hield de Spaanse griep flink huis. Lijkwagens reden af en aan, het openbaar vervoer lag plat en er waren lange wachtlijsten voor begrafenissen. Er kwamen algemene adviezen, zoals het goed ventileren van ramen en niet met te grote groepen mensen bij elkaar komen. Maar eigenlijk was er verder niet zo veel aan te doen. “Het was vrij lang onbekend dat de Spaanse griep daadwerkelijk een virus was,” vertelt Eric Mecking, historicus en schrijver van het boek Het drama van 1918, over de Spaanse griep en de zoektocht naar een virus en vaccin. “In die tijd werden de raarste middeltjes aangeprezen door kwakzalvers die dankbaar gebruikmaakten van het moment.”

Aids

1981-1996

In 1981 werd een man opgenomen in het AMC, artsen wisten geen raad met zijn infecties en niet veel later stierf hij. Achteraf bleek hij de eerste aidspatiënt in Nederland. De jaren daarna greep aids om zich heen – vooral in Amsterdam, met een bloeiende gayscene in de jaren tachtig, die als haard gold. Mensen vreesden een grote epidemie, vooral omdat zij niet wisten wat aids was en hoe het virus precies werd overdragen. Virus hiv bleek de veroorzaker. In 2000 werd er een medicijn ontwikkeld waardoor aids chronisch werd. Maar dat betekent niet dat de ziekte is uitgeroeid: in Nederland leven naar schatting 23.300 mensen met hiv, blijkt uit cijfers van het aidsfonds. 92 procent wordt behandeld. 

Prent van stervende pestlijders, Jan Luyken, circa 1700. Beeld Rijksmuseum

Wat kunnen we leren van het verleden? 

Er zijn meer overeenkomsten dan verschillen in de keuzes die worden gemaakt ten tijde van een uitbraak van een besmettelijk virus. Zo blijkt quarantaine een eeuwenoud middel om infectieziektes tegen te gaan wanneer er nog geen geneesmiddelen voorhanden zijn, weet historicus Annet Mooij (58). Mooij: “Quarantaine kwam al voor in de tijd van de pest. Schepen die uit een bepaald besmet gebied kwamen, moesten veertig dagen voor anker. Daar is quarante (het Franse woord voor veertig) een afgeleide van. Bovendien moesten pestlijders thuisblijven en een bos stro voor de deur hangen. Dat is in zekere zin ook een vorm van quarantaine. Wat wij nu doen is niets nieuws.”

Snelheid maakt volgens Mooij een groot verschil. Mooij: “Vroeger verplaatste men zich met een stoomschip of met een karavaan. Daarom kon het eeuwen duren voordat een infectieziekte verspreid werd. Tegenwoordig verplaatsen we ons met een Boeing. Bovendien zijn we sneller op de hoogte van het nieuws. We lezen van dag tot dag hoe het verloop van het coronavirus in Italië is.”

Of we kunnen leren van de geschiedenis? “Zondebokvorming is niet de oplossing. In de 14de eeuw werden de Joden aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van de pest, met jodenvervolgingen als gevolg. In de begindagen van het coronavirus kregen Chinezen vreselijke dingen naar hun hoofd geslingerd. Dit wijst erop dat oude angsten weer tot leven komen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden